Dylan

Eind zestiger jaren woonde ik op kamers in Eindhoven. Ik had nog niet veel meegemaakt, dus dit sloeg alles. Ik werkte inderdaad bij Philips en spartelde innerlijk de andere kant op als we 's avonds met zijn veertigduizenden tegelijk naar huis fietsten. Kamp Eindhoven met boven het toegangshek: Abendstudium macht frei. Want heel Eindhoven was in die dagen doortrokken van een stompzinnige ijver, niet om aan de top te komen, je leefde in het besef van die onmogelijkheid, maar om in ieder geval als troost voor je eigen lulligheid iets op te schuiven die kant op. Het was 'een ijskoude branding waar je nooit doorheen kon komen en die je golf na golf terug wierp op de rotsige kust van je onvermogen om te ontsnappen naar open zee' - ik citeer uit nog niet geschreven dagboeken van toen.

Maar in de lucht, boven dit alles, slaagde ik er in de tekenen te ontwaren van een andere wereld: in niet goed te bevatten Heerlijkheid buitelden daar Hoog boven mij een groep wezens rond in een sfeer die ik onmiddellijk herkende als Olympisch. Jimi Hendrix, Pete Townsend, Stevie Winwood, de Stones, The Beatles, Bob Dylan, Frank Zappa, zij waren het schijnsel waar wij achter aan struikelden om het afschuwelijke moeras van 'maatschappelijke kansen' uit te komen.

Verlangend en benijdend luisterde ik naar Dylan's Subterranean Homesick Blues, hoewel ik er geen touw aan vast kon knopen. Die heerlijke half stamelende, beetje luie en bij vlagen mooi snijdende manier van zingen, met een accent dat ik meteen aanvoelde als: zo moet je Engels uitspreken. Maar van de tekst begreep ik niks: 'Jan is in de kelder - mengt de pillen - ik zit op de stoep - zou het land mij willen - man in zware jas - met een gore hoest - wil hij voor beuren - jaren over zeuren - oppassen jongens - iets uitgevreten - God mag het weten - maar doe je het weer - duik dan die steeg in - vind je daar een vriendin - man in een rare muts bij de gracht - wil elf dollar munten - je hebt er maar acht...' enzovoorts. Ik vertaal uit zeer losse pols. Like a Rolling Stone begreep ik al evenmin, want ik dacht dat het over de Stones ging.

Maar, en dat was het wonderbaarlijke van deze muziek, hoewel we er geen woord van begrepen, kwam de essentie feilloos door. Iedereen voelde, ook de haters, of vooral de haters, dat hier iets voorgoed omver gezongen werd. Een hele wereld van deftige ernst, achtenswaardige zekerheid, zelfgenoegzaam fatsoen en vooral een wereld van foute politieke keuzes en stuitende volgzaamheid werd hier voorgoed bij de vuilnisbak neergezet.

Bijna veertig jaar na deze visioenen zag ik Dylan vorige week voor het eerst, in de Ahoy. Een verwarrende ervaring. Hij zong Blowin' in the wind, Tambourine man, It's alright Ma, Like a Rolling Stone, Masters of War, Rainy Day Women, nee, niet Subterranean Homesick Blues, maar hij zong ze heel raar. Voor mijn oren dan. Zijn keel zit nu vol droge roest. Soms lukt nog een uithaal, maar zingen gaat echt niet meer. Ging al nooit, kun je zeggen, maar die lijzige manier van door een tekst heen vallen met zijn unieke stem is hem door de jaren afgenomen. Het rare zat hem daarnaast ook in de arrangementen. Hij heeft de songs omgebouwd tot iets heel anders 'om te voorkomen dat zo'n hele zaal gaat meezingen, snap je' legde een fan uit. Ik had meer het idee dat ze comfortabeler gemaakt waren, omlaaggehaald, beetje naar Jules de Corte toe herschreven, wegens zijn verlies aan vocaal vermogen. Zo kwam het dat ik pas halverwege Alright Ma mijn buurman enthousiast in zijn arm kneep om te zeggen welk nummer dit was! Hij keek me een beetje minachtend aan, want kenners weten al jaren dat die oude nummers nu zó klinken en niet meer als toen.

Hij had een zwart pak aan van gemakkelijke dunne stof, daaronder mooie gestileerde cowboylaarzen en op zijn hoofd een onfortuinlijke hagelwitte Stetson, zo'n brede, kunstig voorgedeukte cowboyhoed met opstaande zijkanten, die ik alleen maar kan verbinden met te grote auto's, te grote bekken, te zware bommen en te dikke buiken. Het patserige van die hoed is een onterechte associatie, ik geloof het graag, maar de camouflage die het hoofddeksel biedt leek mij berekend. Je kunt Dylan niet goed in het gelaat zien door die verrekte cowboyhoed. Nog bevreemdender vond ik zijn onverschillige houding ten opzichte van het publiek. Aan het einde van elk nummer, als wij uit enthousiasme, of uit hoffelijkheid, begonnen te klappen, ging onmiddellijk het licht uit zodat we nooit konden zien hoe Bob onze offerande tot zich nam. Hij zei trouwens niet eens 'goeienavond' toen hij begon, en aan het einde, na twee geplande 'toegiften' stond hij nogal houterig en wezenloos te wachten op een geschikt moment om het toneel te verlaten. Eigenlijk een nogal grove veronachtzaming van een zaal die hem duidelijk goed gezind was. Als je ons niet wilt zien, waarom kom je dan voor ons spelen? Hij mag wel wat terug doen, denk je dan narrig. Je bent tenslotte gekomen om Bob te troosten voor het feit dat ook hij ouder wordt en niet op de Olympus woont, maar gewoon op aarde, waar we allemaal gelijkelijk voor de bijl gaan.

Zou hij dat betwijfelen?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden