EDUARD MüRIKE EN DE TAAL DIE HEM KUSTE

De zomerserie 'VERZONKEN LIEFDES' is gewijd aan auteurs of boeken die buiten de actualiteit een profiel verdienen.In de komende weken zijn bijdragen te verwachten over: Kostas Tachtsis (door Tom van Deel), Gerard de Nerval (door Liesbeth Korthals Altes) en Flann O'Brian (door Peter de Boer).Eerdere verhalen gingen over John Berryman, Erich Maria Remarque en Eça de Queiroz.

Over het ontstaan van één van zijn wonderlijk muzikale, volksliedachtige, maar daarvoor toch ook weer te geraffineerd gecomponeerde gedichten - de ballade 'Schön-Rohtraut' - vertelt de dichter zelf: “Bij het zomaar wat bladeren in een woordenboek viel mijn blik op de mij onbekende naam Rohtraut. Die straalde mij als een rozengloed tegemoet, en daar was ook de koningsdochter er al. Door die voorstelling warm geworden, ging ik de kamer uit, ik liep het pad af naar het prieel achter in de tuin en had het gedicht uitgedacht, bijna tegelijk daarmee met metrum en de eerste versregels, waarop de uitwerking als vanzelf volgde.”

Rohtraut - een woord en een klank; de klank wordt beeld, beeld wordt gedicht. In een ogenblik tijds, en als vanzelf, zo moeiteloos lijken Mörikes gedichten te zijn gemaakt. Of juist niet gemaakt, doch ontstaan, vanuit de taal zelf. Over Hölderlin zei Bettina von Arnim: hij heeft de taal gekust. Van Mörike zou men kunnen zeggen dat de taal hem kuste.

Toch verbergt de lichtheid van die taal niet dat de grondstemming van Mörikes poëzie een tragische is. In de zomer van 1824, Mörike was toen twintig jaar, beleefde hij iets dat - meer nog dan de vroege dood van zijn vader, of misschien moet ik zeggen: die ervaring nog eens in alle omvang bevestigend - zijn levensgevoel heeft bepaald. Op 15 augustus van dat jaar bezoekt hij samen met zijn jongere broer August een uitvoering van Mozarts opera 'Don Giovanni', Mozarts van doodsschaduwen donkere, meest dramatische muziek, in Stuttgart. Tien dagen later is zijn geliefde broer dood. “Morgen wordt hij begraven, schrijft Mörike in een brief, nu komt het me voor als was ik alleen om zijnentwil op deze wereld gekomen en zou ik nu ook heen moeten met hem.”

Aan August denkt hij dertien jaar later nog in een ode aan een windharp:

Aangeleund tegen de klimopmuur van dit oude terras,# gij, van een luchtgeboren muze raadselachtig snarenspel,# vang aan,# vang weer aan# uw droefgeestige weeklacht!

Van verre, winden, komt gij nader, ach! van des knapen,# die mij zo lief was, fris groenende heuvel.# Langs lentebloesems strijkend in het voorbijgaan, rijkverzadigd van heerlijke geuren,# hoe zoet belaagt gij dit hart! En suizelt herwaarts in de snaren,# aangelokt door welluidende weemoed, meezwellend met mijn verlangen# en wegstervend dan weer.#

Maar opeens, bij heftiger windstoot,# een lieflijke kreet van de harp# herhaalt tot mijn zoete ontstellen, van mijn ziel de plotse beroering;# en hier - de volle roos, geschud, laat vallen al haar blaadren voor mijn voeten.

Mijn vertaling bereikt in de verste verte niet de ongedwongen klankschoonheid van het origineel, maar zij laat, en daar gaat het mij om, wel de voor Mörike zo karakteristieke 'gemengde stemming' zien van lichtheid en ernst, van levenswarmte en melancholie, en die plotselinge omslag van volle bloei in ontbladering, die 'plotse beroering' van de ziel die dreigt achter ieder moment van geluk.

Eduard Mörike werd in 1804 in Ludwigsburg bij Stuttgart geboren als zevende kind van de arts Karl Friedrich Mörike en de domineesdochter Charlotte Dorothea Beyer. Met zijn voorgeslacht van predikanten, medici en juristen behoort Mörike tot een uitgebreide clan, waarvan ook filosofen als Hegel en Schelling alsmede de dichter Hölderlin deel uitmaakten. Familie van elkaar in enigerlei graad zijn zij in dat gedeelte van Zuid-duitsland dat Schwaben heet, een uniek gezelschap van erflaters. Allen geestelijk gevormd binnen een piëtistische geloofs- en levensovertuiging, velen theologisch geschoold binnen de muren van het Tübinger Stift.

Na zijn studie aldaar was Mörike vanaf 1826 her en der vicaris, als auteur debuteert hij in 1832 met de kunstenaarsroman 'Maler Nolten'. Twee jaar later krijgt hij zijn eerste en enige predikantsplaats, in Cleversulzbach, waar hij gaat wonen met zijn moeder, die er zal sterven, en begraven worden naast de moeder van Schiller. Ook zijn zuster Klara, die haar leven lang bij hem zal blijven, trekt bij hem in.

Gepreekt heeft de dichter er niet vaak, hoewel de oude, nu aan de kant gezette kansel een bordje draagt met het opschrift 'Mörikes kansel' - hij liet zich zondag aan zondag vervangen door vicarissen of collega's in de buurt, een zwakke gezondheid cultiverend, maar in werkelijkheid was hij ongeschikt voor het ambt. “Geloof je in de Heiland?” vroeg een oudere zuster hem op haar sterfbed. “Op die vraag, schrijft Mörike in een brief, kon ik niet spontaan antwoord geven.” En wat te denken van deze kleine dialoog:

Dominee: Waarom maakt gij u om uw voedsel bange zorgen!# De vogelen des hemels, kijk, zijn zonder zorg! Vraagt iemand ook: wat eet ik nu of morgen?# Niemand verhongert, daarvoor staat God borg. Verhoort de Heer 't getsjilp aldus, zijt gij niet meer waard dan een mus?#

Boer: 't Kan zijn, eerwaarde. Toch - wordt gij niet boos - lijkt mij dat welbeschouwd een . . . vogeltroost.

Na elf jaar, negenendertig jaar oud, wordt Mörike gepensioneerd. In 1851 trouwt hij en gaat hij om een gezin te kunnen onderhouden literatuurlessen geven aan een meisjesschool in Stuttgart. Twee dochters worden uit het huwelijk geboren, dat niet gelukkig is - was er door de sterke binding aan zuster Klara niet werkelijk plaats voor echtelijke liefde? - en nog in 1873, twee jaar voor Mörikes dood, komt het tot een scheiding tussen man en vrouw.

Zijn literaire roem is intussen gevestigd, hij wordt doctor h.c. in Tübingen, een beroemd schrijver als Toergenjev komt hem bezoeken. Toch is het vooral aan Hugo Wolf te danken, de componist die veel gedichten congeniaal op muziek heeft gezet, dat Mörikes poëzie, die bij het grotere publiek heel lang in de schaduw van laatromantische en nationalistische tijdgenoten stond, na de eeuwwisseling langzaam begon door te dringen.

Was het het beeld van de brave, gemoedelijk aan zijn meerschuimen pijp lurkende Biedermann, dat zo lang de belangstelling in de weg heeft gestaan? Die zijn behaaglijkheid, om dat woord van de pessimist Wilhelm Raabe voor burgerlijk levensgeluk te gebruiken, zoekt in het stille hoekje van waaruit hij, met rust gelaten, de kleine wereld om zich heen kan observeren? Lass, o Welt, o lass mich sein! / Locket nicht mit Liebesgaben, / Lasst dies Herz alleine haben / Seine Wonne, seine Pein!

Als het voorbeeld bij uitstek van Biedermeierliteratuur geldt Mörikes idylle 'Der alte Turmhahn':

Zu Cleversulzbach im Unterland Hundertunddreizehn Jahr ich stand,# Auf der Kirchturm ein guter Hahn, Als ein Zierat und Wetterfahn.#

Maar oud en dof geworden wordt de haan door een nieuwe vervangen, krijgt hij een plaatsje op de kachel in de studeerkamer van de dominee, een behaaglijk hoekje waar hij bepeinst wat hij om zich heen ziet. Het soms opkomende verlangen naar een avontuurlijker bestaan, om in de zomer de duiventil te sieren, om 's winters boegbeeld op een arreslee te zijn, onderdrukt hij door zichzelf voor te houden dat hij zijn deel heeft gehad en dankbaar moet zijn voor wat hem werd geschonken:

Geh in dich, nimm dein Ende wahr! Willst nicht noch einmal hundert Jahr.#

Nimm dein Ende wahr - dat, zo'n memento mori, is in zekere zin de maxime van Mörikes levensbesef. Niet als sombere leefregel en ook absoluut zonder enig gemoraliseer, doch telkens herhaald als een flits van inzicht dwars door een vreugdevol ogenblik heen. Zoals in het prachtige gedicht dat de novelle 'Mozart auf der Reise nach Prag afsluit' - de novelle waarmee Mörike zich met een subliem clair-obscur bevrijdt van zijn traumatische Don Giovanni-ervaring:

Ein Tünnlein grünet wo, Wer weiss, im Walde;# Ein Rosenstrauch, wer sagt, In welchem Garten?# Sie sind erlesen schon,# Denk es, o Seele,# Auf deinem Grab zu wurzeln Und zu wachsen.#

Zwei schwarze Rösslein weiden Auf der Wiese,# Sie kehren heim zur Stadt In muntern Sprüngen.# Sie werden schrittweis gehn# Mit deiner Leiche; Vielleicht, vielleicht noch eh# An ihren Hufen# Das Eisen los wird,# Das ich blitzen sehe!

Niet dan in het gedicht heeft Mörike de tegenstellingen van het leven, tussen het gelukkige moment en de afgrond daaronder met elkaar kunnen rijmen. Dat is vanuit een bepaald, zeg maar ontwikkelingspsychologisch standpunt bekeken, een vorm van kinderlijkheid wellicht, zoals ook Mörikes angst voor de demonie van het driftleven dat was, al gaf die hem juist ook weer dat onwaarschijnlijk onverhuld erotische 'Erstes Liebeslied eines Müdchens' in de pen, waarvan de seksuele symboliek zelfs vóór-freudiaanse lezers moet zijn opgevallen: Was im Netze? Schau einmal! / Aber ich bin bange; / Greif ich einen süssen Aal? / Greif ich eine Schlange? // Liebe ist blinde / Fischerin; / Sagt dem Kinde, / Wo greifts hin? // Schon schnellt mirs in Hünden . . .

Op een lamp. Nog onverstoord, o schone lamp, tooit sierlijk gij,# ooit aan uw lichte kettingen hier opgehangen, 't plafond van dit al haast vergeten feestvertrek. In 't blanke marmer van uw schaal waarvan de rand# omvlochten is door klimopkrans van goudgroen brons slingert een kinderschare blij de rondedans. Hoe lieflijk alles lachend, en een zachte geest# van ernst toch ook gegoten om die hele vorm - een kunstvoorwerp van ware aard. Wie let er op? Wat echter schoon is, schijnt gelukkig in zichzelf.#

“Mörike neemt een handjevol aarde, kneedt dat een beetje, en kijk, daar vliegt een vogeltje weg.” Beter kan niet gezegd worden hoe Mörikes poëzie het zware, aardse omtovert tot iets lichtvoetigs zonder dat het aan ernst inboet. Dat samengaan en van elkaar doordrongen zijn van lichtheid en ernst is dan ook Mörikes uitgesproken poëticale credo, is wat het echte kunstwerk in zijn visie moet zijn:

Klassiek, in vorm en kunstopvatting, is deze kleine ode aan een lamp, en, zoals het gedicht zelf verwoordt, door de moderne tijd reeds achterhaald. Anderzijds, en daarin is Mörike zelfs voor latere Franse symbolisten een voorbode geweest, spreekt 'Auf eine Lampe' van een kunstopvatting die het kunstwerk, het gedicht ook, als autonoom, als absolute poëzie beschouwt: 'Was aber schön ist, selig scheint es in ihm selbst'. Naast veel, vaak humoristische gelegenheidspoëzie waarin men de brave Biedermann mag herkennen, is de werkelijk grote dichter Mörike te vinden in gedichten die dat 'gelukkig in zichzelf' met hun virtuoze verstechniek, hun hoge graad van muzikaliteit verwerkelijken in een even hoge graad van gevoels- en gedachtenrijkdom.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden