Echte heksen bestaan niet meer

De kinderboekenweek van dit jaar heeft als thema meegekregen 'Heksenketel' en concentreert zich op griezelverhalen, legenden en mysteries. Daarom een uiteenzetting over de meest fascinerende en menselijke vertegenwoordigers van het rijk der duisternis: de heks.

Heksen zijn de meest vooraanstaande vertegenwoordigsters van het kwaad waarmee je als kind, als de wereld verder nog redelijk onbezorgd lijkt, wordt geconfronteerd. In het sprookje bij uitstek, 'Hans en Grietje', dat zowel verlatingsangst als snoepzucht in beeld brengt, is de heks het ultieme symbool van boosaardigheid: een oud wijf dat je op wil eten. Het akelige aan heksen is dat het mensen zijn, geen vuurspuwende monsters of zoals vampiers en weerwolven hybridische wezens uit de bovennatuurlijke sector, maar wezens van vlees en bloed. Je weet eigenlijk nooit helemaal zeker of iemand geen heks is.

De heks, oorspronkelijk een oude vrouw met magische en helende krachten, komt in alle culturen voor maar vooral in de katholieke en protestantse landen heeft ze een lelijk strafblad. Noch de Grieks-orthodoxe wereld, noch de Islam, noch het hindoeïsme kennen de heks als de belichaming op aarde van alle kwaad. En wie mocht menen dat angst voor heksen karakteristiek is voor het primitieve, middeleeuwse denken, zit er al helemaal naast. Karel de Grote stelde zelfs de doodstraf in voor iedereen die in heksen geloofde en ze verbrandde. De ergste heksenjachten die de wereld heeft gekend speelden zich juist af in de tijd dat geleerden als Copernicus, Kepler en Newton de wereld allengs tot verlichting brachten. Pas in de achttiende eeuw verloor de heks haar rol in het dagelijks leven om tijdens de romantiek tot de sprookjesfiguur bij uitstek te worden. Van schrik voor volwassenen tot plaaggeest voor kinderen.

Hoe zien heksen eruit? Tijdens de heksenvervolgingen waren vooral arme, oude, eenzame vrouwen het mikpunt. Afgetobde, lelijke wezens die de maatschappij links liet liggen. Later, toen de oude vrouwen als het ware op waren, begonnen de inquisiteurs ook aan jonge, knappe exemplaren. Kurt Baschwitz citeert in zijn boek 'Heksen en heksenprocessen' een zestiende-eeuwse vervolger die zijn opdrachtgevers meldt: 'daar we nu de oude nagenoeg uit de weg hebben laten ruimen, begint het thans met de jonge...'. Maar het klassieke beeld van de toverkol is bepaald door de oude, magere vrouw. Dat heksen over het algemeen als magere wezens worden afgebeeld mag trouwens merkwaardig geheten, gezien hun roep als kindereters. In Afrika hebben ze dat beter begrepen, daar worden heksen meestal als weldoorvoed afgebeeld. Een hedendaags Westeuropees equivalent daarvan vinden we bij de Disney-heks Ursula uit de film 'De kleine zeemeermin', een matrone-achtige verschijning.

Geleerden zijn het erover eens dat de volwassen angst voor heksen in de zestiende en zeventiende eeuw waarschijnlijk ontstaan is uit de angst van de christelijke kerk voor de aantrekkingskracht van allerlei ketterse sekten; met name de vervolging van de Albigenzen, die beweerden dat de wereld door Satan was gestructureerd, zou later in de ons bekende heksenjachten zijn ontaard. Maar evenzeer is de heksenwaan een uiting van meedogenloze vrouwenhaat (niet voor niets worden in sommige feministische kringen heksen als voorloopsters gezien). Eva stond aan het begin van een duivels wereldcomplot.

Het boek waarin de vermeende heksencultuur voor het eerst in detail werd beschreven, de 'Heksenhamer' uit 1486, geeft aan welke vrouwen allemaal verdacht werden; vrome nonnen want juist die wilde de duivel verleiden, maar natuurlijk ook levenslustige meisjes en treurige, in de steek gelaten maagden niet minder. Vrouwen die niet naar de kerk gaan zijn verdacht, maar vrouwen die wél gaan nog meer want die hebben alle reden om de schijn om te houden. Vooral vroedvrouwen stonden op de zwarte lijst want die zouden kinderen in de naam van Satan dopen. Wie de 'Heksenhamer' leest moet concluderen dat er voor vrouwen eigenlijk geen ontkomen aan was.

Echte heksenjachten kennen wij niet meer. In onze tijd is de heks geëmancipeerd of misschien kun je beter zeggen vervlakt tot een sprookjesmacht, een personage in films en kinderboeken. De 'aftakeling' van het begrip 'heks' gaat nog steeds door. Tegenwoordig kennen we zelfs goede heksen, wat natuurlijk niet kan. Een goede heks is een fee en een boze fee is een heks. Maar de heksencultuur is dubbelzinnig geworden.

De historische kijk op heksen werkte nog met vaste cliché's. De heks uit 'Hans en Grietje' is een lelijk oud vrouwtje, gebrekkig ook want ze kan niet goed zien. Hoezeer dit beeld doorgewerkt heeft blijkt wel uit het verhaal van 'Sneeuwwitje', met name in de fameuze versie van Disney. De heks is daar in het dagelijks leven een knappe koningin, iemand die als het ware uiterlijk geen enkele verdenking oproept, maar als ze het arme meisje de appel komt aanbieden (onmiskenbaar een verwijzing naar de geschiedenis van Eva) vermomt ze zich als een luguber besje. Zou het niet slimmer zijn geweest zich voor te doen als een blozende en gezonde koopmansvrouw, denk je. Je ziet Sneeuwwitje dan ook schrikken bij dit canonnieke beeld van de boze tovenares. Maar sprookjes zijn van al te rationele overwegingen ontbloot, ze neemt de appel toch aan. Ook onze eigen Eucalypta, uit de verhalen van Jean Dulieu, is een lelijk, smerig oud vrouwtje met een krassende stem.

In het Bommel-verhaal 'De trullenhoedster' van Marten Toonder wordt met het traditionele heksen-imago gespeeld. De herderin, een zekere juffrouw Ivy, is een knap meisje, 'jong van jaren en schoon van leest', zoals de markies De Cantecler het uitdrukt. Maar het vervelende betwetertje Tom Poes wil niets van haar weten als ze hem koekjes, limonade en zuurtjes aanbiedt. Tegen de onschuldige juffrouw Doddel uit hij zijn vermoedens: 'de mooie dame is een vieze heks.' 'Een heks?' herhaalde ze, 'dat kan jij niet beoordelen, Tom Poes! Daar ben jij nog te jong voor.'

We zien hier als het ware een generatiekloof afgebeeld. De jeugd weet inmiddels dat je niet langer op het uiterlijk kunt afgaan, de ouderdom hecht nog aan de overgeleverde iconologie. Niet de makkelijk te ontmaskeren gedrochtjes van Disney en Dulieu maken het het mensdom heden ten dage lastig maar een lastiger te determineren verschijning. Wat dat aangaat volgt het beeld van de heks met enige vertraging dat van Satan, die van een eenvoudig te herkennen booswicht met bokkepoot zich in de romantiek opeens als bloedmooie, verleidelijke jongeman komt voordoen.

Roald Dahl heeft in zijn boek 'The Witches' de moderne heks beschreven: 'Echte heksen hebben gewone kleren aan en zien er net zo uit als gewone vrouwen. Ze wonen in gewone huizen en hebben gewone banen.' Maar onder deze uiterlijke vertoning gaat wel degelijk een klassiek beeld schuil. Zetten ze hun pruiken af (die trouwens geweldig blijken te jeuken) dan hebben ze kale koppen vol korsten, onder hun dameshandschoenen gaan klauwen schuil, ze hebben geen tenen en als ze spugen komt er blauw vocht vrij.

Het aardige van de naar Dahls moderne klassieker gemaakte film van Nicholas Roeg is, dat de beeldschone opperheks zodra ze met haar geestverwanten onder elkaar is haar fraaie gezicht aflegt waarna er een ernstig misvormd, misselijk makend gruwelgelaat vrijkomt, dat menselijkerwijs gesproken nooit onder de voormalige knappe hooghartige trekken van de vrouw kan schuilgaan. In het boek komt deze onwaarschijnlijkheid niet aan bod, daar legt de opperheks gewoon haar masker af. Maar wie de filmversie ziet realiseert zich dat in de werkelijkheid het omgekeerde gebeurt; de knappe vrouw, Anjelica Huston, krijgt een schrikwekkend masker voorgegespt: 'het was zo gerimpeld en verkreukeld, vervallen en verschrompeld, dat het eruitzag alsof het in azijn was ingelegd. het was een angstwekkend en afschuwelijk gezicht. Er was iets heel erg mis mee, het had iets smerigs en stinkends en walgelijks. Het leek letterlijk te rotten aan de zijkant en ik zag hoe middenin het gezicht de huid bij haar mond en wangen helemaal was verteerd en weggevreten alsof er ratten aan hadden geknaagd.' Zo husselt Dahl het nieuwe en het oude heksenbeeld door elkaar.

In de B-film 'Black Magic Woman', voor volwassenen en onlangs nog op televisie te zien, beantwoordt de heksengeschiedenis aan de wetten van de klassieke thriller. Alleen al op grond van de titel ben je geneigd de mooie zwartharige vrouw, met wie de hoofdpersoon een kortstondige verhouding heeft, als de heks te zien. Alles wijst er ook op, ze omringt zich met voodoo-achtige beeldjes, nadat de man het heeft uitgemaakt vinden er allemaal nare en vieze dingen in zijn leven plaats. Gelukkig wordt ze aan het eind onschadelijk gemaakt door de vriendin van de hoofdpersoon, maar pas op het eind merk je dat je hebt laten foppen door het voordehand liggende beeld: niet de zwarte vrouw is de heks, maar de lieve, behulpzame vriendin.

Het aardige, of tenminste menselijke, aan de traditionele heksen is dat ze geen almachtige tovenaars zijn, dat recht is aan mannen voorbehouden. Ook in de periode van de heksenjachten vermoedde men dat al. Ondanks de meest onwaarschijnlijke verklaringen die de 'heksen' onder gruwelijke folteringen aflegden, vroeg men zich af of ze bijvoorbeeld onweer konden veroorzaken. Nee, zeiden de verstandigeren, want als ze dat konden zouden vorsten hun leger wel opheffen en gewoon een paar heksen aan de grens zetten om de vijand tegen te houden.

In alle kinderverhalen delven heksen ten slotte het onderspit. Die van Hans en Grietje eindigt in de oven (een verwijzing naar de oude brandstapels?), de heks Malefide uit Disney's Doornroosje-film wordt eigenlijk vrij eenvoudig door de prins met het zwaard der rechtvaardigheid doodgeprikt, de opperheks van Roald Dahl eindigt als een afzichtelijk muisje. Het gebruikelijke einde van een sprookjesheks herinnert vrij sterk aan het lot van de arme vrouwen tijdens de heksenvervolgingen, ze gaat onverbiddelijk ten onder. Wat dat betreft weerspiegelen kinderverhalen de geschiedenis: het vermeende kwaad wordt uitgeroeid.

Toch bestaan er grote verschillen tussen de vermeende 'echte' heksen uit de zestiende en zeventiende eeuw en de heksen uit volksverhalen, boeken en films. De heks zoals de inquisiteurs die ontdekten werd geacht ziekelijk, epileptisch en bezeten te zijn, een slachtoffer van Satan. Tovenaars behoorden tot een andere categorie, die bedreven hun euveldaden uit vrije wil en na langdurige studie. Maar de heksen uit 'Hans en Grietje', 'Sneeuwwitje' en 'The Witches' zijn geen ziekelijk bezeten vrouwen maar boze tovenaressen, die hun kwade werken bij hun volle verstand verrichten. Er heeft dus een versmelting plaatsgevonden tussen het oude heksenbeeld en de kijk op tovenaars.

Tovenaars waren trouwens niet per definitie slecht en deze mogelijkheid wordt inmiddels ook voor de heksenstand opengelaten. Zo is in moderne kinderverhalen de goede heks ontstaan. Een voorbeeld daarvan komt voor in het boek 'De inwijding' van Margret Mahy, waarin grootmoeder, moeder en zoon het meisje Laura helpen een goede heks te worden die de demon in haar broertje kan bestrijden. Ook in de heks Platvoetje uit het gelijknamige kinderverhaal steekt geen enkel kwaad: ze tovert wat aardigheidjes voor haar mensenvriendinnetje en leert haar vliegen.

Het verschijnsel van de goede heks drukt de ontbinding van het oorspronkelijke fenomeen uit. Wat dat betreft is de missie van onze cultuur geslaagd: echte heksen bestaan niet meer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden