Essay

Eelco Runia zoekt de oorzaak van het populisme: ‘We zitten opgesloten in het heden’

Psycholoog en historicus Eelco Runia (1955).

Eeuwenlang richtten we onze blik op de toekomst, nu leven we in een eeuwig heden - en een verheerlijkt verleden, stelt Eelco Runia. Tijd om weer vooruit te kijken.

In een naburig dorp zag ik dat het plaatselijke dorpshuis opgeknapt werd. Er stond een bord bij: ‘Dorpshuis Mensingeweer toekomstbestendig’. De toekomst is een barre winter waar we ons tegen moeten wapenen.

De tekst toont hoe we tegen verleden, heden en toekomst aankijken. En: hoe deze drie zich tot elkaar verhouden. Zoals we ons oriënteren in het landschap waarin we ons bevinden, zo oriënteren we ons op heden, verleden en toekomst in een ‘tijdschap’. Die oriëntatie is voor iedereen anders, maar er zitten clusteringen in.

Het gemiddelde daarvan, en van al die particuliere oriëntaties, kan in de loop der tijd spectaculair veranderen. Het tijdschap is een belangrijke politieke determinant. Vergeet links versus rechts, vergeet identity politics. Wat er tegenwoordig politiek het meest toe doet is of u op het verleden, het heden of de toekomst georiënteerd bent.

Lef

Oriëntatie op het verleden is het kenmerk van populistische bewegingen. Zie Trumps Make America Great Again, de Brexit-slogan Take back control en de PVV-leuze ‘Nederland weer van ons’. Dus als u primair op het verleden georiënteerd bent, stemt u populistisch. Bent u meer op het heden gericht dan stemt u een conservatieve partij - die vooral wil behouden wat er is, zoals VVD, SP of PvdA. Bent u vooral toekomstgeoriënteerd dan gaat uw voorkeur uit naar GroenLinks of - vooruit - D66.

De openstelling van de grens Oost-en West-Duitsland. Beeld ANP

Stabiel zijn deze verhoudingen niet. Zo schrijft de VVD in haar laatste verkiezingsprogramma: “In onze hele geschiedenis zijn wij Nederlanders voor niemand bang geweest. Onze geschiedenis is er een van nieuwsgierigheid, van handel en van lef” (je moet inderdaad wel lef hebben om te beweren dat ‘wij Nederlanders’ in onze hele geschiedenis voor niemand bang zijn geweest). 

Dat gaat zo nog een tijdje door, tot de aap uit de mouw komt: “Dat is het Nederland dat wij koesteren. Dat is het Nederland waar wij dit verkiezingsprogramma voor hebben geschreven. Omdat wij onszelf willen blijven. Omdat we willen dat Nederland Nederland blijft.” 

De VVD begint, kortom, te neigen naar een nostalgisch conservatisme, een conservatisme dat niet durft te volstaan met op de bres te staan voor wat is, maar voortdurend over de schouder kijkt en het niet kan laten zich te oriënteren op wat was.

Door de bank genomen zijn we tegenwoordig sterk op het verleden georiënteerd. Dat is in historisch perspectief nogal uitzonderlijk. Sterker nog: meer dan twee eeuwen lang, vanaf het derde kwart van de 18de eeuw tot de jaren zeventig of tachtig van de vorige eeuw, was de toekomst het dominante tijdperk. Zelfs het fascisme en het nazisme moesten het qua aantrekkingskracht meer hebben van een visionair perspectief op wat komen ging, dan op flogging the dead horse of the past.

Neem het ‘Derde Rijk’: prachtig natuurlijk, dat Heilige Roomse Rijk en ook dat tweede, door Bismarck uit de hoed getoverde rijk mocht er natuurlijk best zijn - maar Hitlers Derde Rijk zou van die twee eerdere rijken de overtreffende trap zijn.

Een groot deel van de twee eeuwen waarin de toekomst het dominante tijdperk was, staat in het teken van een ideologie die met een buitengewoon misleidende term ‘historisme’ wordt genoemd. De herwaardering van het verleden maakte deel uit van een breder project - een ‘tijdschap’ - waarin het verleden in dienst gesteld werd van toekomstgericht handelen. 

In die 19de eeuw sprak één ding vanzelf: dat je ‘met je tijd moest meegaan’. U denkt misschien dat dat gebod van alle tijden is. Dat is niet zo. Het duikt pas op na de Franse Revolutie, begin 19de eeuw; il faut être de son temps, was de leuze van cartoonist Honoré Daumier. Dat heden dat je moet proberen te belichamen is een bewegend heden - een heden dat zich naar de toekomst voortbeweegt.

Wegwijzer

Sinds die tijd is elk heden een ‘overgangsperiode’ en verandering de norm. Je zou dus kunnen zeggen dat het verleden in het 19de-eeuwse, historistische ‘tijdschap’ niet gekleurd wordt door het heden, maar door een (meestal impliciete) visie op de toekomst. Zoals de Indiase denker Ashis Nandy het geformuleerd heeft: het historisme was ‘een theorie over de toekomst die voorgeeft een theorie over het verleden te zijn’.

Die toekomstgerichtheid was sterk ideologisch gekleurd: een socialist zag een heel andere toekomst voor zich dan een liberaal. En zag bijgevolg ook een ander verleden. Het is als bij de wegwijzer: uit de stand (waar hij heen wijst dus) leid je af uit welke richting we gekomen moeten zijn.

Die oriëntatie was dominant. Natuurlijk, linksige, ‘vooruitstrevende’, revolutionaire types waren gegrepen door het ‘voorwaarts dringen’. Maar de ultieme belichamers van die 19de eeuwse toekomstgerichtheid waren de liberalen.

We stellen ons tegenwoordig de revolutionairen voor als Che Guevaras: met stoppelbaard, kapotte schoenen en een rode bandana om het hoofd. Maar de prototypische revolutionair was toen een nette burgerman - de hoge hoed is zijn attribuut.

Hoge hoed

Dat kun je mooi zien op het schilderij van Antonio Gisbert Pérez, ‘De terechtstelling van Torrijos en zijn metgezellen op het strand van Málaga’ (1888). De revolutionairen die hier op het punt staan de kogel te krijgen zijn goed gekapt, netjes geschoren en modieus gekleed. 

De hoge hoed op de voorgond laat zien dat dit het soort liberalen is waar je nostalgisch naar terug kunt verlangen - naar het 19de-eeuwse, Spaanse equivalent van de mensensoort waar het VVD-program zo hoog van opgeeft: mensen die ‘voor niemand bang’ zijn, mensen ‘met nieuwsgierigheid, ondernemingszin en lef’.

Antonio Gisbert Pérez (1834-1902): De executie van Torrijos en zijn compagnie op het strand van Málaga (1888) Beeld Prado, Madrid

Ik zal geen poging doen de lotgevallen te schetsen die ons ‘tijdschap’ sinds de 19de eeuw onderging. Alleen dit: rond 1900 veranderde onze oriëntatie op tijd opnieuw tamelijk ingrijpend. Eigenlijk veranderde onze notie van verandering. Tekenend daarvoor is de Duitse dichter Eugen Wolf die in 1887 zei dat hij het als zijn taak zag ‘der Zukunft prophetisch und bahnbrechend vorzukämpfen’: ruim baan te maken voor wat de toekomst in petto had.

Uit opmerkingen als deze, en gelooft u mij: ze zijn representatief, blijkt dat de norm niet langer de eenparige beweging was, maar de versnelling. Was het voorheen, om de toekomst naderbij te brengen, voldoende om met je tijd mee te gaan, nu moest je proberen je tijd vooruit te zijn. De turbo ging aan: il faut être le futur.

Het iconische voorbeeld is het futurisme. Voorman Filippo Marinetti trekt in zijn ‘Futuristisch manifest’ ook de ultieme conclusie: hij zal, voorwaarts strevend, onder de voet gelopen worden door hen die na hem gestart zijn. En hij juicht dat toe, wat hem iets suïcidaals geeft: “De oudsten onder ons zijn 30 jaar: wij hebben dus nog minstens tien jaar om ons werk te voltooien. Als we veertig zijn, laat dan andere mannen, die jonger en sterker zijn dan wij, ons maar in de prullenmand gooien, als nutteloze manuscripten. Wij verlangen daarnaar!”

De derde etappe in de ontwikkeling die onze oriëntatie op tijd sinds het eind van de 18de eeuw heeft doorgemaakt begint volgens de Franse geschiedtheoreticus François Hartog in 1989 - het jaar waarin de Muur viel en Francis Fukuyama zijn essay ‘The End of History’ uitbracht. Sindsdien zitten we, aldus Hartog, opgesloten in een présent perpetual. Eind 18de eeuw hielden we op in het verleden te leven, eind 20ste eeuw hielden we op een toekomst te hebben. Het enige dat ons rest is het heden.

Touwtjes uit brievenbussen

Of dat heden van Hartog inderdaad ‘eeuwigdurend’ is staat natuurlijk nog te bezien. Hij wil vooral uitdrukken dat het perspectief op de toekomst - welke dan ook - is weggevallen. De toekomst is niet maakbaar gebleken en staat dreigend en ongenaakbaar voor ons. Heel verstandig om dat dorpshuis in Mensingeweer ‘toekomstbestendig’ te maken.

Opgesloten zitten in het heden betekent niet dat er niets gebeurt. De Franse filosoof Paul Virilio heeft er een mooi woord voor bedacht: frenetic standstill - wild bewegen zonder dat je ook maar een millimeter van je plaats komt.

Een van de symptomen van dat opgesloten zitten in het heden is een voorliefde voor nostalgie. Die ook niet meer is wat ze geweest is. Vroeger was nostalgie vooral een verlangen naar een specifiek verleden - toen er nog touwtjes uit brievenbussen hingen. Nostalgie is tegenwoordig vooral een verlangen naar een tijd dat we nog een toekomst hadden.

Anno 2018 is nostalgie, met andere woorden, primair een verlangen naar een tijd waarin er nog van alles in de lucht hing, waarin we nog niet de dingen gedaan hadden die we sedertdien wel degelijk gedaan hebben. Of, zoals de komiek Karl Valentin het ooit met vooruitziende blik formuleerde: Die Zukunft war früher auch besser.

Het (niet) hebben van een toekomst kan krachtige gevoelens teweegbrengen. En daaruit politiek garen spinnen is precies waar populistische politici goed in zijn. Een van de gevoelens is jaloezie jegens mensen die wel een toekomst hebben - van wie we althans denken dat ze een toekomst hebben.

Het lijkt me alleszins aannemelijk dat die jaloezie een van de belangrijkste drijfveren is om op een populist te stemmen. Ik definieer populisme als de politieke stroming die gebaseerd is op ‘het gevoel het nakijken te hebben’, het gevoel dat je zelf stilstaat en links en rechts gepasseerd wordt. De futurist Marinetti verwelkomde het ingehaald te worden door de generatie na hem - maar voor de meeste mensen is ingehaald worden iets verschrikkelijks.

Onlangs publiceerde het Pew Research Center (een Amerikaanse denktank) de resultaten van een onderzoek naar de economische gemoedstoestand in 27 landen. Van de Nederlanders is 85 procent tevreden met hun economische situatie, maar 54 procent denkt dat hun kinderen later slechter af zullen zijn dan zijzelf. En het onderzoek laat zien dat slechts een schamele 35 procent gelooft dat hun kinderen het beter zal krijgen dan zij.

Uit de cijfers blijkt dat de kloof tussen hoe de eigen situatie wordt beoordeeld en wat men denkt dat de volgende generatie te wachten staat het grootst is in landen waar populistische partijen de meeste aanhang hebben.

Electoraal plafond

Dat beduchtheid voor de toekomst inderdaad een belangrijke politieke determinant is blijkt uit onderzoek van de econoom Ben Delsman. Hij vertaalde angst voor de toekomst als ‘angst voor automatisering’ en zag dat 21 van de 22 Amerikaanse staten die het gevoeligst zijn voor automatisering, voor Trump stemden. Alle 15 staten die er het minst gevoelig voor zijn, stemden Hillary Clinton.

Zo bezien vallen allerlei raadsels over het succes van Trump, de Brexit en de populistische partijen in Europa op hun plaats. Mensen stemmen niet populistisch omdat het slecht met hen gaat, maar omdat zij het gevoel hebben geen toekomst te hebben in een context waarin mensen om hen heen dat wel hebben.

Ik verbind aan deze analyse twee conclusies, een geruststellende en een alarmerende. De geruststellende is dat populisme zich alleen voordoet als de mensen die voor zichzelf of hun kinderen weinig toekomst zien, om hen heen voldoende mensen zien - allochtonen zowel als geprivilegieerden - die zo’n toekomst wel lijken te hebben. 

Populisme kan, met andere woorden, alleen de kop opsteken tussen mensen die er niet vatbaar voor zijn. Wat betekent dat populisme per definitie een electoraal plafond kent en moeilijk aan een meerderheid komt.

Alarmerend is de conclusie dat we dringend een toekomst nodig hebben. Achteruitlopend de toekomst in stommelen kan niet de bedoeling zijn, perspectief is een eerste levensbehoefte. Waarmee we bij de opgave zijn waar we heden ten dage voor staan: hoe krijgen we onze toekomst terug? De eenvoudigste manier is: door het creëren van een ramp. Zo hebben we dat in het verleden vaker gedaan. De moeilijkste manier is: door onze toekomst los te koppelen van economische groei. Ik zou zeggen: laten we voor de moeilijke optie gaan.

Psycholoog en historicus Eelco Runia (1955) schreef ‘Genadezesjes. Brieven uit de moderne universiteit’ en ‘Het Srebrenicasyndroom. Hoe een historisch trauma nagespeeld in plaats van opgehelderd werd’.

Lees ook: 
Kunnen wij mensen zélf iets van ons leven maken?

Kun je zelf iets van je leven maken, vraagt gedragswetenschapper Ben Tiggelaar zich af in zijn Protestantse Lezing. Of kun je zingeving juist buiten jezelf vinden?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden