E. Schippers naast God.

Opa Albert Bouwmeester(1866) was tijdens zijn hele werkende leven turfschipper. In Hoogeveen vooral woonde zijn familie en voorgeslacht. Toen hij en zijn vrouw Jantje Hartman(1867) oud geworden waren, gingen ze wonen in Schoonhoven; in een klein arbeidershuisje aan de Wal, op weg naar het kerkhof, waar hun oudste dochter Femmie(1884) woonde.

Fem was getrouwd met Arie van Dam(1884). Oom Arie beheerde het kerkhof en het was voor ons altijd een feest om daar even te vertoeven. We speelden met de zwartgelakte kruiwagens en reden rondom de graven. Vader wees ons de graven van zijn familie. Wij mochten gras knippen en dat voeren aan de vele konijnen , die oom Arie fokte. Hun kinderen waren al uit huis; er woonden er twee in Schoonhoven, Cor, de oudste dochter, was getrouwd met Huub de Goey , die in zilver deed. Vanaf het kerkhof had je een prachtig uitzicht over de Lek. Je zag de bedrijvigheid bij het pontveer naar de overkant. Schoonhoven zelf was een rustiek, gezellig stadje.

Vlak voor Sinterklaas, ik denk in 1941, bracht vader mij achterop de fiets bij opa en oma. Hij moest in één van de dorpen in de buurt preken. Ik mocht blijven logeren en werd met liefde omringd door opa en oma. Aan de hand van opa ging ik naar het kerkhof om bij tante Fem en oom Arie een praatje te maken; naar de rivier om te kijken of er bekende schepen en/of schippers waren; naar het dorp om scheerzeep en tabak te kopen. Ook mocht ik met hem mee naar de Lek, waar opa heel vaak viste met zijn lange hengel. Misschien heb ik daar mijn liefde voor hengelsport opgedaan. In de laatste oorlogsjaren stuurde Opa ons, in Rotterdam, nogal eens een pak met vis. Snoekbaars, snoek, karper of brasem, die hij had gevangen. Hij verpakte het in dik, geolied papier. De bodedienst kwam het bezorgen en altijd had het “gelekt” en rook het naar vis, ‿..niet al te fris. Maar smullen werd het ! Zelfs de koppen werden “uitgeplozen”: wangetjes en het tongetje.

Oma was altijd bedrijvig in haar kleine huis. Ze was gewend aan kleine behuizing in een roef. De tafel met pluche stond voor het raam en er boven hing een koperen petroleumlamp. Het was vroeg donker en als ik naar bed moest, stak opa een draagbare petroleumlamp aan, waarmee we langs het laddertje naar de vliering gingen. Daar hadden ze een bed voor mij klaar gemaakt. Het luik bleef open, zodat ik hen zachtjes kon horen praten. Het was een piepklein huisje.

Opa’s laatste schip heette deAMICITIA. Dat schip kende ik alleen van foto’s. Onder het vissen, als er schepen voorbijvoeren, vertelde opa over de scheepstypen: de tjalken, de klippers, de kasten(jes), de pramen, de spitsen, de steilstevens, de kempenaars, de hagenaars of de sleepboten met 3 of 4 rijnaken er achter; een parlevinker. Ik wilde later ook schipper worden !

Ik vierde daar het Sinterklaasfeest en ik kreeg een netje met gekleurde knikkertjes; kalkjes en een klein doosje met kleurkrijtjes. Ik was er erg blij mee. Ik heb nu het gevoel dat het binnen altijd donker was. Ik denk dat ze heel sober leefden. Ik mocht het groentenafval bij de konijnen van oom Arie brengen. Ik houd er heel warme herinneringen aan over. Dat waren dus mijn andere opa en oma, waar we niet zo vaak kwamen als bij opa en oma in Voorburg. Ik kan me niet herinneren of ze ooit bij ons in Rotterdam zijn geweest. Vader had van beiden een portret geschilderd. Ze keken vanaf de muur in Rotterdam op ons neer. Die portretten zijn naar Egbert gegaan. Hij kwam later nogal vaak in Schoonhoven en weet veel meer van onze familie daar.

Voor ons jongens thuis had opa twee stuks speelgoed gemaakt, die ik nooit zal vergeten. Uit een massieve grenen balk van ca. 60 cm., had hij met beitel en guds de romp van een klipper-zeilschip gemaakt. De roef had een zinken dak en er waren zwarte ronde raampjes op de zijkant geverfd. De romp was tot aan de waterlijn geverfd met aluminiumverf en de onderkant zwart. De mast was ca. 60 cm lang en je kon het grootzeil, met gaffel en giek, ophijsen en laten zakken. Ook de fok was hijsbaar vanaf een kleine boegspriet. Je kon er mee varen in onze Bergsingel, maar hij lag erg diep, vanwege het gewicht van de dikke romp en hij sloeg meteen om. Later heb ik er, van een platgeslagen blikken bus, een schecht onder gemaakt en verzwaard met een stuk hoekijzer onderaan. Hij zeilde langzaam en lag tot aan de gangboorden in het water. De beweegbare helmstok van het roer kon je instellen tussen een rij koperen spijkertjes.

Het tweede stuk speelgoed was zo nog mooier. Het was een mooie, lange, smalle, gelakte kist van mahoniehout. Hij ging open met glanzende koperen scharnieren en dicht met twee koperen sluithaakjes. Er lagen drie stokken in (ook van mahonie) die aan één kant aan elkaar waren bevestigd, zodat je ze kon uitklappen tot een driepoot. Aan het uiteinde zaten ijzeren punten. Alles afgewerkt met koperen beslag en gevernist. Boven in de driepoot waren twee koperen ogen, waardoor je twee koperen buizen/roeden kon steken. Dit waren de geleiders voor een zwaar koperen heiblok. Ook was er een koperen katrol waardoor een stuk touw kon gedaan worden. In de kist bevonden zich ook een aantal gepunte, vierkante, houten haringen van ongeveer 30 cm. lang: de heipalen ! In de grote zandbak deden we daarmee de heiers na, die in Rotterdam naam gemaakt hadden. De eerste jaren hield vader deze kist onder zijn hoede en poetste al het koperwerk. Later mochten we er vrij mee spelen, als we er maar zuinig mee deden.

Oom Meine Gort(1889) was ook schipper. Hij was getrouwd met tante Nies(1891), een zuster van tante Fem en van vader. In de oorlog woonden ze op hun schip: de “Ora et Labora”. Hun zoon Albert (Ab)(1929) was schippersknecht en de oudste zoon Gerrit(1920) had zelf een schip. Gerrit was ruim een half jaar bij vader en moeder in Andel als pleegzoon.

Oom Meine kwam, na de oorlog, nogal eens langs, als zijn schip in één van de Rotterdamse havens met vracht lag. Meestal in de Maashaven. Bijna altijd nam hij een fles Eau de cologne 4711 (4 dochters en 7 zonen, samen 11 ??) mee voor moeder. Hij had een vriendelijk gezicht met veel lachrimpels en grote, harde handen van het zware werk aan boord. Ik adoreerde deze sterke, vrolijke man. Als hij langskwam, ging ik altijd een kijkje in de haven en aan boord nemen. Je moest soms over 5 of meer binnenvaartschepen heen. Eerst tante Nies begroeten en dan in het ruim kijken en dan in de roeiboot. Er was maar één roeiriem, dus moest je wel wrikken. Mooi werk langs al die binnenvaartschepen.

In 1941 kwam hij langs Andel met een lading turf. Wij gingen er meteen op af. Wat was het knus en gezellig in dat kleine roefje, waar veel gepoetst koper je tegemoet blonk. Op en in het fornuis werd gekookt en gebakken met hout en met turf. De kookplaat met drie gaten met ringen, was rondom afgezet met een soort koperen reling. Hierdoor konden de pannen niet van de kookplaat op de grond glijden bij het zeilen met flinke wind. Het mooiste vond ik de kooi in het achterschip met het kleine ronde raampje naast het roerblad. En overal op en in het schip rook het naar pek, koolteer, bruinteer, carboleum, olie en smeer, verf en rode menie, terpentijn en petroleum. Ik leerde het verschil tussen grote gestoken turven en kleine gesneden baggerturf; over hoogveen en laagveen. En wat rook turf toch lekker !. Net als al dat hout.

Tante Nies heeft meermalen verteld hoe vader vroeger als schippersknecht studeerde aan boord, voor zijn studie staatsexamen gymnasium. Oom Albert, zijn broer, vertelde dat vader op het jaagpad in de trekzeel hing om het turfschip voort te trekken bij ongunstige wind. Zijn Latijnse leerboek hield hij voor zich om te studeren. Je kon hem aan boord horen, hardop inprenten van de grammatica. Toen hij later in Kampen voor predikant studeerde, werkte hij als klerk-notaris om in zijn levensbehoeften te voorzien. “Predikant worden“ was zijn doel en met dat ideaal voor ogen, waren grote inzet en wilskracht noodzakelijk.

In 1976, toen ik in Lelystad woonde, had ik mijn zeilboot de “GIEJAS” (beginletters van ons gezin) liggen naast de woonboot van gepensioneerd sleepboot-kapitein Smit. Na een zeiltochtje dronk ik vaak een kop koffie bij deze vriendelijke oudere mensen. Eens vertelde Smit me, dat zijn moeder vroeger de vuurtoren van Schokland bediende, toen er nog bewoners waren. Hij herinnerde zich, dat ene turfschipper Bouwmeester er wel eens het weekend overbleef als hij de Zuiderzee moest oversteken naar Amsterdam. Deze had een zoon die voor predikant studeerde in Kampen en die vroeg dan of hij, om te oefenen, ‘s zondags mocht voorgaan in de dienst des woords, in het oude kleine kerkje. “Is dat nog familie van jou, misschien ? “ , vroeg hij. “Dat was mijn vader”, zei ik. “Dat kan niet”, zei hij, “want dat is veel te lang geleden”. Toen ik zei, dat mijn vader van 1898 was, bleek toch dat het vader moet zijn geweest, onder wiens gehoor hij als jongen had gezeten. “Ze hadden een houten tjalk met een kattenrug(=een knik midscheeps)”, wist hij nog te melden, “en ze voeren met turf. Dat schip was niet vooruit te branden”.

Oom Meine heeft lange tijd ook predikant art.8 (singuliere gaven) willen worden. Hij besprak de mogelijkheden vaak met vader, maar deze zag het voor Meine niet zitten. Dat vond deze erg genoeg. Vader bleef ook altijd geboeid door de zeilvaart en het schippersberoep. In 1941 met vakantie heeft hij in Giessen van een oud kerkeraadslid een houten sloepje mogen lenen, waarop zeiltjes en zwaardjes waren aangebracht. We vertrokken richting Woudrichem en op een oude foto zie je een aantal kinderen op de bodem zitten. De wind was tegen en we laveerden eindeloos met het diepliggende bootje. Uiteindelijk gingen we bij Woudrichem de hoek om, de Merwede op, richting Sleewijk. Moeder fietste mee over de dijk en wilde dat vader overstag ging, en terug keerde naar Giessen. Ik herinner me dat ze heel erg bang was, net als wij langzamerhand: dat kleine bootje op die grote rivier!. Het weer was ook omgeslagen en het was zachtjes gaan regenen. Wij kregen het koud en werden nat en het zeilplezier was al niet zo groot meer. Twee van ons werden van boord gehaald en konden achterop bij moeder op de fiets. Pas laat in de middag arriveerden we bij de steiger en de eigenaar was ook blij dat wij allemaal behouden terug waren. Schipper naast God voelde vader zich. Gelukkig dat God naast vader had gezeten!

Over oom Meine gaat nog een leuk verhaal. Hij ruilde vaak turf tegen andere producten in natura: bijvoorbeeld drie turven tegen 1 ei. Dat gebeurde bij eén van de twee zusters van Van Wijgerden, Dina, die met haar broer en andere zuster aan de dijk even voorbij Rijswijk naar Woudrichem woonde. Toen oom Meine de mand met eieren kreeg overhandigd, zag hij dat er bijna alleen kleine henne-eieren in lagen. “Dat zijn wel heel kleine eieren, Dina”, zei hij. “Onzin”, zei Dina, “een ei is een ei !”. Het jaar erop was er weer zo’n ruil aan de orde: ei tegen turf. Oom Meine had toen in de hoek van het ruim een stapel kleine turfjes apart gehouden. Die gingen naar het turfhok en tegen de luid protesterende Dina zei hij: “Onzin, Dina, een turf is een turf !”. Dit

verhaal werd vaak aangehaald, vooral in situaties waarbij een andere ongelijke ruil plaats vond.

In de vakantie van 1944 heb ik dé gebeurtenis van mijn leven meegemaakt. Het begon zo: Oom Meine lag met de ORA ET LABORA voor de wal bij Andel. Moeder en ik gingen aan boord over de lange, zwiepende loopplank en ik zag hoe oom Meine de grote mand vol turf uit het ruim omhoog hees, met behulp van de giek als hijsboom. De giek met mand draaide naar de wal en daar was de boer, die turf kocht, aanwezig om de mand om te keren op zijn boerenwagen. Diep in het ruim zag ik Ab bezig: hij vulde telkens de mand en was helemaal zwart van het turfstof. Je zag het wit van zijn ogen en tanden afsteken. Hij wenkte. Via de ladder ging ik omlaag en moest natuurlijk helpen; ik wilde immers ook schipper worden ! Om nog meer op Ab te lijken, smeerde ik mijn gezicht en handen goed in met het turfstof. Ab lachte naar me en ik voelde me heerlijk. Toen we naar de roef gingen voor koffie en ranja, raakte tante Nies helemaal van streek door mijn uiterlijk. Er vielen harde woorden en mijn geluk veranderde in verdriet. Maar Ab, oom Meine en mijn moeder namen het op voor de kleine schipper. Het mooiste was, dat oom Meine zei, dat ik de volgende dag mee mocht varen. Om acht uur was ik present. Het was prachtig zomerweer en er stond een leuke bries. Prachtig was ook dat grote bruine zeil dat langzaam omhoog werd gehesen met behulp van de lier bij de mastvoet. Prachtig zoals oom Meine en Ab samen werkten; hoe ze samen aan de fokkeval hingen om die grote, bruine driehoek omhoog te krijgen. Toen het anker vol grijze druipende klei omhoog gehaald was met de harde metalen tik van de lier, kwam er beweging in het schip. De zeilen vulden zich en met halve wind ging het naar de sluis. Al die tijd had ik over het deurtje van de roef sprakeloos toegekeken. Maar toen we in de sluis aangemeerd lagen, nam oom Meine me onder de arm mee naar voren, naar de mast. Met een touw bond hij me vast aan de mastvoet op een opgevouwen groot stuk zeildoek. Van hieruit kon ik alles goed zien, zonder gevaar. We zeilden de sluis uit en het feest begon: oom Meine trok de grootschoot aan en de ORA ET LABORA ging een beetje schuin hangen, waarbij de snelheid van het schip toenam. Je hoorde het bruisen van de boeggolf en het zingen van de wind in de zeilen en touwen. Daar lag Loevestijn en aan de andere kant Woudrichem. We draaiden de Merwede op en toen begon het grote feest pas echt.. Oom Meine stuurde het schip scherp tegen de wind in, waardoor we echt schuin gingen. Ik zong en neuriede met de wind mee, maar tante Nies riep oom Meine over het roefdeurtje tot de orde, omdat de pannen over het fornuis schoven. We gingen verschillende keren overstag en dat was een feest apart. De enorme giek die overkwam; een grote boom. En de gaffel boven draaide mee. De klapperende zeilen die zich ineens weer vulden met wind. Het afvallen en weer oploeven als het zwaard kreunend de druk van het water opving. We koersten op Gorcum aan. Onvergetelijk en van grote invloed op mijn latere leven was deze zeiltocht: De kleine mens in gevecht met de elementen wind en water en dat omzetten in energie en snelheid. Als je naar boven keek, die enorme mast en al die touwen en staalkabels; vallen en verstaging. En hoog daarboven de blauwe lucht met witte wolken en de trillende windvaan. Alles strakgespannen, de zeilen gevuld met wind en geluiden.!!! En weer gingen we overstag; opnieuw sjouwen en sjorren aan de schoten en weer het ophalen en neerlaten van de grote zwaarden. Hijgend en lachend naar elkaar en naar mij. En dan ineens was de wind bijna weg door de invloed van de wallekant met o.a. bomen bij de ingang van het Merwedekanaal. In het gangboord had Ab de motor gestart, die een lange stang aandreef, waaraan een ronddraaiende schroef zat. Hij liet de stang zakken onder water en we gingen op de motor richting sluis. De zeilen klapperden en werden omlaaggehaald en voorlopig opgebonden. De rust keerde weer in het grote schip en ik zat nog steeds op mijn plekje bij de mast. Wat hadden die mannen hard gewerkt en wat konden ze samen zo’n groot schip krijgen, waar ze het hebben wilden: aan de kade, veilig vast aan dikke landvasten. De houten stootwillen beschermden de boorden van het schip. Ab trok de lange, zwiepende loopplank op de kade.

Er werd geroepen aan de kant. We zagen vader via de loopplank aan boord komen. Die was er dus al. Hij was met de fiets naar Sleewijk gereden en had daar de pont naar Gorcum genomen. Bij hem achterop zou ik terug rijden.

Toen we later in de sluis lagen, dronken we binnen in de roef koffie en limonade en we kregen zelfgerookte paling met brood. Verrukkelijk !!

Nu ik het toch over paling heb, oom Meine vertelde het volgende verhaal : varend richting Rotterdam, even voorbij Zaltbommel, zag Ab een dood paard in de rivier drijven. De opgezwollen ronde buik van het verdronken dier was goed te zien. Het anker ging uit en met de roeiboot en een touw werd het kadaver tot op het strandje tussen de kribben getrokken. Enkele japen met het grote mes en een stank van rottend vlees en ontsnappende biogassen kwam naar buiten. Nog een aantal messneden en het doel was bereikt. Vlug werden enkele emmers uit de roeiboot gehaald. Waar het oom Meine om ging, waren de palingen, die in dit ontbindende paardenlichaam zich te goed deden aan het rottende vlees en de ingewanden. De rijke buit werd aan boord gebracht en die avond rookte oom Meine de palingen met behulp van een oud olievat. Met dik ijzerdraad was het van binnen bespannen en daaraan hingen de palingen. Onderin werden stukken eikenhout verbrand en gesmoord, rook en stoom deden hun werk.

Later in Lelystad, zag ik de film ”Die Blechtrommel” en daarin kwam precies dezelfde scéne voor met een dood paard vol paling. Een teil vol paling in oorlogstijd !! Dat betekende smullen en ruilen!. Gerookt goud, mensen!

De ORA ET LABORA werd na de oorlog ontdaan van mast en zeiltuigage. Er kwam een vaste motor in en tot tweemaal toe is het schip verlengd . Aanvankelijk kon het schip maar 80 ton hebben, maar later meer dan het dubbele en en zelfs het driedubbele. Op alle plekken in Nederland waar ik gewoond en gewerkt heb, ontmoette ik bestuursleden, ouders, buren, dorps- en stadsgenoten, schoolschoonmakers, ambtenaren en gemeentewerkers die van schippers afstamden of familie hadden bij de binnenvaart. Ze kenden allemaal namen van schippers als Gort, Bouwmeester, Moes, Hartman, Koster en Kleine en ze wisten ook allemaal verhalen van vroeger met veel herkenning en herinnering. Want schippers in Nederland en vooral die uit Drente, zijn één grote familie ! Schippers naast God ! Mijn wens om later schipper te worden, was wel zeer versterkt door die machtige zeiltocht!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden