Ebbe Rost van Tonningen Loyaliteit heeft een grens

Ebbe Rost van Tonningen (Schalkhaar, 1943) is econoom, gemeenteraadslid en ondernemer. Onlangs verscheen zijn boek 'In niemandsland - de vader verloren, de moeder verstoten', waarin de schrijver wil laten zien hoe hij het nationaal-socialistische verleden van zijn ouders achter zich heeft kunnen laten.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben
"Twee keer per dag loop ik met de honden door de natuur. Daar, in die onbeschrijfelijke schoonheid, voel ik het meest de nabijheid van iets wat ik nu maar even het goddelijke zal noemen. De wereld is een ongeëvenaard kunstwerk, in miljoenen jaren opgebouwd, iets waar we zuinig op moeten zijn.

Als ik al een taak heb in dit leven dan ligt die misschien hierin besloten dat ik mijn ideeën uitdraag over hoe wij met de aarde zouden moeten omgaan - stoppen met roofbouw plegen op onze bronnen - en een gemeenschap probeer te vormen met mensen die het leven voor iedereen zo verantwoord mogelijk willen inrichten. Dat zou je humanistisch kunnen noemen, maar het christendom is voor mij ook een belangrijke inspiratiebron geweest.

In de beginjaren zeventig kreeg ik een baan als coördinator van een kerkelijke gemeenschap van remonstranten en vrijzinnig hervormden. Op die plek ben ik veel voorbeeldfiguren tegengekomen. Dominees, pastorale medewerkers; mensen die werkelijk naar anderen wilden luisteren. Het idee van naastenliefde, verantwoordelijkheid dragen en het uitzicht op een hiernamaals heb ik ook van thuis uit meegekregen, alhoewel het leven na de dood er voor mijn moeder - die in de Germaanse mythologie geloofde - wel heel anders uitzag.

Voor haar was het bestaan van walhalla, de plek waar zij met haar man herenigd zou worden, het belangrijkste element van haar geloof. Igedere zaterdagavond las ze ons voor, zoals uit Nils Holgerssons wonderbare reis, in de hoop dat de levenslessen daarvan bij ons zouden aanslaan. Overtuigender was ze in het overbrengen van haar liefde voor de natuur. Ze keek altijd naar buiten, wist alle vogelgeluiden te onderscheiden, vertelde fascinerende verhalen over haar werk vroeger, als biologe, bij Artis. Het heeft mij altijd verbaasd hoe zij zich, met haar extraverte karakter, in haar eenzaamheid na de oorlog staande heeft kunnen houden. Ik weet nu dat dáár het antwoord ligt: de natuur heeft haar een leven lang geboeid en getroost."

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is
"Volgens mij buigt onze samenleving voor het gouden kalf. Onze economie is gestoeld op het principe van de oneindige behoeften en beperkte middelen. In plaats van ons te bezinnen op ons gedrag, jagen we die behoeften nog verder op. Het is een jacht zonder einde. Een exponent daarvan is de Amerikaanse bankwereld. Daar is de ellende begonnen. Gewetenloos graaien, torenhoge hypotheken verstrekken, geld lenen aan landen die met elkaar in oorlog zijn. En hier wist de president van de Nederlandsche Bank, Nout Wellink, zogenaamd niet hoe die crisis kon ontstaan. Vroeger nam een kapitein alle verantwoordelijkheid op zich en verliet als laatste het schip. Bankiers deden het tegenovergestelde: ze pikten het geld van een ander en voelden zich nergens verantwoordelijk voor."

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken
"Wanneer kom ik tot iets wat op een gebed lijkt? Als ik in de problemen zit. Ik kan me dus goed voorstellen dat God, als hij bestaat, zegt: 'Nu je me nodig hebt begin je te bidden, maar als alles goed gaat hoor ik je niet'.

Ik heb moeilijke perioden gekend. Ik was een soort hogedrukpan en als het deksel eraf vloog en de emoties overkookten, begrepen de mensen met wie ik omging, de mensen van wie ik hield, niet waarom mijn reacties zo intens waren. Ik zag ze denken: dit kan ik toch niet allemaal teweeg hebben gebracht? Ik was twintig, dertig, en ik had geen goede kijk op mezelf; ik kon niet zien hoe sterk dit allemaal met mijn verleden te maken had. Ik vereenzaamde en raakte in een isolement. Ik zag wel hoe ik mensen van mezelf vervreemdde maar ik kon niet begrijpen waarom ik dat deed. Dat waren de momenten waarop ik dacht: is er dan niemand die mij begrijpt?

Er waren leraren, parels in een wereld die mij zo vijandig toescheen, die persoonlijke belangstelling toonden. Ook dominee Overdiep wilde, toen ik ontslag aankondigde bij die kerkgemeenschap, weten wat er in mij omging. Hij had voldoende pastorale ervaring opgebouwd om te weten dat ik niet zo maar weg wilde; dat er meer aan de hand was. Die momenten, waarop ik door iemand werd gezien, gaven mij keer op keer een geweldige opluchting."

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen
"Alles wordt vercommercialiseerd, dus ook de zondag. Marx heeft gelijk: normen en waarden zijn gestoeld op economische verhoudingen. Ik zei het je al: we zijn in de ban van het gouden kalf. Nog altijd. Terwijl steeds meer mensen door het ijs zakken. Ze kunnen hun hypotheek niet meer betalen, raken werkeloos, ontvangen het pensioen niet waar ze op hadden gerekend... Kennelijk moeten we nog dieper in de crisis geraken voordat we rijp zijn voor verandering. Ik zie het als een lenteachtige ontwikkeling: onder de grond groeit er al van alles - mensen verwerken persoonlijke onvrede, vormen groepjes, zoeken alternatieven - en straks komen de bloemen pas boven waaronder, hopelijk, een exemplaar dat van al die nieuwe plannen één samenhangend verhaal weet te maken."

V Eer uw vader en uw moeder
"Als ik aan mijn moeder denk dan zie ik haar voor me in een grote stoel, met een glas port in haar hand. Ze ziet mij al van verre aankomen. 'Ha, Ebbe!' Geïnteresseerd en warm. Zo wil ik mij haar herinneren.

Ze wist, denk ik, niet waar ik als jongetje mee worstelde. Als kinderen niet naar de klassenavond bij ons thuis kwamen, wuifde ze dat met het grootste gemak weg. Ze was wat dat betreft niet te imponeren. Het lag aan de ander, nooit aan ons. Ze poneerde haar stellingen en zei: 'Daar hoeven we verder niet meer over te discussiëren'. Het kwam niet in haar op dat ik misschien wél dacht dat het aan mij lag... Een joods meisje met wie ik hand in hand over het schoolplein liep, wilde van de ene op de andere dag niet meer met mij gezien worden. Ik dacht echt dat ze mij niet meer aardig vond. Kinderen wilden soms niet naast me zitten, niet bij mij komen spelen - het kon toch niet anders dan dat ik gewoon geen leuke jongen was?

Ik vroeg geen aandacht van mijn moeder. Als ik verdrietig was, of het haar moeilijk maakte met pubergedrag, miste zij de steun van een man. Ze vond mij haar lastigste zoon. Ze stuurde mij een keer naar een heropvoedingsschool waar mij manieren zouden worden bijgebracht, maar toen ik haar in een brief schreef dat er ratten rondliepen kwam ze me na een paar dagen alweer ophalen. Ik was recalcitrant, het was een protesthouding zonder redenering; ik was boos, maar wist niet goed waarom.

Later, toen ik een jaar of twintig was, raakten we nog verder van elkaar verwijderd. Ik vond het verschrikkelijk dat ze zich keer op keer liet verleiden om over Hitler en het nationaal-socialisme te praten. Op een gegeven moment moest ik zeggen: 'Als je werkelijk geen rekening met ons wilt houden, dan zijn we nu uitgesproken en zal ik mij van jou distantiëren'. Toch heb ik mij nooit helemaal van haar afgekeerd. Dat kon ik niet. Ze was mijn moeder en ik hield van haar.

Ik heb mijn vader niet gekend. In de kinderboeken die mijn moeder heeft bijgehouden staat dat mijn vader dol op mij was, maar die opmerking doet mij betrekkelijk weinig omdat het niet mijn eigen ervaring is geweest. Mijn vader was er niet. Dat was een gegeven. Wat had het voor zin om daar over te klagen? Ik liet alles over mij heenkomen, ook al waren het vernederingen Ik vond mezelf te onbelangrijk om iets, wat dan ook, te claimen. Of om assertief te zijn...

Weet je, het is nog altijd lastig om mij over mijn ouders uit te spreken. Ik hoop echt dat je ons gesprek genuanceerd wilt weergeven. Ik wil niet dat mensen gaan denken dat ik in dezelfde hoek als mijn vader zit, bijvoorbeeld als ik uitspreek dat ik hem op een bepaalde manier ook kan eren. Zo heb ik bewondering voor zijn groot maatschappelijk engagement. Wat mij aanspreekt is dat hij een topjob bij de Volkerenbond in Oostenrijk opgaf en genoegen nam met een minimaal salaris. Dat hij zich vervolgens heeft ingezet voor de NSB, de beweging waar hij op dat moment hartgrondig in geloofde, was achteraf gezien tragisch. Zeker toen hij het kritieke moment liet passeren waarop hij had moeten afhaken. Dat zal met de militaire achtergrond van zijn familie te maken hebben gehad: een eed afleggen en trouw zijn, tot de dood erop volgt. Hij was - voor zo ver ik dat heb kunnen nagaan - iemand die zich oprecht heeft ingezet voor iets waarvan hij dacht dat het het beste was voor ons land. Er is maar één vechtpartij in de Tweede Kamer geweest en die vond plaats tussen mijn vader en Henk Ruijter van de Roomsch-katholieke Staatspartij die hem na een debat voor landverrader had uitgemaakt. Dat pikte mijn vader niet.

Die drift heb ik overigens van hem geërfd. Ik voel, als mensen met twee maten meten of mij vals beschuldigen, een zelfde soort woede opkomen. Tegenwoordig gaan er waarschuwingslichten branden, maar het heeft lang geduurd voordat ik mijn woede een beetje in balans leerde te houden. Ik heb mij enkele jaren diepgaand met het leven van mijn ouders bezig gehouden en ik realiseer mij dat we - om het in hun termen uit te drukken - over hetzelfde erfelijk materiaal beschikken. Ik heb potentieel veel kracht meegekregen. Het enige wat ik moest leren te doen was die kracht op een andere manier te gebruiken dan mijn ouders hebben gedaan."

VI Gij zult niet doodslaan
"Mijn vader is op 6 juni 1945 in de Scheveningse strafgevangenis vermoord. De officiële lezing is nog altijd zelfmoord. Hij zou depressief zijn geweest maar daar heb ik niets over terug kunnen vinden. Wat ik wel heb kunnen lezen is hoe luguber zijn einde is geweest - zo gruwelijk dat ik er niets over in mijn boek, 'In niemandsland', heb willen opschrijven. Al in 1949 heeft H. W. Van der Vaart Smit een brochure over die misstanden geschreven, maar ja, hij was een NSB'er en al de getuigen die hij opvoerde waren ook NSB'ers geweest, waardoor dat hele verhaal als onbetrouwbaar kon worden afgedaan. In 2000, tijdens een uitzending van 'Het Zwarte Schaap', gaf oud-verzetsman Van der Leeuw toe dat mijn vader 'gezelfmoord' was. Hij zou zo vreselijk zijn behandeld dat hij uiteindelijk over de reling is gesprongen. Toen ik Van der Leeuw een jaar na die uitzending thuis opzocht, wilde hij de bron van zijn uitspraken niet prijsgeven. En Hans Blom (tot 2007 directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, AV) zei laatst in het televisieprogramma 'Pauw & Witteman', waar hij te gast was om over mijn boek te praten, dat ik te veel een complotdenker was, maar het was wel degelijk een georganiseerd stilzwijgen

Ik weet dat mijn vaders dood er één is in een oceaan van ellende die de Tweede Wereldoorlog heet, waarvan het nationaal-socialisme zelf een belangrijke aanstichter was. Ik moet mezelf er rekenschap van geven dat mensen zich niet druk maken over de moord op een NSB'er, maar voor mij is het haast een geestelijke marteling geweest om mijn moeder, iedere keer als ik haar zag, te horen spreken over de dood van haar man. Ze was een gewonde vrouw, en ik vond het verschrikkelijk om haar te zien lijden. Ik begrijp het wel, ze was zelf ook niet bepaald een democratisch rolmodel, maar ze had nog altijd het recht om te weten wat er met haar man was gebeurd. En wat mijn vader betreft: Oostenrijkse vrienden, die zelf in een concentratiekamp hebben gezeten, schreven mij dat hij iemand was die altijd voor zijn mening stond, iemand die nooit zou wegkruipen en dat het voor iemand met zijn karakter ondenkbaar is om zelf te springen. Je kunt dus van alles over hem zeggen, maar een lafaard was hij niet."

VII Gij zult niet echtbreken
"Toen ik ooit een rechter, gespecialiseerd in echtscheidingsvraagstukken, vroeg of het klopte dat mensen om het minste geringste uit elkaar gaan, antwoordde hij: 'Er wordt niet zozeer lichtzinnig gescheiden, als wel lichtzinnig getrouwd'. Dat heb ik goed in mijn oren geknoopt. Ik was tot mijn veertigste vrijgezel. Ik heb mij goed voorbereid op het doen van een belofte die ik steeds na wil blijven komen. Als ik dreig af te dwalen gaat het over gevierd worden. Succes kan verslavend werken omdat je daarmee in de belangstelling staat - op die momenten ben ik misschien een minder attente echtgenoot.

Aandacht is nog steeds een onderwerp dat voor mij, met mijn achtergrond, gevoelig ligt. In mijn jeugd was oprechte aandacht een zeldzaam goed omdat ik meestal werd geïdentificeerd met de problemen waar ik zelf niet veel van af wist. Dus als iemand aandacht aan mij schonk, ging ik voor zo'n persoon door het vuur.

Ik kon mij heel lang niet voorstellen dat een vrouw haar leven met een onbelangrijk iemand zoals ik zou willen delen; dat ze mij zou kunnen nemen voor wie ik ben. Inmiddels durf ik het wel te geloven, maar ik wil het nog vrij vaak horen."

VIII Gij zult niet stelen
"Op een dag - we woonden in Den Haag en we hadden heel weinig - zag ik op straat een tennisracket liggen. Ik vermoedde dat het per ongeluk door iemand was achtergelaten. Het was voor mij onmogelijk om aan zoiets begeerlijks weerstand te bieden. Ik nam het mee naar huis en de eigenaar heeft zich nooit gemeld. Grotere diefstallen heb ik niet op mijn naam staan."

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste
"Mijn oudste broer heeft het pionierswerk gedaan. Hij had de houding van: 'Ja, ik ben de zoon van, dus kom maar op'. Tijdens de commotie rond het pensioen van mijn moeder (in 1986 raakte publiek bekend dat Florrie Rost van Tonningen een weduwenpensioen kreeg - en zou blijven krijgen - omdat haar man parlementslid was geweest, AV) en het voor mij op dat moment, zakelijk gezien, niet handig was om steeds maar vragen over die naam te moeten beantwoorden, zei ik dat ik Van Tonningen heette. Tot iemand zei: 'Het is maar goed dat u geen Rost van Tonningen heet!' Toen ben ik er maar mee opgehouden. Er is geen ontkomen aan. Bovendien: zonder 'Rost' voel ik mij toch een beetje geamputeerd."

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is
"Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit jaloers ben geweest op kinderen die 'gewone' ouders hadden, of dat ik een ander leven zou hebben gewild. Een kind accepteert de situatie zoals die is. Mijn broer ging op zijn vijftiende het huis uit - hij kon niet langer met mijn moeder onder één dak leven - maar ik was juist degene die het gezin bij elkaar wilde houden. Het is heel lang het leidmotief in mijn leven geweest. Ik heb moeten leren dat het niet altijd mogelijk is om iedereen bijeen te houden, dat loyaliteit een grens heeft, dat ik mij moet neerleggen bij het feit dat ik het negatieve beeld van anderen niet kán veranderen. Ik ben wijzer geworden. Gelukkiger ook. Mijn vrouw heeft daarin een grote rol gespeeld. Zij is het die op het juiste moment zei dat ik mij niet moest laten meeslepen. En de stap van rancune naar geweld is maar een hele kleine, dus stop ermee. Het heeft geen zin om kwaad te blijven op mensen die niet willen luisteren, of om mij te blijven ergeren aan de hypocrisie van het establishment. Van die ergernis gaat niemand zich beter voelen. Het is veel verstandiger om de vrede te zoeken in mijzelf."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden