ECONOMIE VAN DE KOUDE GROND

Spartelende profeten werden ze genoemd, dwaallichten en slechte rekenaars: de economen van het genoeg. Want een dubbeltje moet eerst verdiend worden, voordat het kan worden uitgegeven aan Derde Wereld of milieu. Krachtig vooruit dus, zeggen de 'nuchtere' economen, aan het einde van de tunnel daagt het licht. Maar die tunnel wordt steeds langer en het zonlicht steeds minder vriendelijk. De Australische badmode heeft zich al aangepast. Henk Tieleman is econoom en antropoloog en als hoogleraar verbonden aan de Rijksuniversiteit in Utrecht. Hij schreef het boek 'In het teken van de economie. Over de wisselwerking van economie en cultuur'.

Er zijn een paar varianten van dit verhaal, maar in grote trekken komt het telkens op hetzelde neer: zonder economische groei lukt het allemaal niet. Neem de ontwikkelingshulp: die kost niet alleen geld, maar bovendien levert een procent economische groei in de rijke landen maar liefst vier procent extra exportinkomsten voor de Derde Wereld op, dus ga maar na. Of neem de sociale zekerheid: een prachtig stelsel van herverdeling voor arbeidsongeschikten, werklozen en anderen die links of rechts uit de boot vallen, maar het moet wel betaald kunnen worden. En het milieu: dat wordt niet vanzelf schoon, daar is geld voor nodig, veel geld. Alles is te koop en voor niets gaat de zon op.

De redeneringen liggen voor de hand, en ze spreken aan omdat ze genspireerd zijn op de micro-situatie van het individuele huishoudboekje of van een bedrijf. Daarom lijkt het wel wat op het eerste gezicht, vooral als er cijfers en percentages bij staan. Dat geeft de indruk dat het goed doordacht en mooi onderbouwd is. Maar op het tweede gezicht blijkt het een economie van de koude grond.

Er zitten nogal wat paradoxen in de moderne samenlevingen. Bij voorbeeld de paradox van de arbeid: er moet van alles gedaan worden, veel mensen willen ook graag aan het werk, maar tegelijk is de werkloosheid hardnekkig. Veel werk dat moet gebeuren is intussen te duur geworden om het in betaalde banen onder te brengen. Kennelijk zijn er belemmeringen die maken dat wat zo voor de hand ligt toch niet gebeurt.

Zo is er ook de paradox van de zorg, de zorg voor ouderen, zieken en het milieu. Met een groeiend nationaal inkomen zou je verwachten dat het met die zorgsectoren wel goed zit. Iedereen wordt wel eens ziek, de meeste mensen worden oud en het milieu is een algemeen belang. Dus gaat het bij die zorgsectoren over de kwaliteit van het bestaan en de theorie leert dat die kwaliteit aan de beurt komt zodra in de eerste levensbehoeften is voorzien.

Maar het paradoxale is dat groeiende economieen voor die zorgsectoren periodieke bezuinigingsrondes te zien geven. Dat zijn geen incidenten en evenmin is het een typisch Nederlands verschijnsel. Zeventig procent van de bruggen in het rijke Manhattan van New York is door achterstallig onderhoud ondermijnd en niet of verminderd toegankelijk voor de dure particuliere auto's van de Amerikaanse financiele wereld die er kantoor houdt. Ook daar zie je dat merkwaardige mechanisme dat zowel particuliere rijkdom als publieke armoede creeert, in de al tientallen jaren oude typering van de Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith.

Maar de meest dramatische paradox is die van de armoede. Sinds de tijd dat ontwikkelingssamenwerking een begrip is - een jaar of veertig - zijn de verschillen tussen arm en rijk alleen maar gegroeid. Het inkomen per hoofd is in veel ontwikkelingslanden aan het dalen, temidden van investeringen, moderniseringen, technologieoverdracht, met elders in de wereld een groeiende rijkdom.

Dit alles overziend vraagt de gangbare economie om meer van hetzelfde en verklaart in een adem de kritische economen - die daar hun twijfels bij hebben tot profeten die buiten de werkelijkheid staan.

Dit doet vermoeden dat er iets mis is met het economisch handelen en met het economisch denken. De gangbare economie verwacht oplossingen van een standvastig voortgaan op de ingeslagen weg.

Deze denkwijze wordt door die voornoemde vermaledijde profeten wel eens getypeerd als de redeneringen van een tunnel-samenleving: hier is het donker, maar zie, aan het einde gloort het licht, we moeten even volhouden. Sterker nog, er is geen andere weg, we hebben geen keus.

Dit tunneldenken, dat zich manifesteerde - of zal ik maar gewoon zeggen: te kijk zette? - in het artikel 'De hoed en de rand van de wereldeconomie' (Letter & Geest van 26 september) moet niets hebben van een 'economie van het genoeg': economische groei in de rijke landen is juist geboden want dat levert groeikansen op voor de export van de Derde Wereld.

Dat klinkt mooi, maar wat betekent het? In dit artikel wordt het gemiddelde inkomen in de rijke landen geschat op 20 000 dollar per hoofd (800 miljoen mensen) en op 350 dollar in de Derde Wereld (3 miljard mensen). Van die 350 dollar is een per land sterk wisselend deel aan exportinkomsten toe te schrijven.

Een eenvoudige rekensom leert dat voor elke dollar extra exportinkomsten een veelvoud daarvan - al snel zo'n tien tot twintig keer - aan groei in de rijke landen gerealiseerd zal moeten worden. Dat klinkt al heel anders. En zou dat echt het beste argument zijn om de groei in het Noorden te koesteren terwille van de exportperspektieven van het Zuiden? Er moet een kortere weg mogelijk zijn voor die ene dollar.

Ook voor de rest deugt dat verhaal niet. Het is te simpel omdat het meer weglaat dan verantwoord is om realistisch over de geboden conclusie te kunnen oordelen.

Want naast dat bestedingseffect - meer groei in het Noorden geeft meer exportinkomsten voor het Zuiden - zijn andere effecten van belang. Effecten die maken dat het op zijn minst twijfelachtig is wat uiteindelijk de gevolgen van die noordelijke groei voor het arme Zuiden zullen zijn.

Zo is er het verdringingseffect: export eist grondstoffen, natuur, land, water, management en andere voorzieningen op, die daardoor niet meer ten dienste staan van de locale en nationale voorziening in de eigen levensbehoeften. Daar staan exportinkomsten tegenover, maar - zo leert de ervaring - die worden wel eens scheef verdeeld. Het verdringingseffect kan betekenen dat mensen van hun stukje eigen land (zelfvoorzieningslandbouw) worden verjaagd naar de onvruchtbare gronden. Die zijn vaak erosiegevoelig, zodat de plattelandsbevolking met grond en al van de kale hellingen afspoelt en verpauperd eindigt in de slums van de grote steden of zich aansluit bij het aanzwellende legioen van milieuvluchtelingen. Dat is geen fantasie: alleen al in Afrika loopt het aantal milieuvluchtelingen in de vele miljoenen.

Vervolgens is er het verontreinigingseffect, deels als gevolg van het feit dat de geindustrialiseerde wereld haar afvalbergen in de Derde Wereld dumpt, maar vooral door het beslag dat zij op de totale 'milieugebruiksruimte' legt. Als de hele wereldbevolking op hetzelfde welvaartsniveau zou leven en consumeren als thans de rijke landen zich permitteren, dan zou er zeven keer zoveel olie, acht keer zoveel gas en negen keer zoveel kolen verstookt moeten worden. Tegelijk weten we dat we wereldwijd de uitstoot van CO2 in de komende vijftig jaar met tachtig tot vijfentachtig procent moeten verminderen om geen rampen over de natuur en onze kleinkinderen af te roepen. Dit feit alleen is ruimschoots voldoende reden om te leren denken in termen van 'genoeg' in plaats van 'groei'.

Dit betekent geen ongenuanceerd pleidooi tegen elke economische groei en dat is ook niet wat de kritische economen bepleiten. Eigenlijk is 'economische groei' helemaal niet het thema. Waar het om gaat is los te komen van het al te eenvoudige geloof dat alle groei, technologische ontwikkeling en modernisering alleen maar tot ieders heil kan zijn. De 'economie van het genoeg' bepleit een serieuze discussie over de doeleinden van al ons economische, technische en organisatorische kunnen. Zo'n discussie zou per saldo kunnen resulteren in wat volgens standaard economische berekeningen - een nul-groei is, of zelfs een negatieve. Maar wat dan nog: die rekensommen zitten vol willekeurigheden en onregelmatigheden.

Sommige economen zijn met die gedachten al jaren zeer vertrouwd. Tinbergen stelde vast dat de rijke landen economisch de pas moeten inhouden om ruimte te laten voor de Derde Wereld. Dat is andere koek dan dat het van onze economische groei afhankelijk is of de Derde Wereld wel voldoende zal kunnen exporteren.

De econoom Pen schrijft al jaren dat de verhalen over 'selectieve groei' beter vervangen kunnen worden door een serieus denken over 'selectieve krimp'. "Die selectieve groei is een buitengewoon misleidend begrip. Het bedrijfsleven heeft er zo zijn eigen interpretatie voor en die is marktconform. Die interpretatie heeft ons de afgelopen decennia een enorme uitbreiding van de petrochemische industrie gebracht, de intensieve veehouderij en een vorm van tuinbouw waarbij het aardgas krachtig door de pijpen wordt gejaagd. Selectieve groei, dat was de expansie van het vrachtverkeer en van Nederland Distributieland. Selectieve groei, dat was ook die angstaanjagende toeneming van de 'vliegbewegingen' op de luchthavens. Het wordt hoog tijd dat we eens gaan nadenken over het omgekeerde: selectieve krimp. Want dan komen de echte problemen op tafel."

En de econoom Goudzwaard voegde daar jongstleden maandag - in een publieke discussie in de Haagse Kloosterkerk met minister De Vries van Sociale Zaken - aan toe dat een aantal mechanismen ter discussie gesteld moet worden. Bijvoorbeeld het mechanisme van continue produktiviteitsstijging die ertoe leidt dat we met steeds minder mensen hetzelfde kunnen maken. Als we hetzelfde aantal mensen aan het werk willen houden - en het liefst nog banen erbij willen creeren - dan moet de produktie omhoog, en de consumptie. Anders groeit de werkloosheid. Tenzij we in staat zijn tot de oprichting van speciale fondsen om geld uit sectoren met een hoge produktiviteitsgroei en grote winst over te hevelen naar sectoren zonder die groei en winst, zoals de verpleging, omdat daar geen mechanisering en schaalvergroting mogelijk zijn.

Het CNV heeft onlangs een voorstel in die richting gedaan: voor een aantal jaren afzien van loonsverhoging, ten behoeve van het milieu en de werkgelegenheid. Maar de reacties zijn tot dusverre nogal gereserveerd. Want het impliceert dat overheid en werkgevers tegenover de werknemers verantwoording zullen moeten afleggen van de gevolgde koers, waar dat voorheen met een jaarlijkse loonsverhoging kon worden afgekocht.

Het gaat om pogingen een denken te ontwikkelen dat haaks staat op het gangbare, het economische gesundenes Volksempfinden. Dat roept veel weerstanden op: economische, politieke, en vooral psychologische en culturele.

Voor veel economen en politici is dat allemaal te gewaagd. Zij hebben geleerd een groot aantal zaken als 'gegeven' te beschouwen: prijsmechanismen, regulerende werking van de markt, automatische verschuiving van produktievormen wanneer schaarste optreedt, de ongeneeslijkheid van de menselijke onbeperkte behoefte. Wie daaraan tornt plaatst zich buiten de economische denkkaders, geeft zich als het ware over aan ongeoorloofde fantasieen, staat niet meer met beide benen op de grond en kan verder als niet-toerekeningsvatbaar ('spartelende profeten van het genoeg') terzijde worden geschoven. Daartegenover staat dan het zoveel 'realistischer' denken dat alle problemen die zich in een alle verbeelding te boven gaande omvang aan het aftekenen zijn, opgelost zullen worden als we maar stug op de ingeslagen wegen voortgaan, op weg naar meer van hetzelfde. Aan het einde van de tunnel gloort immers het licht.

Onlangs las ik dat het Australische weerbericht op zomerse dagen een extraatje biedt: de vermelding van het aantal minuten dat zonnebaders in de blote zon mogen liggen, op straffe van huidkanker. Het gat in de ozonlaag boven de Zuidpool schijnt zich inmiddels tot boven Latijns Amerika, Nieuw-Zeeland en Australie uit te strekken. Maar de badmode past zich flexibel aan: badpakken met lange mouwen. En ook het schoonheidsideaal voegt zich moeiteloos naar de nieuwe situatie: lelieblank is is mooier dan koffiebruin.

Het klinkt als het verhaal van een sciencefiction boek dat ik lang geleden las, over een samenleving waar mensen bang waren geworden voor de zon. Maar hun voorspoedige economische groei had ze gelukkig in staat gesteld om grote koepels te bouwen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden