Echt leven leer je met je buren

Vriendschappen op Facebook of Hyves zijn helemaal geen slappe aftreksels van zogenaamd ’echte’ vriendschappen, betoogt filosoof Pieter Hoexum. „Vriendschap was altijd al virtueel.” Aan de hand van Montaigne betoogt hij dat het algemeen gewaardeerde gescherm met ’vrienden’ de confrontaties in het alledaagse leven uit de weg gaat.

Vriendschap is een groot goed. Maar bepaald niet zaligmakend. Vriendschap heeft zo zijn schaduwzijden, goed beschouwd staat het op gespannen voet met naastenliefde. Misschien is ’naastenliefde’ nog een te hoogdravende term en is het beter te spreken van ’nabuurschap’, omdat dat concreter is en ons met de voeten op de aarde houdt. Nabuurschap vormt het ideale tegengewicht van vriendschap. We kunnen niet zonder vrienden, maar ook niet zonder buren.

Op 18 augustus 1563 werd de wereld voor Michel de Montaigne een onbewoond eiland. Die dag stierf namelijk Etienne de La Boétie, zijn beste vriend. Zo eenzaam als Montaigne toen werd was hij nog niet geweest: vóór hun ontmoeting kon hij hopen op een vriend, nu kon hij alleen nog maar treuren om het verlies – en wanhopen. La Boétie was voor Montaigne niet zomaar een vriend geweest, hij was zijn ’andere helft’, zijn soulmate.

Na La Boétie’s dood trok Montaigne zich steeds meer terug uit de wereld en verschanste zich in een van de torenkamers van zijn kasteel. Daar stalde hij de boeken uit die hij uit La Boétie’s erfenis had gekregen. Bij gebrek aan een gesprekspartner ging hij schrijven en noemt die schrijfsels essays, ’probeersels’. Daarin bespreekt Montaigne, meestal voor de vuist weg, allerhande onderwerpen. Hij bekijkt het allemaal van een afstandje, bij maanlicht. Alles kan hij ironiseren. Het allerergste is hem overkomen, wat kan hem nog gebeuren, wat kan het hem allemaal nog schelen?

Heel soms laat hij zich meeslepen door zijn onderwerp. Als hij een beschouwing over vriendschap schrijft, kan hij zich niet meer beheersen: „Bij de vriendschap waar ik het over heb, smelten de geesten samen en vermengen zich tot zo’n volledige eenheid dat zij naadloos in elkaar opgaan. Als ik zou moeten zeggen waarom ik van hem hield, weet ik daar geen antwoord op dan slechts dit: ’Omdat hij het was, omdat ik het was’.”

Vrijwel nergens in zijn essays vind je hetzelfde vuur. Het is dan ook een prachtige formulering: Omdat hij het was, omdat ik het was. Het is onlangs nog gebruikt door Tommy Wieringa, als titel van een door hem samengestelde bundel met verhalen over vriendschap. En Montaigne-vertaler Frank de Graaff noemde desgevraagd in Trouw (18 januari 2010) deze uitspraak zelfs ’de belangrijkste gedachte van Michel de Montaigne voor onze tijd’.

Misschien doelde De Graaff met dat ’voor onze tijd’ op het verschijnsel van de zogenaamde ’internetvriendschap’: een thema dat zelfs onderdeel was van de kerstboodschap van koningin Beatrix in 2009. Daarin wees zij op de gevaren van ’virtuele vriendschap’: „Zonder enig wij-gevoel wordt ons bestaan leeg”, vond ze. „Met virtuele ontmoetingen is die leegte niet te vullen. Integendeel, afstanden worden juist vergroot.”

Het lijkt er inderdaad op dat de opkomst van Facebook, Hyves en andere moderne communicatietechnologische ontwikkelingen, het begrip vriendschap is uitgehold. Wat op Facebook een vriend heet, lijkt een slap aftreksel, een zwakke schaduw van wat een vriend ooit was.

Dit nu is een vergissing.

Facebook laat niet een verwaterde versie van vriendschap zien, maar legt juist de kern ervan bloot: vriendschap was altijd al virtueel, in die zin dat bij vriendschap (fysieke) nabijheid eigenlijk geen rol speelt. Vriendschap is geestverwantschap. Montaigne vertelt in ander essay (’Over ijdelheid’) dat hij, toen La Boétie nog leefde, er nooit enig probleem mee had langere tijd van hem gescheiden te zijn. Hij was dan ’niet echt afwezig, zolang je elkaar kunt laten weten hoe het gaat’.

Montaigne heeft er naar eigen zeggen zelfs voordeel van gehad gescheiden te zijn van zijn vriend, omdat hij dan meer deel nam aan het leven: „hij leefde, genoot en keek voor mij, en ik voor hem, even volledig als wanneer hij erbij was geweest.” Kortom: „Door het ruimtelijk van elkaar gescheiden zijn werd onze innerlijke verbondenheid rijker.”

Met zijn filosofische lofzang op vriendschap,legt Montaigne ongewild en onbedoeld tevens een zwakke, ja zelfs kwalijke plek van vriendschap bloot; en ook de koningin legde, waarschijnlijk net zo ongewild en onbedoeld, de vinger op deze zere plek. Dat fysieke nabijheid namelijk geen rol speelt bij vriendschap, is net zozeer haar sterke als haar zwakke punt. De bezwaren van koningin Beatrix tegen virtuele vriendschap gaan op voor vriendschap in het algemeen. Wie zich teveel richt op vrienden, of ze nu virtueel zijn of echt, die loopt het gevaar degenen die hem letterlijk en fysiek nabij zijn, zijn naasten, te veronachtzamen. Vriendschap staat op gespannen voet met naastenliefde.

Hoe hartverscheurend mooi Montaigne in zijn essay ’Over vriendschap’ zijn gevoelens ook beschrijft – de vrije loop laat -, ik moet bekennen dat ik hem hier op zijn zwakst vind. Ik zal het maar eerlijk en ronduit zeggen: ik vind hem hier een aansteller. Uitgebreid betreurt hij de dood van zijn vriend, zijn ’andere helft’, zijn zielsverwant Maar zijn levende verwanten dan? En zijn huisgenoten, zijn vrouw, zijn dochter, het personeel? En niet te vergeten: zijn buren?

Montaigne heeft makkelijk praten, hij zit in zijn kasteel in Frankrijk en kan zuchtend uit het raam staren en terugdenken aan hoe mooi het was om onder elkaar te zijn. Is die zogenaamde hoogstaande vriendschap van hem niet slechts een manier om te ontkomen aan de omgang met die lastige kleine mensen die hem omringen, met hun kleine alledaagse zorgen?

Montaigne een humanist? Een salon-humanist zul je bedoelen.

Vriendschap zelf is al een soort escapisme. Vriendschap is een schuilplaats: samen schuil je onder een dak van gelijke gezindheid en gedeelde smaak en voorkeur. Samen mopper je er op los: ’de hel, dat zijn de anderen’. Vrienden zoeken elkaar op, om juist de boze buitenwereld buiten te sluiten – vriendschap is een knapperend haardvuur waarin het heerlijk staren is, avonden lang, zodat je niet naar buiten hoeft te kijken om te zien wie er langs je raam gaan. Vrienden vormen een elite, een select en gesloten gezelschap. En vriendschap is het opium voor deze elites.

Hoe heerlijk is het met vrienden onder elkaar te zijn – en hoe gemakkelijk. Vriendschap is een vorm van luiheid. Het is een makkelijke manier om problemen uit de weg te gaan in plaats van ze aan te pakken. Mensenkennis doe je niet op onder vrienden, maar onder vreemden. En het meest van vreemden die je toch heel nabij zijn: je buren. Je buren zijn een leerschool, een harde leerschool soms, onaangenaam zelfs, maar ook een leerzame.

Akkoord, ik overdrijf met mijn kritiek op Montaigne’s al te hoogdravende opvatting van vriendschap. Maar zie dat alsjeblieft als een daad van vriendschap, tegenover Montaigne. Hij zegt het zelf (in ’Over de ervaring’): „Als iemand de moed heeft je kritiek te leveren, getuigt dit van een bijzondere genegenheid. Want iemand kwetsen en krenken voor zijn eigen bestwil, is het bewijs van een gezonde vriendschap.”

Goed dan, vriendschap is geen vorm van luiheid, zeker niet van geestelijke luiheid. Want hier heeft Montaigne toch echt een punt. Hoe je het ook wendt of keert, kritiek leveren is inderdaad de vriendendienst bij uitstek. En dat heeft waarschijnlijk weer alles te maken met het gegeven dat bij vriendschap nabijheid nauwelijks een rol speelt en innigheid en vertrouwelijkheid een hoofdrol: vanwege de innerlijke verbondenheid vertrouw je je vriend, ook als hij kritiek geeft, en omdat hij je vriend kan zijn zonder dat hij daarbij op je lip zit, gaat zijn kritiek niet irriteren. Het bekritiseren van je buren is nooit een goed idee.

Overigens is het bekritiseren van huisgenoten, zeker echtgenoten (of echtgenotes) ook een mijnenveld. Daar had Montaigne maar al te veel ervaring mee: zijn huwelijk was bepaald niet gelukkig. Of laten we zeggen: hij en zijn vrouw hadden een relatie die voornamelijk was gebaseerd op verdraagzaamheid. In elk geval niet op liefde, zoals dat in Montaigne’s tijd natuurlijk ook niet gebruikelijk was.

Zijn huwelijk was, zoals het toen ging in de betere kringen, geen persoonlijke keuze en werd zelfs niet als persoonlijke aangelegenheid gezien. Montaigne schrijft dat zelf, in zijn essay ’Over enige verzen van Vergilius’ (een eufemistische titel voor een beschouwing over seks): „Men trouwt niet voor zichzelf, men trouwt evenzeer of meer nog ter wille van het nageslacht en voor de familie. Onze nazaten hebben veel meer belang bij het huwelijk dan wijzelf.”

Het zou wel toevallig zijn geweest als Montaigne en zijn vrouw, die vanuit zakelijk-familiair opzicht zo goed bij elkaar pasten, ook nog warme gevoelens voor elkaar hadden gekoesterd. Goed beschouwd was het in Montaigne’s tijd uitermate ongepast vriendschap of zelfs liefde voor je vrouw te voelen – daar had je nu net vrienden voor, en minnaressen. Een al te enthousiast liefdesspel tussen echtgenoten was volgens Montaigne ’een soort incest’.

Kortom, het is nogal oneerlijk, want anachronistisch om Montaigne te verwijten dat hij zich uit zijn huishouding terugtrok, in zijn torenkamer. Hij deed wat destijds alle heren deden en behoorden te doen. Maar een min of meer tijdloos probleem lijkt mij toch dat familie, collega’s, buren kortom: je naasten niet altijd prettig gezelschap vormen, meestal niet zelfs. Maar juist dat maakt hen zo belangrijk. Buren zijn immers echt, alles behalve virtueel: ze maken geluid, je kunt ze ruiken. En ze horen en ruiken jou. Van buren kun je leren wat verdraagzaamheid is.

Eigenlijk vullen buren en vrienden elkaar perfect aan. Vrienden staan je innerlijk altijd nabij, hoe ver ze uiterlijk, fysiek, ook van je verwijderd zijn; buren daarentegen staan je letterlijk zeer nabij, terwijl ze meestal innerlijk lichtjaren van je verwijderd zijn. Tezamen vormen ze een perfecte leerschool. Met vrienden, met gelijkgezinden en geestverwanten, kun je de confrontatie zoeken, met je buren moet je confrontaties juist uit de weg gaan. Tegenover vrienden kunnen we kritisch zijn, en zij tegen over ons, maar tegenover buren moeten we verdraagzaam zijn en zij tegenover ons.

Buren en vrienden leren ons verdraagzaamheid en kritiek. Van vrienden leren we hoe belangrijk het is kritiek te leveren en hoe zwaar die te ontvangen, van buren leren we hoe belangrijk het is verdraagzaam te zijn en hoe moeilijk verdragen te worden. We moeten leren zowel kritisch als verdraagzaam te zijn en dat bovenal in de juiste mate: niet te kritisch en niet te verdraagzaam.

Onlangs stuitte ik op een zeer realistische visie op wat buren zijn. In een pas verschenen bundeling van artikelen op het snijvlak van stedenbouw en sociologie, werden ook prominent twee vertaalde fragmenten van de Franse socioloog Pierre Mayol opgenomen: ’Wat is een buurt’ en ’Fatsoen’. Over de buurt zegt Mayol dat hij deze opvat als „een dynamisch begrip, een leerschool die de gebruiker moet doorlopen door geregeld lijfelijk in de openbare ruimte verkeren om zich deze zodoende eigen te maken”. „Door het regelmatig gebruik kan de buurt worden opgevat als de geleidelijke privatisering van de openbare ruimte.”

Over fatsoen zegt hij: „De buurt dwingt tot bedrevenheid in een wijze van samenleven, waarover men geen zeggenschap heeft, maar waaraan tegelijkertijd evenmin valt te ontkomen: de buren zijn er gewoon, op de overloop, in mijn straat; het is onmogelijk hen altijd te ontlopen; ’men moet ermee leven’, een evenwicht vinden tussen de door het openbaar stelsel van plekken gedicteerde nabijheid en afstand die nodig is om het privéleven te beschermen.”

Buren zijn hier omschreven als een soort chronische ziekte waar je niet aan kunt ontkomen, aangezien geneesmiddelen ontbreken. Het klinkt misschien zwartgallig, maar als ik me niet vergis beschrijft Mayol hier eigenlijk gewoon de condition humaine: we moeten leren leven met buren zoals we moeten leren leven het gegeven dat wij belichaamde wezens zijn, en dus sterfelijk.

Dat mensen belichaamde wezens zijn, vergeten filosofen nogal eens. Maar Montaigne juist niet: „Het heeft geen zin op stelten te klimmen, want ook op stelten moet je op eigen benen lopen. En zelfs op de hoogste troon ter wereld zit je nog altijd op je eigen gat.”

Ook in een ander opzicht kan juist Montaigne hier uitkomst bieden. Hij is een van het evenwicht tussen privé en openbaar. Hij staat dan wel bekend als een van de ontdekkers van het privéleven, als een van de eerste individualisten, maar dat is een veel te eenzijdige visie op zijn essays. Ik denk namelijk niet dat Monaigne’s hoogdravende visie op vriendschap zijn ’belangrijkste gedachte voor onze tijd’, zoals Frank de Graaff zei. Maar diens opmerking dat Montaigne’s essays te beschouwen zijn als ’prelude op de sociale wetenschappen’ snijdt zeker hout. Montaigne is natuurlijk geen socioloog, maar zeker wel een ’menswetenschapper’, een mensenkenner.

Montaigne was geen individualist is de betekenis die het woordenboek daaraan geeft, namelijk een aanhanger van ’de leer die de mens naar zijn wezen isoleerbaar acht van de gemeenschap’. Montaigne was ook zeker geen non-conformist, integendeel: tradities en gewoontes waren hem ’heilig’. En hij was een soort ’communautairist’, althans een gemeenschapsdenker. De lezers die Montaigne beschouwen als een voorloper van de zogenaamde levenskunst, waarbij het eigen leven tot individueel project wordt, zouden dóór moeten lezen tot de laatste bladzijde van de ’Essays’. Na bijna 1500 bladzijden komt Montaigne daar tot deze slotsom: „Het mooist zijn naar mijn smaak de levens die zich ordelijk en zonder wonderen en buitensporigheden naar het algemene, menselijke patroon voegen.”

Montaigne schrijft eigenlijk over niets anders dan zichzelf, zijn essays zijn een superieure vorm van navelstaren. Mij paart individualisme aan conformisme. Thuis, van binnen, is hij een individualist, buitenshuis is hij een conformist. Zijn vrienden mochten binnen komen, maar hij zorgde er wel voor ook met zijn naasten, zijn buren, goed om te gaan – al was het maar door ze op gepaste afstand te houden.

Enkele weken na haar kersttoespraak twitterde de koningin voor het eerst. Nou ja, de Rijksvoorlichtingsdienst deed dat, maar dan toch namens haar. „Dank aan u allen voor het hartelijke welkom”, waarop volgde: „Kersttoespraak was niet tégen Twitter, maar wel vóór naastenliefde.”

Dat is mooi, dat de koningin niet tegen twitteren is. Ik ben er ook niet tegen, al kan ik me niet voorstellen dat over een paar jaar nog iemand weet wat het ook al weer was. Ook mooi is dat de koningin voor naastenliefde is, daar ben ik natuurlijk ook voor – is er iemand tegen? Maar is twitteren óver naastenliefde niet ronduit bizar? En vooral: niet al te gemakkelijk? Zou ze tijdens de vakantie de planten bij haar buren wel water geven?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden