Echt, Belgrado is hartstikke hip

Ze kunnen het niet gauw goed doen, die ex-Joegoslaven. Eind vorig eeuw maakten ze elkaar het leven zuur en was West-Europa ontzet. Maar toen ze vorig jaar vrede sloten door de Servische Marija Serifovic collectief punten toe te kennen bij het Songfestival, deugde het ook weer niet. Vriendjespolitiek, klonk het verontwaardigd. Want wat van de Balkan komt, kan natuurlijk nooit iets zijn. Laat staan als het uit dat grauwe, in zichzelf gekeerde Servië komt. Toch moeten we er nu aan geloven: over pakweg twee weken begint de 53ste editie van het Eurovisiesongfestival. Maar is een bezoek aan Belgrado echt zo’n straf?

De meest relaxte kennismaking begint ongetwijfeld op en rond Knez Mihailova, het brede voetgangersgebied in het centrum van de stad, omzoomd door statige panden uit de 19de, begin 20ste eeuw. Geen haast, luidt hier het parool, dus kun je net zo goed beginnen op een terras.

Bij het elegante Ruski Car bijvoorbeeld, waar oudere echtparen zich te goed doen aan glaasjes rakija (hij) en mooie taartjes (zij). Daarnaast zit het hippe Aisja, waar snelle jongens, de gsm vergroeid met hun oor, grote glazen ijskoffie drinken. Gezinnen doen zich bij restaurant ’Bij het monument’ – dat van prins Mihailo Obrenovic die gezeten op zijn paard de laatste decennia menig demonstratie aan zich voorbij zag trekken – te goed aan kolossale ijscoupes. Bij Plato drinkt intellectueel Belgrado, of wat daar graag voor doorgaat, een verse jus d’orange of een espresso met een glaasje water. En bij kafana Znak pitanje (het vraagteken), met zijn traditionele lage tafeltjes, drinkt iedere stadsbewoner vroeg of laat een Jelen pivo (bier) of een namestaj (witte wijn met spuitwater, en niemand kan uitleggen waarom dat met het woord ’meubel’ wordt aangeduid).

Daarna wordt het tijd voor actie. Shoppen bijvoorbeeld. Snuffel tussen de rekken van Zara, Max Mara of Deltasport. Of blader door de stapels in een van de vele boekhandels. De eenkennigheid die de Serviërs nog weleens wordt aangewreven is niet af te leiden uit het aanbod: de meest recente wereldliteratuur is er te koop, al dan niet in vertaling.

Loop eens binnen bij een galerie en bekijk video-installaties, romantische taferelen van 18de-eeuwse schilders of moderne Afrikaanse kunst. En beoordeel (niet te streng) of je de Zuid-Amerikaanse panfluitisten of een levend standbeeld op straat een paar dinars waard vindt.

Al slenterend kom je dan vanzelf bij Kalemegdan terecht, het grote Ottomaanse fort, met zijn weidse uitzicht over Sava en Donau, die elkaar hier ontmoeten. Behalve een imposante plek met allerlei bezienswaardigheden is het ook een ontspannen plek, vol spelende kinderen, verliefde stellen, en schakende oude mannen, opmerkelijk genoeg vaak geheel in net pak inclusief das.

Dit is ook de gelegenheid voor de aanschaf van een origineel souvenir: een speldje uit Tito’s tijd, een bankbiljet met een nul of twaalf uit die barre tijd, begin jaren negentig, toen de inflatie de pan uitrees, of een typisch Servische baret. En dan is het weer hoog tijd voor een terras.

Koningin Juliana serveerde Tito een salade van kabeljauw bij diens bezoek aan Nederland in oktober 1970. Bij Saddam Hoessein in Bagdad at hij gebakken vis uit de Tigris en Sophia Loren kookte pasta voor hem. Het zijn weetjes uit ’Titov kuvar’, een kookboek gebaseerd op gerechten die de president van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië (SFRJ) tijdens zijn lange regeerperiode door buitenlandse vorsten, regeringsleiders en beroemdheden kreeg voorgezet. Culinaire nieuwigheden levert dat niet op, wel een originele kijk op een tijd waarin Joegoslavië nog geen besmet begrip was, maar de trotse aanvoerder van de Beweging van Ongebonden Landen, gepaaid door Oost en West.

Josip Broz Tito stierf in 1980, zijn land volgde ruim een decennium later. Van de hoofdstad van de SFRJ werd Belgrado de hoofdstad van de Federale Republiek Joegoslavië, dat daarna Servië-Montenegro ging heten, en waarvan twee jaar geleden alleen nog Servië overbleef. En daar werd onlangs ook nog eens Kosovo vanaf gesnoept.

Hoewel er even discussie is geweest of met het land ook maar niet de herinnering aan zijn ’oprichter’ moest verdwijnen, heeft Tito zijn laatste rustplaats in Belgrado behouden. Hij ligt begraven in het Bloemenhuis (Boticeva 6), dat open is voor publiek. Druk is het er doorgaans niet.

Naast het mausoleum is een gebouw met een selectie van geschenken die de Joegoslavische leider ontving. Net als de recepten uit Titov kuvar (ook in het Engels verkrijgbaar als Tito’s cookbook) bieden die een blik op de geschiedenis die nu haast onwezenlijk aandoet.

„Om de kou uit mijn handen te verdrijven aai ik een van de duiven. Door mijn oude pak kun je de huid van mijn knie zien. Ik ben blut. Ik heb de wereld wisselstroom gegeven. Ik heb de wereld radar, afstandsbediening en radio geschonken, en omdat ik er niets voor wilde hebben, heb ik er ook niets voor gekregen”.

In een paar zinnen laat de Amerikaanse Samantha Hunt de hoofdpersoon van haar vorig jaar verschenen roman ’De uitvinding van al het andere’ zijn leven samenvatten. Nikola Tesla heet hij en hij heeft echt bestaan. Sterker: kenners noemen hem ’de man die de twintigste eeuw uitvond’. Maar bij het grote publiek is hij nagenoeg onbekend, ook al maakt het dagelijks gebruik van zijn vindingen. Genoeg reden dus om een bezoek te brengen aan het naar hem vernoemde museum in Belgrado (Krunska 51, www.tesla-museum.org). Dat vertelt het verhaal van een in 1856 in het plaatsje Smiljan (destijds gelegen in het Oostenrijks-Hongaarse Rijk, nu Kroatië) geboren zoon van een Servisch-orthodoxe priester, die op zijn 28ste naar de VS trok. Hij kreeg een baan aangeboden bij het bedrijf van Edison, bij allen wél bekend. De overlevering wil dat Edison een beloning uitloofde voor het oplossen van een probleem, maar weigerde over de brug te komen toen Tesla dat ook deed. Kort daarop nam Tesla ontslag. De wat mensenschuwe man, die aan smetvrees ging lijden en een obsessie met het getal drie ontwikkelde, deed vervolgens tal van uitvindingen, maar anderen gingen veelal met de eer en het geld strijken. Uiteindelijk stierf hij in 1943 een eenzame dood in The New Yorker Hotel, waar hij jaren had gewoond in kamer 3327 en 3328.

Oneerbiedig gezegd lijkt het een gebed zonder end: de bouw van de kathedraal van Sint Sava, de middeleeuwse stichter van de Servisch-orthodoxe kerk. De eerste plannen dateren van 1894, toen werd herdacht dat 400 jaar eerder de Ottomaanse heersers de overblijfselen van deze patroonheilige van onderwijs en geneeskunst in het openbaar hadden laten verbranden.

Maar oorlogen en de opbouw van een nieuwe staat (het Koninkrijk der Zuid-Slaven) veroorzaakten oponthoud. Pas in 1935 ging de eerste paal daadwerkelijk de grond in. De bouw werd onderbroken door opnieuw een oorlog en de opbouw van weer een nieuwe staat, een socialistische dit keer, die andere prioriteiten stelde dan de bouw van een godshuis. Pas in 1985 werd de bouw hervat, maar tijdens de jaren negentig kwam de klad er opnieuw in (jawel: oorlog en de opbouw van een nieuwe staat).

Inmiddels is de buitenkant van de immense kerk – een van de grootste orthodox-christelijke bouwwerken ter wereld – voltooid, aan de binnenkant wordt nog volop gewerkt. Horen en zien vergaat je als je op het verkeerde moment binnenkomt. Wie rustig een kaarsje op wil steken, zoals hier gebruikelijk, kan het best later op de middag komen. De kaarsen op de ’hoge’ standaarden zijn voor het zielenheil van de levenden, de lage voor die van de doden.

Pittoresk is het niet, Belgrado’s variant van Chinatown, wel een heel specifiek overblijfsel van het Milosevic-tijdperk. Hij is te vinden in ’blok 70’, in Novi Beograd, de uitgestrekte flatwijk aan de andere kant van de Sava. Wie dit vervallen winkelcentrum binnenkomt, waant zich in een grote Zeeman. Goedkoop is het belangrijkste kenmerk van de waar die hier wordt aangeboden: namaak-Barbies, slaapzakken, kinderkleding, sportschoenen, plastic bloemen.

Met enkele tienduizenden mensen vormen de Chinezen de grootste niet-westerse gemeenschap van de stad. Ze kwamen in de jaren negentig, toen Servië door de westerse wereld in de ban was gedaan. China was een van de paar landen waar Milosevic het nog goed mee kon vinden.

Het Westen zag het met argusogen aan. Het gerucht gaat dat het bombardement op de Chinese ambassade in het voorjaar van 1999 helemaal geen vergissing was (de Navo hield het op verouderde kaarten), maar een waarschuwing aan China om niet te proberen via de Balkan invloed te krijgen in Europa. Hoe het ook zij: Milosevic verdween, de Chinezen zijn gebleven, net als hun goedkope waar.

Gelukkig houden ze in Skadarlija nog stand, schreef Momo Kapor onlangs, de liefdevol-ironische chroniqueur van het Belgradose leven (lees zijn Guide to the Serbian mentality): „Hier weerstaat gegrild vlees nog op heroïsche wijze het rijk van McDonald’s en hamburgers dat de wereld regeert.” Toegegeven: coca-cola is wel de menukaart binnengeslopen, maar „we drinken het alleen met cognac of rum en vernietigen het zo van binnenuit.’’

Dat de argeloze toerist deze „strijd tussen beschavingen” ontgaat, zij hem vergeven. Die komt naar dit wijkje (volgens de wegwijzers The Bohemian Quarter) met zijn hobbelige straatjes om wat authentieke sfeer op te doen. Dat die daarmee onvermijdelijk verloren gaat, kan hij ook niet helpen. Dus stap gewoon binnen bij Dva bela goluba (Twee Witte Duiven), Sesir moj (Mijn Hoed) of Dva jelena (Twee Herten) en eet gibanica, cevapcici of sopska salata en laat je amuseren door een zigeunerorkest. Wie daaraan niet genoeg heeft, stort zich daarna in de nabijgelegen Strahinjica Bana of elders in de stad in het uitgaansleven. Mede dankzij de New York Times, dat in de partyscene aanleiding zag Belgrado tot Sin City te dopen, is dat inmiddels bijna legendarisch geworden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden