Review

Echo's en luchtkastelen uit de oude, psychedelische doos

Hans Verhagen: Echoput & Luchtkasteel. De Bezige Bij, Amsterdam; 64 blz. - ¿ 39,50

Hij heeft zijn realistische werk uit de jaren zestig (in de stijl van de toenmalige literaire vernieuwingsbladen 'Barbarber' en 'Gard Sivik') en zijn lyrisch-romantische werk uit de jaren zeventig later nooit meer overtroffen.

Voor 'Kouwe Voeten' uit 1983, waarin heel wat hogere en lagere warrigheid werd samengebald, kon de kritiek indertijd weinig waardering opbrengen. De nuchtere toets die Verhagens werk bezat, had plaats gemaakt voor een vorm van zelfgenoegzame en soms larmoyante navelstaarderij. Zo was het, en zo is het gebleven tot en met zijn onlangs verschenen bundel 'Echoput & Luchtkasteel'.

Deze nieuwe bundel wekt bij mij sterk de indruk improviserenderwijs tot stand te zijn gekomen. Verhagen doet vaak maar wat. Hij kán nog steeds mooie en krachtige regels schrijven, want de dichter die hij ondanks alles is en blijft verloochent zichzelf niet. Maar het effect ervan gaat teloor in het woud van prietpraat en verbale bokkesprongen eromheen.

Een van de problemen met Verhagen is dat hij geen maat weet te houden. Hij heeft bij voorbeeld een scherp oor voor klankparallellieën en dat zal men weten ook. Nu valt er met een regel als “Het heengaan zal wel op z'n hedendaags / gaan -heel allenig” nog wel te leven, en ook de “zoetgevooisde voice” die ergens uit deze echoput opklinkt is desnoods acceptabel. Maar wat te zeggen van het akoestisch doordelireren op het woord 'miss' in het drie pagina's tellende ongedicht 'Verdacht van Verkrachting van Miss Finland?'

De slotregels mogen ter illustratie volstaan: “Daar was niks mis mee, / Miss Finland & ik hadden al sinds kerstmis / een innige verbintenis, / en de rest was business, / gis maar eens wat het inkomen / van Miss Universe is.” En zo is er meer waarin deze dichter zich 'mateloos' betoont. Flauwe woordspelingen (“Ergens had hij wel een hart, / dat klopt, maar / zingen deed het niet”), flauwe grapjes (“Zij was hoogwonend, en toch minimaal gehuisvest”), onfunctionele platitudes (“Ze begrepen er de ballen van”), en zo nu en dan een aan onverschilligheid grenzende meligheid (“Nadat je in de windstille natuur hebt afgewacht / tot je lang genoeg gewacht had”).

Er klinkt in deze bundel een grote dosis gekwetstheid door, waarmee bovengenoemde onverschilligheid wellicht samenhangt. 'Echoput & Luchtkasteel' is eigenlijk één grote terugblik op de veronderstelde zegeningen van de jaren zestig en op de maatschappelijke verloedering daarna.

Het openingsgedicht neemt direct maar de huidige 'no-nonsense' mentaliteit op de hak en het slotgedicht eindigt met het meerstemmig zingen van 'Let it bleed' van de Rolling Stones (een nummer uit 1969). Poëzie voor oudere jongeren dus, vol weemoed en opstandigheid en met talloze echo's en luchtkastelen uit de oude, psychedelische doos.

De crux van deze poëzie wordt gevormd door het besef dat de illusies van weleer hemelsbreed verschillen van de illusies van thans. Verhagen is er de man niet naar om de mogelijkheden van een fusie in zijn poëzie af te tasten.

In plaats daarvan houdt hij met een hardnekkige zelfvoldaanheid vast aan de oude vertrouwde waarden: “Ze deden of er helemaal niets was gebeurd./ Ze waren met zovelen dat het even leek / alsof ze inderdaad de lakens uitdeelden. / Maar ze deden alles nauwgezet / zoals wij hadden voorgeschreven.”

Door haar behoudzucht en stelligheid is deze poëzie tegelijk voorspelbaar en onvruchtbaar. Verhagen drukt zich nu eens uit in een kleurloos realisme, dan weer in een antirationalistisch soort new speak. Hij lijkt nooit te twijfelen aan de door hem geponeerde inzichten, die hem dank zij een hooggeschatte verinnerlijking kennelijk moeiteloos geworden: “er staat altijd wel een parameter voor me open / op de innerlijke stem.”

Als lezer blijf je bij zoveel autarkie natuurlijk al gauw buiten spel. Pas waar Verhagen zijn vermeende waarheden durft los te laten en zichzelf schetst in een meer universele context beginnen er opeens vonken over te springen.

Dat gebeurt met name pas in de slotafdeling. Weliswaar wordt ook daar de voortreffelijkheid van de jeugdidealen breed uitgemeten, maar ditmaal gebeurt dat in een mythisch-autobiografisch decor dat oerbeelden in werking zet die werkelijk 'scheppend' mogen heten.

Verhagens Zeeuwse jeugd (ergens spreekt hij van de “verdronken plekken van mijn geboorteland”) rijst hier als het ware uit de zee van het verleden op om in de poëzie een vitaal nieuw bestaan aan te vangen.

Ziehier een snackbar uit, ik schat, de jaren vijftig, die mij een exemplarische hangplek lijkt voor nozems uit alle tijden: “In deze doos van formica, plastic, zeil / broeide de jukebox, / een grauw, een gil, een grom - / daar had je het, / je bron van onbestemd verzet. // Van snackbar naar snackbar, / kriskras door de gore nacht gesmeten, / bulderde de storm. // Zoete reuk van roomijs; / walm van smeulend vet. // Misschien geen verheven plek, / maar hier begon het.”

Dit is in zijn laconieke directheid een goed gedicht. En zo staat er wel meer in deze slotafdeling, al zijn het vaak slechts flarden die overtuigen. Dit alles bijeen is echter niet genoeg om deze merkwaardige en nogal irritante bundel te redden. Waarbij overigens niet uitgesloten mag worden dat het Verhagen - geestelijk gerijpt in de Provo-tijd - in laatste instantie nu juist om die bij zijn lezers opgewekte irritatie is te doen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden