ECCE AAP

Lange tijd heeft men de evolutieleer van Darwin gezien als iets dat de mens omlaag haalt: een naakte aap. Maar waarom zouden we het niet van een andere kant bekijken: de mens is niet een naakte aap, maar het dier is een nog niet aangekleed mens. De filosoof Paul Cliteur beschrijft vijf punten waarop de onvoltooide revolutie van het darwinisme onze levensbeschouwing zal veranderen. Dit is bekorte versie van de rede die Paul Cliteur afgelopen woensdag hield bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar in de wijsbegeerte aan de Technische Universiteit Delft.

PAUL CLITEUR

De Onderwijsraad adviseerde in 1989 om een aantal 'identiteitsgevoelige' onderwerpen niet aan de orde te stellen in het centraal schriftelijk eindexamen biologie. Daartoe rekende men ook de evolutieleer. Die evolutietheorie ligt gevoelig op bijzondere scholen omdat het moeilijk in overeenstemming is (of lijkt) met het scheppingsverhaal over Adam en Eva, de gescheiden schepping van mens en dier en de ouderdom van de aarde.

Met dat advies van de Onderwijsraad is niet iedereen het eens. Vooral de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen heeft zich geroerd als bestrijder van dit advies. Bij brief van 14 juli 1995 heeft de KNAW laten weten dat de evolutieleer opnieuw moet worden opgenomen in het centraal schriftelijk examen. Behandeling in het schoolonderzoek wordt onvoldoende geacht.

Als argument voert de KNAW onder andere aan dat geen sprake kan zijn van een tegenstelling tussen de evolutietheorie en op religie geënte opvattingen over de schepping. Academielid Lever had dat al lang geleden aangetoond, aldus de KNAW.

Laten we eens bezien of dat argument klopt. Daarvoor moeten we ons verplaatsen naar de vorige eeuw, het wereldbeeld dat Darwin aantrof toen hij begon na te denken over evolutie.

Het moderne wereldbeeld, gebaseerd op de nieuwe inzichten over evolutie, kwam in de vorige eeuw heftig in conflict met de traditioneel Joods-christelijke en klassiek-Griekse opvattingen over mens en wereld. De idee van de mens als deel uitmakend van het dierenrijk, ook al zou hij zich daaruit verheffen, leek moeilijk te rijmen met een bijbelse centraalstelling van de mens als een naar goddelijk beeld geschapen wezen, begiftigd met rede en heerser over al het geschapene. Want zo staat het immers in Genesis. De mens wordt afzonderlijk geschapen en als beeld van God heer over de schepping. De dieren geeft hij een naam en mag hij gebruiken overeenkomstig zijn goeddunken. Wanneer Darwin dan komt vertellen dat de mens een dier is, een dier onder de dieren, dan kan men dat bezwaarlijk zien als een accentverschil. Het is een revolutie.

Het verhaal gaat dat toen de Bishop of Worcester aan zijn vrouw vertelde dat ene Professor Huxley, een trouw volgeling van Darwin, had gezegd dat de mens van de aap afstamde, zij antwoordde:

Descended from the apes! My dear, let us hope that it is not true, but if it is, let us pray that it will not become generally known.

Wij lachen daar nu om, maar dat het algemeen bekend zou worden - om dat te verhoeden zijn heel wat pennen in beweging gebracht, is groot oratorisch talent in de strijd gegooid en werden vele fantastische speculaties gelanceerd. Een van de mooiste voorbeelden van dat laatste is misschien wel de discussie naar aanleiding van de ontdekking van fossielen.

Fossielen vormden in drieërlei zin een bedreiging voor het traditionele wereldbeeld. Allereerst wezen zij erop dat de aarde veel ouder was dan men op grond van de geslachtsregisters uit de Bijbel had berekend. Rond 1830, toen Darwin over evolutie nadacht, ging men ervan uit dat de aarde betrekkelijk kort geleden geschapen was. Een van de meest geaccepteerde data voor het begin van de wereld was 4004 voor Christus. James Ussher, aartsbisschop van Armagh, had dat berekend door de geslachtsregisters uit de Bijbel achter elkaar te leggen. John Lightfoot, vice-chancellor van de universiteit van Cambridge wist het nog preciezer te berekenen. De final act of Creation, het moment waarop Adam werd geschapen, vond plaats op zondag, negen uur in de morgen, op 23 oktober 4004 BC. Deze datum werd vervolgens vanaf 1701 in de Bijbel afgedrukt en die periodisering werd een soort van theologisch dogma, dat in scherp conflict kwam met de bevindingen van geologen, biologen en andere wetenschappers wier resultaten op grotere ouderdom wezen.

Maar de fossielen waren ook om een tweede reden bedreigend. Zij confronteerden ons met plantaardige en dierlijke vormen die nu niet meer leken te bestaan. Dat zou betekenen dat bepaalde dieren waren uitgestorven. Maar hoe viel dat te rijmen met de perfectie van de schepping?

Het oude en het nieuwe wereldbeeld kwamen op tegelijk tragische en komische wijze met elkaar in conflict in 1860, tijdens een debat tussen Samuel Wilberforce en de darwinist Thomas Henry Huxley op de jaarlijkse bijeenkomst van de British Association for the Advancement of Science.

Wilberforce was de bisschop van Oxford en de leidende criticus van het darwinisme. Hij hanteerde niet altijd even zuivere redeneringen en in combinatie met zijn oratorisch talent had hem dat de bijnaam Soapy Sam bezorgd. Maar ondanks deze weinig lovende kwalificatie was zijn reputatie groot. We moeten openlijk uitspreken, zo schreef hij in de Quarterly Review, dat de notie van het darwinisme absoluut onverenigbaar is, niet alleen met het geschreven woord van God, maar ook met de gehele spirituele en morele voorstelling van de mens, die uit de christelijke traditie spreekt. De suprematie van de mens over de aarde; het vermogen van de mens tot gearticuleerde spraak; de menselijke gave van de rede; de menselijke vrije wil en verantwoordelijkheid; de val van de mens en zijn verlossing; de incarnatie van de Eeuwige Zoon; de Eeuwige Geest - het is allemaal volkomen onverenigbaar met de ontluisterende notie van een oorsprong van de mens in het dierenrijk, meende Wilberforce.

Tijdens dat legendarische debat lanceerde Wilberforce de vraag of Huxley via de lijn van zijn opa of via de lijn van oma van de apen afstamde. Wat bedoeld was als een dodelijke kwinkslag pakte verkeerd uit. Toen Wilberforce zijn vraag stelde fluisterde Huxley aan zijn buurman zachtjes toe: The Lord has delivered him into mine hands! En zo geschiedde. Huxley antwoordde dat hij liever een 'ellendige aap' als grootouder had dan een mens die door de natuur begiftigd is met grote gaven maar deze misbruikt om ridiculiserend een wetenschappelijke discussie te voeren.

Een dame viel flauw en moest naar buiten worden gedragen, maar er volgde een daverend gelach in de zaal en verder luisterde iedereen aandachtig naar wat Huxley te vertellen had.

Wat is de moraal van dit verhaal? Allereerst dat in victoriaans Engeland de evolutietheorie weliswaar onpopulair was, maar dat het een bestrijder van deze theorie niet vrij stond dames in opspraak te brengen, in dit geval de oma van Huxley.

Maar de pointe van het voorval is de suggestie van Huxley dat het niet veel uitmaakte of men van de apen afstamde of niet. In een brief waarin hij de gebeurtenis nog eens beschreef aan een vriend gaf hij de quintessens als volgt weer: het maakte niet veel verschil voor zijn verantwoordelijkheidsgevoel of hij een aap had als grootouder, of een mens. De evolutieleer, zo vat ik het vrij samen, heeft geen gevolgen voor ethiek en voor onze visie op de verheven positie van de mens.

Een interessante stelling. Maar is deze juist? Lever, de bioloog uit de KNAW, ziet het ook zo en vandaar dat de KNAW ook geen strijdigheid constateert tussen de evolutieleer en levenbeschouwing of zingeving. Maar nogmaals: is dat wel waar? Ik denk dat 'de Wilberforces' gelijk hadden in één opzicht, namelijk dat zij scherp aanvoelden dat het darwinisme niet zomaar een wetenschappelijke hypothese is, maar dat het een heel wereldbeeld doet wankelen. Huxley - hoe ferm ook in zijn verdediging van het darwinisme - miskent de betekenis ervan wanneer hij zegt dat moreel alles hetzelfde zou blijven wanneer zou worden vastgesteld dat de mens van de apen afstamt.

De radicale interpretatie van het werk van Darwin die tegenwoordig opgang maakt, heeft wel degelijk consequenties voor ons mens- en wereldbeeld en zelfs voor zingeving. Wat hedendaagse volgelingen van Darwin van voorgaande onderscheidt, is een accentuering van wat men de positieve consequenties zou kunnen noemen. Lange tijd heeft men het darwinisme gezien als iets dat de mens omlaag zou halen. Populaire televisieprogramma's als die van Desmond Morris bevestigen dat: de mens is slechts een dier.

De laatste jaren zie ik echter een omslag. De mens wordt niet gezien als slechts een dier, maar het dier wordt gezien als bijna menselijk. En waarom eigenlijk niet? Waarom zouden we het niet van een andere kant bekijken en zeggen: het darwinisme haalt de mens niet omlaag, maar het dier omhoog? De mens is niet een naakte aap, zoals we van Desmond Morris voorgespiegeld hebben gekregen, maar het dier is een nog niet aangekleed mens. Misschien is dat wel de boodschap van het darwinisme voor deze tijd: dat we het dier en de rest van de natuur zouden moeten 'aankleden'.

Hoe zou het darwinisme overeenkomstig dit gezichtspunt onze levensbeschouwing kunnen veranderen?

Allereerst: het darwinisme zal onze kijk op de verhouding tussen mens en dier herzien. Reeds ten tijde van Darwin vindt men hiertoe de aanzetten. Zo vermoedt de Amerikaanse botanist Asa Gray (1810-1880) dat we bezwaren tegen de evolutieleer hebben vanwege de implicaties voor de moraal en in het bijzonder voor de wijze waarop we dieren behandelen. Immers wanneer we zouden erkennen dat mensen van dieren afstammen, dan zou het moeilijk zijn om te ontkennen dat dieren gelijke rechten hebben als mensen.

De Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens zou over vijftig jaar wel eens een Universele Verklaring voor de Rechten van Levende Wezens kunnen zijn.

Een tweede consequentie van het darwinisme betreft ons mensbeeld. Bij Gray vinden we ook een andere invulling van het begrip 'menselijk'. Traditioneel werd 'menselijk' altijd gecontrasteerd met 'dierlijk'. De verhoging van de mens had daarmee altijd als pendant het verlagen van het dier. Eeuwenlang hebben mensen hun menselijkheid gedefinieerd door zich te onderscheiden van het dier. Het mooie, verhevene, eigene van de mens was altijd wat het dier moest ontberen - waardoor het dier slechts een dier was. Maar is dat wel terecht? Wolven zijn sociale dieren, maar in uitdrukkingen als 'de mens is de mens een wolf' (homo homini lupus) wordt het dier afgeschilderd als een ethische ondergrens. Hetzelfde is eeuwenlang gebeurd met haaien, krokodillen en andere dieren. Maar terecht is dat niet. Het darwinisme dat ons leert dat we een dier onder de dieren zijn is bezig dit perspectief geleidelijk te veranderen.

Een derde consequentie zou kunnen zijn dat we dieren niet meer instrumenteel mogen gebruiken voor onze doeleinden. Wanneer de mens een dier onder de dieren is, dan is het niet zo vanzelfsprekend dat we een baviaan opensnijden om een van diens organen in een mens te implanteren, wanneer die mens daar behoefte aan heeft. We snijden tenslotte ook een zwarte niet open om tegen diens wil zijn nier in een blanke te implanteren, wanneer deze laatste daaraan behoefte heeft. We halen ook de lever bij de vrouw er niet uit, wanneer de man daaraan behoefte heeft. De reden daarvan is kennelijk dat we zoiets moreel verwerpelijk achten. In een lange morele evolutie zijn we eraan gewend geraakt dat blanke mannen niet meer rechten hebben dan vrouwen en zwarten. Zou dan ook het ondergeschikt maken van de belangen van niet-menselijke dieren aan die van menselijke dieren niet een vorm van reactionaire discriminatie kunnen zijn?

Een vierde punt betreft onze eetgewoonten. Zelfs onze eetgewoonten zijn een primitief soort kannibalisme, wanneer we ons realiseren dat we niet van de dieren afstammen, zoals we geneigd zijn het verzachtend uit te drukken, maar dat we dieren zijn. Voor een hautaine afwijzing van kannibalisme is in het nieuwe perspectief geen grond meer. Of we zouden moeten ophouden met vlees eten, maar daar is slechts een minderheid aan toe.

Als vijfde tenslotte verwijs ik naar de betekenis die we hechten aan onze geschiedenis. Misschien moet ook wel onze hele geschiedenis worden herschreven als consequentie van het darwinisme. De grote religieuze leiders uit het pre-darwinistisch tijdperk waren Jezus, Boeddha en Confucius, die de eenheid van alle mensen en de menselijke waardigheid beklemtoonden. Maar weerspiegelt zich in wat wij een groot moreel leider noemen niet ons vooroordeel over wat wij belangrijk vinden: onszelf namelijk? Jezus belooft onsterfelijkheid voor mensen. Zou het niet kunnen zijn dat de morele genieën van de toekomst mensen zijn als Gandhi of Albert Schweitzer die respect voor alle levende wezens proclameerden of zelfs Jane Goodall die ons dichter tot de apen heeft gebracht?

Wanneer we het serieus doordenken is het darwinisme en de evolutieleer dus veel meer dan een biologische theorie. Het is een theorie die ons hele mens- en wereldbeeld overhoop haalt. Wilberforce en andere kritici van het darwinisme voelen dat heel goed aan. De KNAW minder.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden