Echt mysterie of whodunnit

Goden en mensen, innig verstrengeld in 'De straf van Amor' (1706-1707) van Sebastiano Ricci. (Trouw)

Zijn wij wel de baas over onszelf? Of zijn we de speelbal van hogere machten? In ’De onsterfelijken’ werkt de Ier Banville die laatste gedachte schitterend uit. Maar hoe is te verklaren dat deze subtiele romancier ook heel gewone thrillers schrijft?

Veel Ieren geloven, zoals bekend, oprecht in het bestaan van kabouters, elfen en geesten. Ook de Ierse literatuur draait niet om het bijgeloof heen. De Pooka, een van de meest gevreesde Ierse spoken, speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol in Flann O’Briens fameuze roman ’Tegengif’, en in James Joyce’s ’Ulysses’ is een van de indrukwekkendste scènes die tussen Stephen Dedalus en de geest van zijn moeder.

Ik moest sterk aan deze hebbelijkheid denken bij het lezen van ’De onsterfelijken’ van de Ierse schrijver John Banville (1945), veelvuldig beprijsd (met onder andere de Man Booker Prize 2005 voor zijn laatste roman ’De zee’) en geprezen om zijn prachtige, koele taalgebruik en de ingenieuze opzet van zijn verhalen. Banville is een klassiek en verlicht schrijver die allicht zelf niet aan alledaags bijgeloof doet maar niet schroomt het verschijnsel in zijn romans op te nemen.

’De onsterfelijken’ is gebaseerd op Heinrich von Kleists toneelstuk ’Amphitryon’ (Banville maakte al eerder een bewerking van dat werk) en gaat over de Ierse familie Godley, bijeen rond het sterfbed van patriarch Adam, een beroemd wis- en natuurkundige die getroffen is door een dodelijke beroerte. Niet alleen krijgen we de klare en heldere gedachten van deze comateuze hoofdpersoon te lezen, er waren ook bovenzinnelijke geesten rond, nota bene de Griekse goden Hermes en zijn vader Zeus, die zich met het gezin bemoeien en er ongezien dwars doorheen lopen.

Zo nu en dan gaan mensen- en godengedachten automatisch in elkaar over, ten teken dat de mens geen autonoom wezen is maar geregeerd wordt door hogere machten die hem manipuleren. Als lezer denk je dan bijvoorbeeld in de gedachtenwereld te zitten van Adam Godley, tot je in de gaten krijgt dat het Hermes is die dit alles denkt, een bijzonder ontregelend en hallucinerend procedé.

Het verhaal van de Godleys met hun veelzeggende achternaam, is er op het eerste gezicht een van dertien in een dozijn; beetje bij beetje raakt de lezer ingelicht over de wederwaardigheden van de gezinsleden en hun aanhang: de brave, ongelukkig met de beeldschone Helen gehuwde Adam jr., moeder Ursula, jong getrouwd en nu aan de drank, de eigenaardige, kwetsbare dochter Petra, dienstmaagd Ivy Blount van misschien oude adellijke afkomst – enfin, wat je zoal aantreft in familieromans.

Maar de kern van Banville’s verhaal is de oerbron van de menselijke geest en de vraag waarom mensen zo handelen en denken als ze doen. Steeds opnieuw kieren in de gedachten, overwegingen en handelingen van al deze personages een soort oerervaringen, nauwelijks vatbare beelden en flitsen, die het leven ongemerkt lijken te dirigeren. Zoals hier wanneer zoon Adam jr. naar boven gaat om zijn stervende vader te bezoeken:

„Het was niet alleen de aanwezigheid van zijn vader boven die ervoor zorgde dat deze onverlichte, nauwe trap hem als kind zo’n verontrustend uitzicht bood. Iets uit het verleden leek hier, waar de duisternis donkerder was dan in de rest van het huis, op de loer te liggen, iets onzichtbaars en toch iets klam tastbaars, waarvan hij zelfs nu, in het helderste daglicht, een kwijnend, muf spoortje meende te ontwaren. Hij herinnert zich zijn droom weer, het geschreeuw van een veldslag, de flitsende bronzen helmen, het met bloed bedekte. En wat droeg hij toch in zijn armen, wat? Een gewonde kameraad, een lijk misschien? Hij sluit zijn ogen, opent ze weer.”

Tegenover deze duistere menselijke impulsen vol archetypische beelden uit onze gezamenlijke oertijd, heeft Banville een vrolijke, manipulatieve godenwereld geplaatst, van Hermes die bij de Godley’s aan de touwtjes trekt en Zeus die, verliefd op dochter Helen, probeert haar in een of andere vermomming in bed te krijgen. Dat is dus de gedachte in deze klassieke roman: wij stervelingen worden zonder het te weten gemanipuleerd door de onsterfelijken, bespeuren soms iets van onze hersenschimmen maar nooit precies en tastbaar, en leven voort in een ietwat beangstigend halfduister.

Deze voorstelling van zaken geeft John Banville de gelegenheid met heel zijn virtuoze schrijverschap uit te pakken, enerzijds een donkere, begoochelende geschiedenis vol geheimenissen neer te zetten, anderzijds die te doorsnijden met een luchtig universum van manipulatoren. Bijvoorbeeld Pan die in de gedaante van Benny Hunt, een onverwachte oude vriend van de stervende, aan het eind de boel op stelten komt zetten.

Misschien is het voor een schrijver als John Banville, die aldus diepgang met fijnzinnige brille weet te combineren, niet eens zo onverwacht dat hij zich ook aan het genre van de misdaadroman wijdt. Banville staat erom bekend dat hij niet veel om zijn eigen werk geeft. Misschien dat dit eigenaardige trekje hem ook in staat stelt een genre te beoefenen dat hij zelf niet al te hoog heeft zitten. Onder zijn pseudoniem Benjamin Black schreef hij enkele misdaadromans waarvan de laatste, ’De zwaan van Dublin’, tegelijk met de vertaling van ’De onsterfelijken’ verscheen, beide van schrijver Arie Storm.

Er zijn wel meer ’serieuze’ schrijvers die zich bij wijze van uitstapje aan het misdaadgenre wagen, maar altijd proef je dat hun literaire geweten toch zwaarder weegt dan hun vlotte thrillerpen, en als ze, zoals in het geval van Paul Auster, beide genres weten te combineren, zijn het vooral de briljante, literaire kanten van het verhaal die de schoonheid ervan uitmaken, niet zozeer de spanning of de plot.

John Banville schrijft evenwel behalve klassieke literaire romans ook heuse misdaadromans, haast pretentieloos. Een beetje zoals, ben je na ’De onsterfelijken’ geneigd te denken, de ambitieuze ernstige mens gecontrapunteerd wordt door de gewetenloze spelers van de Olympus.

In ’De zwaan van Dublin’ is het jaren vijftig. Deirdre Hunt is dood uit het water gevist en haar man Billy komt aan zijn oude vriend Quirke, die het lijk moet onderzoeken, vragen of hij alsjeblieft geen autopsie op haar wil uitvoeren want die gedachte kan hij niet verdragen. Quirke stemt in, doet het toch en ontdekt een minuscuul prikje bij de arm, injectie, vrouw blijkt helemaal niet verdronken, et cetera et cetera. Verschijnen verder een Indiase kwakzalver die onder het mom van spirituele praktijken seksfoto’s van zijn patiënten neemt, een onweerstaanbare oplichter die alle vrouwelijke hoofdpersonen begoochelt, een ouwe speurneus die achter de feiten aanloopt. Plus wat suggestieve seks, haast geschreven om ons de goeie ouwe zwart-wit jaren vijftig in herinnering te brengen: „’O’, schreeuwde ze, en ze rolde haar hoofd op het kussen eerst naar de ene en dan naar de andere kant terwijl ze in haar onderlip beet. Quirke doemde boven haar op in het licht van de sterren, nauwelijks bewegend. ’O, god.’”

Banville heeft zich kortom niet uitgesloofd om het verhaal naar een hoger, literair niveau te tillen. Integendeel, het lijkt wel of hij geniet van de voorspelbaarheid van het genre. Geniet ook van het neerpennen van bijvoorbeeld zo’n karakteristieke thrilleropeningszin: „Quirke herkende de naam niet. Hij kwam hem bekend voor, maar hij kon er geen gezicht aan koppelen.”

Natuurlijk lees je ’De zwaan van Dublin’ met in je achterhoofd de literaire schrijver John Banville, maar die doet er werkelijk alles aan om je hem te laten vergeten. ’De zwaan van Dublin’ is een aangename thriller, meer niet, met de nodige suspense en dwaalsporen, waarin ten slotte je allereerste intuïtie toch de juiste blijkt te zijn.

En zo doen de manipulaties van de thrillerschrijver denken aan de machinaties van de superieure onsterfelijken in de literaire roman, een ernstig boek met daarboven een schaterende schrijver die alweer denkt aan zijn volgende project. In veel opzichten herinnert Banville aan Vladimir Nabokov, ook zo’n schrijver die diepzinnigheid en virtuositeit wist te combineren, en wiens speelse geest je altijd boven zijn boeken voelde zweven.

Het schijnt dat Banville honderd woorden per dag aan zijn literaire romans schrijft, tegen duizend aan zijn misdaadromans. Dat zegt wel iets over het verschil van inzet bij de diverse genres. Het ene kunstwerk, het ander maakwerk. Anderzijds neemt Banvilles in zijn thrillers ook fijn vrijaf van zijn literaire romans, met ontknopingen die de ware mysteries van het bestaan niet toestaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden