Echt, 130 als topsnelheid is genoeg

Hard rijden is fun in onze dominante autocultuur. Juist jonge rijders zijn er gevoelig voor. Het verkeer wordt pas veilig als snelle auto’s verboden worden.

Het ernstige auto-ongeluk bij Wapenveld is het zoveelste dat een dorp wakker schrikt. Dagelijks sneuvelen jongeren in de auto; drie tegelijk is een ramp. Vorig jaar reden Friese jongens een kanaal in, daarvoor vonden vijf scholieren uit Zeewolde bij Almelo de dood. ’Dit mag nooit meer gebeuren’, stamelen deelnemers aan stille tochten. Toch gebeurt het met statistische zekerheid elk jaar weer. Want de condities die dergelijke ongevallen – Murphy’s law! – onvermijdelijk maken, worden niet aangepakt.

Meestal gaat het net goed, zie ’Blik-op-de-weg’ en ’Wegmisbruikers’. Na aanhouding blijkt de wegpiraat een verlegen jongeman, van wie je zulk gedrag niet verwacht. Waardoor veranderen brave burgers achter het stuur in zelfmoordpiloten en verongelukken er meer jongens dan meisjes? Vreemd dat nabestaanden het gebeurde eerder als noodlot ervaren dan als een gevolg van factoren waarvoor de politiek, auto-industrie en autocultuur verantwoordelijk zijn. Het zijn factoren die we kunnen veranderen.

Een psychologische wet (Rose, 1990) luidt dat gedrag verklaard wordt uit drie dingen: je moet ertoe in staat zijn, je moet de gelegenheid hebben én je moet de zekerheid hebben dat het gedrag geaccepteerd wordt. Deze trits moet elke overheid paraat hebben die risicovol gedrag wil aanpakken.

Bij rijgedrag wordt veel verwacht van verbetering van kennis en mentaliteit van bestuurders. Maar kennisvermeerdering zal weinig helpen zonder aanpak van de mogelijkheden tot risicovol gedrag. Het is voor de overheid onmogelijk om ’de mentaliteit’ te veranderen binnen een dominante autocultuur die de fun en kick van snelheidsovertredingen propageert.

Bij elke verkeersramp wordt op gebrek aan ervaring gewezen. Wie net z’n rijbewijs heeft, loopt inderdaad meer risico. Pas rond 24 jaar, als de hardrijders gezinnen krijgen, verdwijnt de risicopiek. Onduidelijk is hoeveel ervaring de verongelukte bestuurders hadden. Het feit dat meisjes minder verongelukken geeft al aan dat andere factoren meebepalend zijn. Onduidelijk is ook waardoor sommige jongens schadevrij blijven en anderen wegpiraat worden.

Dan komen factoren als risicobewustzijn, risicoperceptie, attitude, zelfbeeld, autobeleving, agressie, zelfoverschatting, competitiedrang, drugs en alcohol als oorzaken naar voren. Mannen hebben auto’s om te imponeren.

Maar het verkeersbeleid gaat er van uit dat jongvolwassenen met argumenten en straffen tot rationeel gedrag te verleiden zijn. Drugs- en alcoholcampagnes – met uitzondering van de effectieve BOB-campagne – hebben bewezen dat de mentaliteitsaanpak vooral effectief is bij degenen die toch al niet tot probleemgedrag neigen. Beter is om de auto en het rijden zelf aan te pakken.

Uit Amerikaanse statistieken blijkt dat jonge mannen in auto’s met veel vermogen relatief vaker bij dodelijke ongelukken betrokken zijn. Patrick Kluivert reed een BMW M3 met 300 pk. De Wapenveldse Mazda 323F reed dik 180. In een Mini of 2CV met 30 pk kónden dergelijke ongevallen niet eens gebeuren. Moderne auto’s zijn van fabriekswege al waanzinnig opgevoerd. De gemiddelde gezinsauto haalt 120 pk uit 1600 cc, kan 200 km/uur, handig naar de crèche of AH.

Daarmee is Jan Modaal sneller dan de beroemde SAAB 96 rallyauto. Leasebakken en busjes met 140 turbodiesel-paarden lokken door hun acceleratiecapaciteit uit tot steeds krappere inhaalmanoeuvres. Auto’s met weinig vermogen worden niet meer gemaakt. De techniek zorgt voor veiligheid is de boodschap, maar zelfs 10 airbags redden ons niet tegen een boom met 180.

Ook onder ouderen en vrouwen wordt roekeloos rijden steeds gebruikelijker. Tv-programma’s als ’Top Gear’, autocommercials, autobladen en gratis autokrantjes spiegelen ons voor dat scheuren en snelheid leuk is en veilig kan. In films en computergames zie je geen bloed als de held – die nooit gordels draagt – uit zijn gecrashte auto kruipt. Geen wonder dat ’boys’ in hun eigen ’toys’ dergelijk gedrag kopiëren en verwachten dat zoiets wel goed afloopt. Gezagsgetrouwe burgers haten flitspalen. Het morele bewustzijn ontbreekt dat iedere automobilist door gebrek aan zelfbeheersing onbedoeld in een beul van medeweggebruikers kan veranderen. Jongemannen hebben al helemaal geen besef van risico’s; informatie daarover wordt niet verinnerlijkt tot norm voor eigen gedrag.

Als politici echt mensenlevens willen sparen, zijn impopulaire maatregelen met fysieke en wettelijke beperkingen nodig, waarvoor bestuurlijke moed vooralsnog ontbreekt. Met Het Nieuwe Rijden wordt defensief rijgedrag exameneis.

Een psychologische test vóór het rij-examen kan jongeren die als bromfietser al risico’s veroorzaakten eruit zeven en extra (nachtelijke) rijbeperkingen geven. Keiharde handhaving en verlies van auto en rijbewijs helpen tegen straatracen. De voorfase, de opgevoerde brommer, moet radicaler aangepakt met standaard inbeslagneming, ook bij dealers die de verboden opvoersetjes monteren. Chiptuning om de auto op te voeren moet worden verboden.

De beste oplossing is wereldwijd ’voertuigzelfbeheersing’: beperking van de onnodig hoge vermogens van auto’s en motorfietsen. De EU moet richtlijnen vaststellen die zowel vermogens als topsnelheden beperken, tot 50 pk/1000 kg en 130 km/uur.

Pas dan zullen fabrikanten de echt zuinige (1 op 40) auto’s ontwikkelen die nodig zijn vanwege CO2-reductie en brandstofschaarste. Bestaande auto’s moeten snelheidsbegrenzers op 130 km/uur krijgen. Jongeren tot 24 jaar zouden alleen in auto's met maximaal 75 pk mogen rijden; vergelijkbare beperkingen bestaan elders al bij motorfietsen. Ook moeten de enorme geluidsinstallaties in auto’s, waardoor jongeren als zombies rondrijden, verboden worden.

Psychologen adviseren de rijbewijsleeftijd niet te verlagen maar juist te verhogen naar 21 jaar. Dat is politiek onhaalbaar, ongeacht de winst in mensenlevens. Daarom zouden álle jongeren tot 24 jaar gratis OV-jaarkaarten moeten krijgen, moet er voldoende weekendvervoer komen op het platteland.

Autoprogramma’s als ’Top Gear’, die het verkeerde gedrag voorleven, moeten als autoporno van de buis geweerd. Eenzelfde bejegening verdienen gedrukte automedia, die geen woord vuilmaken aan verkeersslachtoffers.

De leus ’Rij nooit harder dan je beschermengel kan vliegen’ (Trouw, 15 januari) blijft van kracht zolang overheden de bescherming van jonge automobilisten aan engelen overlaten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden