Echte intellectuelen, meent Edward Said, ...

Echte intellectuelen, meent Edward Said, hoogleraar Engels en vergelijkende literatuurwetenschap aan de Columbia-universiteit in New York, laten zich niet de wet voorschrijven door instellingen, bedrijven of regeringen. Ze jagen belangeloos gerechtigheid en waarheid na, verdedigen de zwakken en stellen corruptie en machtsmisbruik aan de kaak. Said houdt dezer dagen de jaarlijkse Reith Lectures voor de BBC. Deze ether-colleges vormen een traditie die teruggaat tot 1948 en waarop onder anderen Bertrand Russell, Arnold Toynbee en J. K. Galbraith hun stempel hebben gezet. Een bekorte versie van Saids eerste aflevering - over de rol van de intellectueel aan het einde van de twintigste eeuw.

Zij die deze functie wel vervullen, kunnen volgens Gramsci in twee soorten worden verdeeld: traditionele intellectuelen zoals leraren, priesters en bestuurders, die van generatie op generatie hetzelfde doen, en organieke intellectuelen, die in Gramsci's visie rechtstreeks gerelateerd zijn aan klassen of ondernemingen die hen gebruiken om belangen te behartigen en macht uit te breiden.

De hedendaagse reclame- of pr-deskundige, die technieken ontwerpt om voor een afwasmiddel of een luchtvaartmaatschappij een groter deel van de markt te veroveren, zou volgens Gramsci een organieke intellectueel zijn. In een democratische samenleving probeert zo'n expert potentiele klanten te winnen en de meningsvorming van consumenten of kiezers te regisseren. Gramsci zag deze organieke intellectuelen als actief betrokken in de maatschappij: ze beijveren zich voortdurend om mensen van mening te doen veranderen en markten uit te breiden. Anders dan leraren en priesters, wier positie min of meer statisch is omdat ze jaar in jaar uit hetzelfde werk doen, zijn organieke intellectuelen altijd in beweging, altijd op winst uit.

Diametraal tegenover Gramsci (1891-1937) staat de Franse schrijver en filosoof Julien Benda (1867-1956). Naar diens beroemde definitie zijn intellectuelen een heel kleine bent van hoogbegaafde, zedelijk hoogstaande filosofen-koningen die het geweten van de mensheid vormen. In La Trahison des Clercs noemt Benda veelvuldig Socrates en Jezus, en ook meer recente voorbeelden als Spinoza, Voltaire en Ernest Renan. Echte intellectuelen, zegt Benda, vormen een klasse van geleerden - 'al diegenen die vreugde scheppen in de beoefening van een kunst, een wetenschap of metafysische bespiegeling, kortom, in het bezit van niet-materiele voordelen, en die daarom in zekere zin kunnen zeggen: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.'

Benda's voorbeelden maken echter heel duidelijk dat hij intellectuelen niet beschouwt als volstrekt onthechte, zweverige denkers-in-ivoren-torens. Echte intellectuelen zijn pas dan volkomen zichzelf wanneer ze, voortgedreven door metafysische hartstocht en belangeloze beginselen van gerechtigheid en waarheid, corruptie aan de kaak stellen, de zwakken verdedigen, gezag trotseren dat te kort schiet of onderdrukt.

In Benda's ogen riskeren echte intellectuelen verbranding, uitstoting of kruisiging. Het zijn symbolische figuren voor wie typerend is dat ze onvermurwbaar afstand bewaren tot praktische aangelegenheden. Ze kanten zich vrijwel permanent tegen de status quo en vormen een kleine, in het oog lopende groep mannen - nimmer vrouwen, lijkt het - die uit de hoogte en met stentorstem de mensheid hun grove vervloekingen in het gezicht slingeren.

Benda laat in het midden hoe het komt dat deze mannen de waarheid kennen, en of hun verbluffende inzichten in eeuwige beginselen misschien weinig anders zijn dan prive-fantasieen a la Don Quichotte.

Maar ik althans twijfel er niet aan dat Benda's algemene beeld van een intellectueel nog steeds aantrekkelijk en dwingend is. Benda werd geestelijk gevormd door de affaire-Dreyfus en de Eerste Wereldoorlog, twee strenge toetsen voor intellectuelen. Het was voor hen van tweeen een: of moedig in verzet komen tegen een daad van antisemitisch militair onrecht en tegen nationalistische hartstocht, of schaapachtig meelopen met de kudde, weigeren het op te nemen voor de ten onrechte veroordeelde joodse officier Alfred Dreyfus, en chauvinistische leuzen scanderen om de oorlogshetze tegen alles wat Duits was, aan te wakkeren. Na de Tweede Wereldoorlog bracht Benda zijn boek opnieuw uit, onder toevoeging van een reeks aanvallen op intellectuelen die met de nazi's hadden gecollaboreerd en op hen die zich kritiekloos de communisten bewierookten. Maar achter de strijdlustige retoriek van Benda's in de grond zeer conservatieve geschrift verheft zich de figuur van de intellectueel als iemand die afgezonderd is van de rest, die machthebbers de waarheid kan zeggen - een kortaangebonden, welsprekende, ongelooflijk moedige en verbolgen enkeling die iedere wereldlijke macht, hoe groot en indrukwekkend ook, kritiseert en krachtig onder handen neemt.

Met zijn sociale analyse van de intellectueel als iemand die bepaalde functies vervult in de maatschappij, nadert Gramsci de realiteit veel dichter dan Benda. Dat geldt zeker in deze tijd, waarin tal van nieuwe beroepsgroepen - tv-persoonlijkheden, academici, computer-analisten, sport-en mediajuristen, bedrijfs- en regeringsadviseurs, beleidsdeskundigen, schrijvers van gespecialiseerde marktanalyses, en de hele moderne massa-journalistiek - het gelijk van Gramsci hebben aangetoond.

Tegenwoordig is iedereen die werkt op een gebied dat met de produktie of distributie van kennis te maken heeft, een intellectueel in de betekenis die Gramsci daaraan hecht. In de meeste geindustrisaliseerde westerse maatschappijen hebben de bedrijfstakken die zich met concrete produktie bezighouden, steeds meer terrein verloren aan de zogenaamde kennisindustrieen. Intellectuele managers, heeft de Amerikaanse socioloog Alvin Gouldner gezegd, hebben goeddeels de plaats ingenomen van de klassen die vroeger hun status ontleenden aan geld en bezit. Maar van Gouldner is ook de uitspraak dat intellectuelen, door hun overwicht, niet langer mensen zijn die zich tot een breed publiek richten; in plaats daarvan zijn ze deel geworden van wat hij een cultuur van het kritische discours noemde.

Iedere intellectueel, uitgever, schrijver, militaire strateeg en internationale jurist spreekt en handelt in een taal die gespecialiseerd is geworden, onbruikbaar voor anderen op hetzelfde gebied; gespecialiseerde deskundigen richten zich tot andere gespecialiseerde deskundigen in een omgangstaal die goeddeels onbegrijpelijk is voor wie geen specialist is. Zo ontstaat het gevaar dat de intellectuelen niets anders worden dan de zoveelste beroepsgroep.

Voor mij staat centraal dat de intellectueel een individu is, begiftigd met het vermogen om voor een publiek, en in het openbaar, een boodschap, een visie, een houding, filosofie of mening te vertegenwoordigen, te belichamen en te verwoorden. Hij kan deze rol niet vervullen zonder het besef dat hij ertoe geroepen is, pijnlijke vragen te stellen, weerstand te bieden aan orthodoxie en dogma's en zich niet gemakkelijk te laten annexeren door regeringen of bedrijven. Zijn raison d'etre is, op te komen voor al die mensen en zaken die als vanzelf vergeten of in de doofpot gestopt worden.

Isaiah Berlin heeft van 19e-eeuwse Russische schrijvers gezegd dat ze in de ogen van hun publiek, dat daarbij deels werd beinvloed door de Duitse romantiek, 'in het openbaar op een podium stonden en daar getuigenis aflegden'. De publieke rol van de intellectueel zoals ik die zie, heeft daar nog steeds iets van weg. Dat verklaart waarom we, wanneer we denken aan een intellectueel als Sartre, ons zijn persoonlijke hebbelijkheden herinneren, zijn besef dat hij zich moest inzetten voor zaken die hem ter harte gingen, de moeite die hij zich gaf en het risico dat hij nam om over kolonialisme, engagement of sociale conflicten dingen te zeggen die zijn tegenstanders woedend maakten en zijn vrienden inspireerden.

Typerend voor intellectuelen is een heel eigenaardige, zelfs agressieve levensstijl en dito sociaal optreden. En waar vinden we die rol beter voor het eerst beschreven dan in enkele ongewone laat-19eeeuwse en vroeg-20e-eeuwse romans - Toergenjevs Vaders en zonen en Joyce's Portrait of the Artist as a Young Man bijvoorbeeld - waarin de weergave van de sociale realiteit diepgaand wordt beinvloed, en zelfs in beslissende mate veranderd, door de plotselinge verschijning van een nieuwe figuur, de moderne jonge intellectueel.

Toergenjevs portret van het provinciale Rusland in de jaren zestig van de vorige eeuw is idyllisch. Er gebeurt niets bijzonders; vermogende jongemannen erven leefgewoonten van hun ouders, trouwen, krijgen kinderen, en het leven gaat min of meer z'n gangetje. Totdat een anarchistische en toch zeer intense figuur, Bazarov, dit leven opeens komt verstoren. Het eerste dat ons aan Bazarov opvalt, is dat hij de banden met zijn eigen ouders heeft doorgesneden en minder wegheeft van een zoon dan van een figuur van eigen makelij; hij zet vraagtekens bij iedere gewoonte, verzet zich tegen middelmatigheid en cliches, verdedigt nieuwe wetenschappelijke en onsentimentele waarden die een rationele en progressieve indruk maken. Toergenjev zei dat hij geweigerd had Bazarov in stroop te dopen; hij moest 'ruw, harteloos, meedogenloos dor en bars' zijn. Bazarov bespot de Kirsanovs; wanneer de vader, een man van middelbare leeftijd, Schubert speelt, lacht Barzanow hem luidkeels uit.

Bazarov verdedigt de ideeen van de Duitse materialistische natuurwetenschap; de natuur is voor hem geen tempel, maar een werkplaats. Wanneer hij verliefd raakt op Anna, voelt ze zich tot hem aangetrokken maar ook ontsteld. Samen zijn met hem, zegt ze, is alsof je wankelt aan de rand van een afgrond.

Bazarov verschijnt, daagt uit en even abrupt sterft hij, besmet door een zieke boer die hij had behandeld. Wat ons bijblijft, is de niet aflatende kracht van zijn vorsende, altijd de confrontatie zoekende intellect. Bazarovs niets ontziende intellectuele kracht - en niet alleen de verbijsterend heftige reacties van zijn lezers - stelde zelfs Toergenjev voor raadselen en blokkeerde hem tot op zekere hoogte. Uiteindelijk lukte het hem niet, Bazarov in te passen in het verhaal; terwijl voor diens vrienden, de Kirsanovs, en zelfs voor zijn zielige bejaarde ouders, het leven doorgaat, tillen zijn onverbiddelijkheid en zijn uitdagende gedrag als intellectueel hem uit boven het verhaal; hij laat zich niet temmen.

Dit geldt nog uitdrukkelijker van Joyce's jonge Stephen Dedalus, wiens vroege carriere zigzagt tussen de verlokkingen van instellingen als de kerk, het onderwijs, het Ierse nationalisme, en de eigenzinnige individualiteit van een intellectueel met het Luciferiaanse motto Non serviam, 'ik dien niet'. Seamus Deane heeft scherp gezien dat Portrait of the Artist 'de eerste roman in de Engelse taal is, die een compleet beeld schetst van een passie voor denken'.

Denken is voor de jonge Dedalus 'een manier om de wereld te ervaren'.

Deels omdat Stephen een jonge provinciaal is, het produkt van een koloniale omgeving, moet hij eerst een weerbaar intellectueel bewustzijn ontwikkelen, voordat hij een kunstenaar kan worden. Tegen het einde van de roman staat hij even kritisch en afstandelijk tegenover zijn familie en de Ierse nationalisten als tegenover welk ideologisch schema ook. Evenals Toergenjev laat Joyce duidelijk zien dat een jonge intellectueel en de gestadige voortgang van het menselijk leven zich niet laten verenigen. Wat begint als een conventioneel verhaal over een jongeman die opgroeit in een gezin, vervolgens naar school en dan naar de universiteit gaat, valt uiteen in een reeks incomplete losse aantekeningen uit Stephens notitieboekje. De intellectueel past zich nu eenmaal niet aan huiselijkheid of duffe sleur aan.

In de beroemdste toespraak van de roman verwoordt Stephen wat in feite het vrijheidscredo van de intellectueel is, al zien we achter de melodramatische overdrijving in Stephens verklaring Joyce aan het werk om de bombast van de jongeman door te prikken: 'Ik zal je zeggen wat ik wel en niet zal doen. Ik zal me niet dienstbaar maken aan iets waarin ik niet langer geloof, of het zich nu mijn thuis noemt, mijn vaderland of mijn kerk; en ik zal mezelf zo vrij en zo volledig mogelijk trachten te ontplooien in een levens- of kunstvorm, waarbij ik ter verdediging de enige wapenen zal gebruiken die ik mezelf toesta te gebruiken - stilte, ballingschap, sluwheid'.

Wat in Stephens credo het meest opvalt, is dat het zijn intellectuele vrijheid proclameert. Dit is een kwestie van doorslaggevend belang voor het optreden van een intellectueel, want een zuurpruim en een verstokte spelbreker te zijn is als levensdoel beneden de maat. Nee, een intellectueel streeft ernaar, de menselijke vrijheid en kennis te bevorderen.

Bazarov en Dedalus zijn uitersten, maar voor ons doel zijn ze uitstekend geschikt: ze laten intellectuelen in actie zien, die, te midden van talloze moeilijkheden en verleidingen, hun roeping beleven, niet als een vastgelegde taak waarvan je de uitvoering eens en voor altijd uit een handboek kunt leren, maar als een concrete ervaring die voortdurend door het moderne leven zelf wordt bedreigd. Wat een intellectueel te zeggen heeft, de manier waarop hij een zaak of een idee voor de samenleving verwoordt, is niet in de eerste plaats bedoeld om zijn ego of status te versterken. Het is ook niet voornamelijk bedoeld als dienstverlening aan machtige bureaucratieen of genereuze werkgevers. Intellectuele activiteiten vinden hun waarde in zichzelf. Wat ervoor nodig is, is een geestelijke houding die sceptisch is, geengageerd, onverbiddelijk toegewijd aan rationeel onderzoek en morele beoordeling.

Maar waar staat de intellectueel in onze tijd voor? Een van de beste en eerlijkste antwoorden op deze vraag is gegeven door de Amerikaanse socioloog C Wright Mills, een extreem onafhankelijke intellectueel met een bezielde sociale visie en een opmerkelijk vermogen om zijn ideeen uit te dragen in ongekunsteld, dwingend proza. Hij schreef in 1944 dat onafhankelijke intellectuelen zich gesteld zagen voor de keus tussen een deprimerend gevoel van machteloosheid over hun marginale positie, en toetreding tot instellingen, bedrijven of regeringen, waar ze lid konden worden van een betrekkelijk kleine groep insiders die op eigen houtje onverantwoorde belangrijke beslissingen nemen. Een 'huurling' worden van een informatieindustrie is evenmin een oplossing, want dat maakt het de intellectueel onmogelijk, dezelfde relatie met zijn publiek te onderhouden als de verlichte rationalist Tom Paine in de achttiende eeuw. 'Het middel van doeltreffende communicatie' waarop intellectuelen aangewezen zijn, wordt zo geconfisceerd en de onafhankelijke denker rest nog een belangrijke taak.

Mills formuleerde het zo, in Power, Politics en People:

“De onafhankelijke kunstenaar en intellectueel behoren tot de weinige figuren die nog toegerust zijn voor de strijd tegen het in stereotypen denken en spreken over werkelijk levende dingen, die deze behandeling niet overleven. Onbevangen waarneming vergt nu het vermogen om de stereotype beelden en ideeen waaronder de moderne communicatiemiddelen ons bedelven, voortdurend te ontmaskeren en stuk te slaan. Deze werelden van massa-kunst en massa-denken worden in toenemende mate afgestemd op de eisen van de politiek.

Daarom moeten de solidariteit en de inspanningen van intellectuelen zich op de politiek concentreren. Een denker die geen oog heeft voor de betekenis van waarheid in de politiek en zich daardoor niet laat leiden, kan niet op een verantwoorde wijze omgaan met het geheel van de levende ervaring.''

Deze passage verdient nadruk. Politiek is alomtegenwoordig; je kunt er niet aan ontsnappen door te vluchten in zuivere kunst of denken, en evenmin trouwens in het rijk van de belangeloze objectiviteit of de transcendentale theorie. Intellectuelen zijn mensen van hun tijd. Ook zij worden in een kudde voortgedreven door de beelden die de informatie- en de media-industrie voor massaal gebruik produceren; ze kunnen zich er alleen tegen verzetten door twijfel te zaaien aan de beelden, de officiele verhalen en de excuses van machthebbers, in omloop gebracht door de steeds machtiger wordende media.

Niet alleen door de media trouwens, maar via hele trends in het denken die de status quo handhaven en de blik op de realiteit beperken tot wat algemeen aanvaard en goedgekeurd is. Wat intellectuelen hier te bieden hebben, is wat Mills noemt: ontmaskeringen of alternatieve interpretaties waarin ze, naar beste vermogen, de waarheid vertellen. Dat is een verre van gemakkelijke taak: de positie van de intellectueel is er altijd een tussen eenzaamheid en aansluiting bij een groep.

Mills' kernpunt betreft de tegenstelling tussen de massa en de intellectueel.

Er is een inherente discrepantie tussen de macht van grote organisaties, van regeringen tot bedrijven, en de betrekkelijke zwakte, niet alleen van enkelingen, maar van mensen aan wie een ondergeschikte status wordt toegekend, van minderheden, kleine volken en staten, lagere of minder belangrijke culturen en naties.

Het lijdt voor mij geen twijfel dat de intellectueel partij moet kiezen voor wie zwak zijn en geen stem hebben. Hij moet dus een Robin Hood zijn, zullen sommigen waarschijnlijk opmerken. Maar zo eenvoudig is zijn rol niet; die kan daarom niet vlotweg worden afgedaan als romantisch-idealistisch. In de grond is een intellectueel, in de zin waarin ik het woord gebruik, noch een vredestichter noch een bevorderaar van harmonie; het is iemand wiens wezen staat of valt met kritische zin, met het besef dat hij geen gemakkelijke formules mag aanvaarden, of kant-en-klare cliches, of de gladde, ozo-meegaande bevestigingen van wat de machtigen of de traditiegetrouwen zeggen en doen. En hij moet die niet alleen passief afwijzen, maar ook actief bereid zijn om dat te zeggen, in het openbaar.

Trouw / BBC

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden