Tien Geboden

Edith Eva Eger, de ballerina van Auschwitz, danste voor Josef Mengele: ‘Het is de liefde die me heeft gered’

Eva Eger: “Niemand werd geboren om te haten. Ik koos voor liefde, in plaats van haat.” Beeld ANP, ROBIN VAN LONKHUIJSEN

Ze overleefde het vernietigingskamp, waar ze danste voor Josef Mengele. De 91-jarige Edith Eva Eger wil vrolijk doodgaan, dankbaar, tevreden. Vandaag in de Tien Geboden een bijzonder gesprek met ‘de ballerina van Auschwitz’.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Voor mij is God een beetje zoals Tinkelbel, het elfje uit ‘Peter Pan’: fladderend, fonkelend en happy. Een vrije geest. God was bij mij, in Auschwitz, toen ik voor dokter Mengele moest dansen en hij me als beloning een stuk brood toewierp... en ja, God was er ook toen mijn vader en moeder werden vergast. Geloof me, ik heb mijn vuist naar de hemel gebald, maar één ding is zeker: God heeft mijn ouders niet vermoord. Mensen hebben dat gedaan. En God zorgde er voor dat mijn woede omsloeg in medelijden. Niemand werd geboren om te haten. Ik koos voor liefde, in plaats van haat. Het is de liefde die me heeft gered. Het is de liefde die me in leven houdt.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Als hier ook mee wordt bedoeld dat je niet aan één ding te veel aandacht moet schenken, dan sluit ik me daar helemaal bij aan. Werken, liefhebben, spelen: probeer in alles de balans te bewaren. Word geen workaholic. Wees niet rigide. Blijf flexibel.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Hoe je dit gebod ook vertaalt: vloeken blijft toch een armoedige manier van duidelijk maken dat je ergens op tegen bent. Bij mij speelt het vooral op als ik met onwetendheid wordt geconfronteerd; als mensen gaan beweren dat de Holocaust nooit heeft plaats gevonden of als iemand roept dat immigranten de welvaart en de veiligheid van Amerika bedreigen. De white supremacy-groep groeit nog elke dag, het fascisme maakt deel uit van de nieuwe werkelijkheid. De vijand staat helemaal niet aan de grens; de vijand is onder ons. Amerika is geen democratie meer, sterker nog: ik zou het eerder een oligarchie willen noemen omdat een kleine groep rijke, witte mensen hier de dienst uitmaakt. Nee, ik ben niet bang – angst en liefde gaan niet samen – maar ik ben wel bezorgd, en als hier een bijeenkomst wordt gehouden voor mensen die in de leugens van Trump en zijn aanhang willen geloven, zal ik van deur tot deur gaan om ervoor te zorgen dat de zaal leeg blijft. Kom vanavond maar naar mij, dan maak ik een heerlijke Hongaarse maaltijd voor jullie klaar.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“O ja, word geen workaholic, dat zei ik eerder hè? Maar mijn werk is mijn roeping. Ik heb heel lang enorm mijn best gedaan om mijn bestaan op aarde te rechtvaardigen – dat is de laatste tijd wel iets minder geworden. Ik heb mezelf toestemming gegeven om te zeggen dat wat ik doe goed genoeg is, dat het oké is om gemiddeld te zijn en in contact te komen met de alledaagsheid van mijn bestaan. Ik hoef het verleden niet altijd meer als een last met me mee te dragen. Natuurlijk schiet ik nog wel eens terug in de oude modus, maar ik weet mezelf sneller op te vangen. Dit is namelijk wat wij, mensen, doen: we beklimmen de berg, glijden soms uit, krabbelen overeind en klimmen dan weer verder. Ik zit al behoorlijk hoog, da’s waar, maar ik heb ook steeds meer plezier in het klimmen gekregen.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Het eerste woord dat in me opkomt als ik aan mijn moeder denk is melancholie. Haar moeder stierf toen zij negen jaar oud was. Ze lag ’s ochtends dood naast haar in bed en werd – volgens de joodse traditie – diezelfde dag, aan het einde van de middag begraven. Mijn moeder heeft de rest van haar leven gedacht dat mijn oma misschien in coma was geraakt en dat ze dus levend werd begraven... Precies zoals mijn zus Klara, die als enige van ons gezin aan de deportatie wist te ontkomen, zich in het hoofd had gehaald om te geloven dat onze moeder was blijven leven als zíj ook mee naar Auschwitz was gegaan. Ik zie mijn moeders gezicht. Ze lacht niet. Ze lachte nooit. Ze maakte zich zorgen. ‘Je bent lelijk,’ zei ze tegen me, ‘maar gelukkig heeft God je een goed stel hersens meegegeven’. Ik nam het haar niet kwalijk, ik dacht er niet over na. Wat ze zei telde niet, wat ze deed was veel belangrijker: ze raakte me aan, ze zorgde voor me, ze heeft er alles aan gedaan om me in leven te houden. Ik was een verlegen, verdrietig meisje dat nauwelijks opviel. Ik denk wel eens dat ik werd voorbereid om in Auschwitz voor mijn zus te kunnen zorgen. Alsof ik een plan uitvoerde dat God van te voren had bedacht. Mijn moeder, die ook geen idee had wat ons te wachten stond, zei in de trein die ons naar het concentratiekamp bracht: ‘Ze kunnen je alles afpakken, behalve je gedachten’. Daardoor zou ik me uiteindelijk vrijer voelen dan de bewakers die me gevangen hielden. Mijn vader begon als kleermaker, werd later couturier. Een echte charmeur. Hoge hoed, wandelstok, tot in de puntjes verzorgd. Mijn vader zei altijd dat ik, met mijn figuur, op een dag het best geklede meisje van de stad zou zijn. Daarom koop nog steeds kleding van designers, voor hem. Kijk, dit is van Valentino. Zie je me papa? Ik draag het voor jou.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Mengele pakte me vast, zei: ‘Je ziet je moeder snel weer terug, ze gaat alleen maar even douchen’ en duwde me naar de rij van de mensen die hij nog iets langer in leven wilde houden. Diezelfde avond kwam hij naar onze barak en vroeg of er iemand was die iets kunstzinnigs voor hem kon doen. Een paar meisjes duwden me naar voren omdat ze wisten dat ik op balletles had gezeten en als veertienjarige nog voor Miklós Horthy, de regent van het koninkrijk van Hongarije, had opgetreden. Ik danste op de muziek van ‘An der schöne blaue Donau’, deed een grand battement, een pirouette en eindigde met een spagaat. Voor de moordenaar van mijn ouders. Ik heb ooit gedacht dat ik Mengele zou opsporen in Paraguay. Ik zou me voordoen als een serieus journalist en helemaal aan het einde van het gesprek zou ik hem – doodschieten? Nee, ik wil geen moordenaar zijn. Ik twijfel er zelfs aan of ik zijn verblijfplaats zou verraden. Ik geloof in rechtvaardigheid, maar ik geloof niet dat God de bedoeling had om me op nazi’s te laten jagen. Ik ben hier om onvoorwaardelijke liefde te geven, om een plek te creëren waar mensen zich veilig voelen: bij mij mag je zijn wie je bent, voelen wat je voelt, wat overigens niet betekent dat ik het eens ben met alles wat je hebt gedaan. Je moet het ‘doen’ altijd scheiden van het ‘zijn’. Therapie gaat nooit over wat er is gebeurd, maar juist over wat er niét is gebeurd. Over de jeugd die je niet hebt gehad, over het kind dat je nooit kon zijn. Dat gevoel gaan we niet analyseren, geneeskundig behandelen of veroordelen – je hoeft het alleen maar te voelen. Ga terug, vind het kind en vertel hem of haar dat de vraag, ondanks alles, nooit is ‘Waarom ik?’ maar: ‘Wat nu?’”

VII Gij zult niet echtbreken

“Voor de oorlog had ik een vriendje, Eric. Wij zouden later trouwen. Ik was heel erg verliefd. Eric was betrokken bij Betar, de zionistische Joodse jeugdvereniging, en hoewel ik helemaal niet zo militant was, gaf ik me – heel ouderwets – helemaal aan hem over en had ik er al mee ingestemd dat we in Palestina zouden gaan wonen. In het voorjaar van 1944, vlak voordat mijn ouders, mijn zus Magda en ik werden gedeporteerd, zei Eric tegen me dat hij zich altijd mijn mooie handen en mijn mooie ogen zou herinneren. Ik plantte deze gedachte, als een mantra, in mijn hoofd: als ik vandaag overleef, zal ik Eric morgen terug zien. Dan zullen we samen een gezin gaan stichten. De oorlog ging voorbij, we werden in mei ‘45 bevrijd – een Amerikaanse soldaat van het 71ste Infanteriebataljon trok me, meer dood dan levend, uit een stapel lijken – maar toen ik eindelijk thuiskwam, hoorde ik dat Eric een dag voor de bevrijding was doodgeschoten. Ik ontmoette Béla. Béla kocht salami voor me. En Zwitserse kaas. Ik was een schipbreukeling, klampte me aan hem vast. Ik had nooit gedacht dat ik nog een normaal leven zou kunnen leiden. Niet veel later trouwden we, ik raakte zwanger en liep trots over straat. Een echtgenote, een aanstaande moeder. Het was geen romantiek, maar wel een gevoel van euforie: ik telde weer mee in deze wereld. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik, door met Béla te trouwen, Eric had verraden. Het was een andere tijd, een andere gemoedstoestand. Ik ben Eric nooit vergeten, maar het is me gelukt om hem te plaatsen waar ik Auschwitz ook had opgeborgen, als een cherised wound, een gekoesterde wond, als iets wat ik nog wel voel maar niet altijd meer zo verschrikkelijk zeer doet.”

VIII Gij zult niet stelen

“Natuurlijk heb ik wel eens gestolen! Als kind, geen idee wat, maar moeten we het daar echt over hebben? Laten we liever praten over living life to fullest, met goede en minder goede kanten, met alles wat erbij hoort. En wie bepaalt of en wanneer je iets wel of niet mag doen? Naar welke wetten moet ik luisteren, wiens regels moet ik volgen? Als ik in Duitsland was geboren, zou ik van een uitspraak als ‘Vandaag Duitsland, morgen de hele wereld!’ waarschijnlijk heel erg onder de indruk zijn geweest en had ik me meteen bij de Hitlerjugend aangesloten. Daarom is goed onderwijs zo belangrijk. We moeten onze kinderen niet brainwashen, niet vertellen wát ze moeten denken maar juist hóe ze moeten denken. Denk na over hoe je nadenkt. Geef aandacht aan de dingen die je aandacht geeft.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Op een dag mocht ik niet langer meedoen op de balletschool omdat ik Joods was. ‘Maar ik ben helemaal niet Joods!’ riep ik wanhopig. Niet meer te mogen dansen was het ergste wat ik op dat moment kon bedenken. Het liegen, of eerder: het ontkennen, maakte al op jonge leeftijd deel uit van mijn leven. Het was pure angst. Angst om ontdekt te worden. Joods zijn is slecht. Ik ging naar een Joodse school. Zodra ik naar buiten liep, werd ik bespuugd en voor christusmoordenaar uitgemaakt. Het enige wat ik wilde was niet opvallen, assimileren, altijd, overal... ik gaf mijn ‘ware ik’ op om in het plaatje te passen, ik veranderde voortdurend in wie anderen wilden dat ik zou zijn tot ik eindigde in het concentratiekamp waar mijn bestaan voorgoed moest worden weggewist... Na de bevrijding had ik enorm veel last van survivor guilt. Ik emigreerde naar Amerika en probeerde op te gaan in de massa door een echte yankee doodle dandy te worden. Ik verzweeg mijn verleden, zelfs voor mijn drie kinderen. Maar weet je wat er gebeurt als je pijn probeert weg te duwen? Het wordt alleen maar erger. De omslag kwam toen ik op mijn 48ste psychologie ging studeren en bepaalde gebeurtenissen wel onder ogen móest komen, maar ik vond mezelf pas echt weer terug toen ik in 1990 Auschwitz bezocht. Het was een ontzagwekkende herontdekking, het was de schaduw waar Jung over spreekt: als je in staat bent om het donker in te gaan, zul je mogelijkheden ontdekken die je nog niet eerder hebt benut. Terug in Auschwitz. Magda, mijn moeder en ik. Mijn vader is al afgevoerd. Heb ik nog naar hem gezwaaid? Ik zie een man, die ik later zou leren kennen als Josef Mengele, voor me staan. Heldere ogen, een spleetje tussen zijn tanden. Hij wijst naar mama en vraagt: ‘Is dit je moeder of je zus?’ ‘Mijn moeder’, zeg ik en ze wordt meteen van ons gescheiden, naar de rij geduwd die klaar staat om te worden vergast. Ik had moeten zeggen dat ze mijn oudere zus was. Zou ze dan...? Met die twijfel heb ik jarenlang rondgelopen. Pas toen ik weer op diezelfde plek stond, terug was in de tijd, kon ik inzien dat ik mezelf met die gedachte had willen straffen. En dat ik haar helemaal niet had kúnnen redden. Ik ben niet schuldig. Ik ben vrij.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“God schonk ons verleiding. Weet je waarom? Omdat we daardoor leren hoe we van onze keuzevrijheid gebruik kunnen maken. Als je een kind vraagt: wat wil je? Dan zegt het: alles. Een volwassene heeft nog steeds overal zin in, maar handelt daar niet meer naar. Goede ouders leren hun kinderen hoe ze het leven aankunnen zonder hen, hoe ze hun eigen vader of moeder worden. Dependency breeds depression, afhankelijkheid maakt je depressief. Je moet durven loslaten. Om te beginnen: het verlangen naar de goedkeuring van anderen. Ik was laatst te gast bij Ophrah Winfrey en deed, op mijn 91ste, nog steeds mijn best om indruk te maken, om het hoogst mogelijke cijfer te halen. Zie je? Ook ik ben nog niet uitgeleerd. Ik leef in het heden en ik denk jong. Over de dood denk ik maar zelden na... Alhoewel: een jaar geleden was ik heel erg ziek. Ze brachten in het ziekenhuis zo’n buis aan via mijn mond, dus ook mijn handen moesten worden vastgemaakt om te voorkomen dat ik dat ding eruit zou proberen te trekken. Toen ik beter werd, schreef ik – voor het geval ik nog eens in zo’n situatie zou komen – ‘I want to die happy’ op een briefje en gaf het aan mijn dochter. Zo gaat het gebeuren: ik zal vrolijk doodgaan. Dankbaar en tevreden.”

Dit interview, gehouden in San Diego, Californië, de woonplaats van dr. Edith Eger, kwam mede tot stand dankzij de bemiddeling van Expertisecentrum Omgaan met Verlies/School voor Transitie en een financiële bijdrage van uitgeverij Bruna.

Edith Eva Eger (Kosice, voormalig Hongarije, 1927) is psychotherapeute en schrijfster van ‘De keuze – leven in vrijheid’, uitgegeven door Bruna. Eerder deze week gaf dr. Eger op uitnodiging van de School voor Transitie en het Expertisecentrum Omgaan met Verlies een masterclass. Vanavond is in Carré de voorstelling ‘De dans ontsprongen’ te zien. De voorstelling is gebaseerd op haar levensverhaal.

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden. Lees meer artikelen in het kader van vier en vijf mei in ons dossier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden