Ecce homo

Zie de mens. Onder me passeren ze, alleen of in groepjes. De mensen. Ze passeren toegangspoortjes. Ik schrijf aan een tafel in een groot café, dat van boven uitziet over de hal van het drukste knooppunt van Nederland.


Utrecht CS. Dagelijks gaan tweehonderdduizend mensen door deze hal en elk van hen is onderweg, weg van huis of ernaartoe. Ze zweven, hun staat is een vloeiende. Ze zijn hier en nergens.


Een kort ogenblik delen ze een ruimte. Als je er wat langer naar kijkt, dan groeit je verwondering dat dat allemaal vreedzaam gaat, dat delen. Beschaving in actie. Niemand botst. Hardlopers, slenteraars. Heen en weer bewogen vracht. Een kinderwagen, een rugzak, een rolkoffer, een blauwe container. Spontane richtingenstromen. Een licht uitwijken soms van een lijn.


En na lang kijken ook verwonderlijk: ik zie geen bekenden. De gezichten zijn anoniem. Zoveel mensen die je niet kent. Elk een kort, eenzaam vonkje in het universum, in een tijdelijke baan op weg naar het uitdoven.


'Zie de mens' heet ook een succesvolle tentoonstelling in Zwolle, in Museum de Fundatie, nog te zien tot 15 januari. Honderd jaar in honderd gezichten, die je portretten zou kunnen noemen, als je het begrip heel ruim neemt.


Want het idee dat een portret gelijkenis moet vertonen met de afgebeelde is allang verlaten. Niet voor niets begint de expositie, samengesteld door Hans den Hartog Jager, met een beeld van Brancusi uit 1920: een gouden ei, volmaakte abstractie in spiegelend koper. Ik zou er hier beneden honderdduizend van kunnen zien passeren.


Toen we de expositie bezochten, enkele weken geleden, stonden de kabinetten en zalen vol bezoekers. Mensen die naar afgebeelde mensen keken. Er werd vrolijk bij gekletst als op een staande receptie.


Vanaf de wanden bleef het stil uiteraard, maar de geportretteerden hadden zo uit hun lijsten kunnen stappen en deelnemen aan het gekwek. Want hoezeer ook de afgebeelde mens een portret geeft van de smaak van de tijd waarin hij of zij werd afgebeeld, de mens zelf blijft tijdloos en universeel, met lijf en gezicht, met liefde en schaamte.


Eigenlijk is de expositie, als je de inleiding in de catalogus leest, niet eens een makkelijke. De samensteller verwerkte in zijn keuze van werken allerlei thema's die hij 'realisme en documentatie' noemde of 'vervorming en vernietiging' of 'abstractie' of 'symboliek' of zelfs 'metaverwijzingen', alleen maar om te laten zien hoe gelaagd de representaties waren in beeld, verf of in print. We keken niet zomaar naar mensen, maar naar de visie van een kunstenaar op de mens, de mens als kapstok voor artistiek commentaar.


Dat verklaarde de enorme diversiteit in de portretten, die dus op een ingewikkelde manier selfies waren van het innerlijk woelen van de kunstenaar, maar de gewone bezoeker, waartoe ik mezelf reken, zal iets anders hebben gezien in deze parade. Of gevoeld.


Gevoeld ja.


Ontroering, vergankelijkheid. De blik in de spiegel. Ziel, zaligheid. We kijken naar elkaar, we zien onszelf. Ook in de milde blik van de SS-kapitein van August Sander, uit 1937, naast dat zachtmoedige portret dat Paul Citroen in '38 schilderde van Chaja Goldstein die de Holocaust overleefde. Vonken zijn we. We herkennen het uitdoven.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden