Economische grens aan de erfenis van Drees

Het was maar een klein berichtje in de krant deze week. De levensverwachting van vrouwen en mannen is opnieuw toegenomen. Een man heeft een gemiddelde levensverwachting van 75,5 jaar, een vrouw wordt gemiddeld iets meer dan tachtig. Tegelijkertijd meldde de Financial Times gisteren dat het Brits-Nederlandse staalconcern Corus een meevaller in het pensioenfonds heeft van 1,4 miljard euro, voornamelijk door de ongezonde werkomstandigheden en de daarmee verband houdende lagere levensverwachting van staalarbeiders.

Als deze twee nieuwsfeiten met elkaar in verband worden gebracht, is meteen duidelijk wat de invloed is van een statistisch gegeven als gemiddelde levensverwachting. Elke maand extra (of in sommige gevallen elke maand minder) heeft enorme financiële gevolgen.

Toen Nederlanders in de jaren vijftig van Drees begonnen te trekken was het hele stelsel van oudedagsvoorzieningen gebouwd op de vooronderstelling dat een mens gemiddeld ongeveer zeventig zou worden. De meeste werknemers begonnen bovendien ergens in de tienerjaren te werken. Vijftig jaar arbeid en vijf jaar pensioen kortom.

Het economisch draagvlak destijds was smaller, maar het is duidelijk dat we, ondanks onvergelijkbaar veel meer welvaart, aan de grenzen komen van wat economisch mogelijk is.

Deze week sprak minister Vermeend van sociale zaken het voornemen uit de sollicitatieplicht voor mensen van 57,5 jaar en ouder te willen herinvoeren. De politiek staat met andere woorden pas aan het begin van een sociaal-cultureel geweldig ingrijpende operatie. Een sollicitatieplicht is één ding, iets heel anders is het om met beleid gegroeide levenslooppatronen om te buigen.

De levensloop is bovendien veel minder eenduidig dan in de jaren vijftig. In gezinnen zijn twee mensen die betaalde arbeid verrichten. Ook dat heeft verregaande consequenties, die het gangbare systeem van sociale zekerheid (inkomensdervingsverzekeringen in de werkfase en oudedagsvoorzieningen voor daarna) onder geweldige druk zetten.

De gemiddelde Nederlandse werknemer heeft een pensioenvoorziening van zeventig procent van het laatst verdiende loon. Daarvoor spaart hij en belegt zijn pensioenfonds. Een geweldige spaarpot met inmiddels zo'n 600 miljard euro. Maar is het per se noodzakelijk om er gedurende een periode van gemiddeld minimaal tien jaar zo warmpjes bij te zitten? Zeventig procent is netto veel meer en omdat het huis meestal vrij van hypotheek is, is de koopkracht van een gepensioneerde in veel gevallen meer dan netto per maand werd verdiend in de actieve periode.

De Amsterdamse econoom Hugo Keuzenkamp is één van de eersten die een verbinding maakten tussen veranderende levenslopen, sociale zekerheid en reserves voor de oudedag. Hij pleit ervoor om het gereseveerde pensioenkapitaal in te zetten voor opbouwelementen in de sociale zekerheid. Mensen hebben tegenwoordig voor hun 65ste behoefte aan langer verlof, om te verzorgen, om kinderen op te voeden en om op te frissen.

Als op dat uitgangspunt een nieuw stelsel kan worden gebouwd, kan het mes aan meerdere kanten snijden. Als werken in meerdere kortere periodes uiteenvalt, is er al helemaal geen reden meer om de cesuur bij 65 jaar te leggen. Langer doorwerken is in een dergelijk stelsel minder abnormaal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden