Dwalen door de danswoestijn

Na 25 jaar stopt Eva van Schaik met haar dansrecensies. Schommelend tussen dans en drukinkt wist zij in de danswereld en daarbuiten veel waardering te krijgen. In 1998 kreeg zij daarvoor de Pierre Bayle prijs voor kritiek. Een afscheidsstuk van Eva van Schaik als recensent. (Niet als schrijver van artikelen) Voor haar was dans een passepartout op alles, van Pina Bausch tot George W. Bush.

Daar sta je dan, 's avonds laat op het station te Hoorn. Nog één recensie en het zit er op. Zo-even hadden twee Spaans ogende jonge meiden zich op dansant verantwoorde wijze voor rot laten slaan. Eentje had zich aan haar rechterenkel hoog in de lucht laten hijsen. Wachtend op de intercity uit Enkhuizen deed ik vergeefse moeite om me de film van Antonioni voor de geest te halen, waarnaar deze dansvoorstelling was vernoemd. 'Deserto rosso' is best een toepasselijke naam om 25 jaar dwalen door de danswoestijn mee af te sluiten.

In de koplampen van de intercity zag ik opeens een flits van drie dansende vrouwen. Op zondagmiddag 14 september 1978 draaiden ze als opgezweepte tollen om elkaar heen. Ze noemden het panoramic dancing. Op dat moment wist ik - denk ik nu - met welke woorden ik mijn laatste recensie zou eindigen. ,,Houdt het dan nooit op?''

Nu moest het moeilijkste nog komen, namelijk de eerste zin. Zijn die woorden eenmaal gevonden dan komt de rest vanzelf, al dan niet met een stoot coffeïne en nicotine. Elke schrijver en dus ook een recensent put uit een reservoir van hele en halve waarheden, uit andere bronnen afkomstige, vermoede en levensechte ingrediënten. Ik zou niet weten hoe het anders kan. Bovendien, geen kunst geeft zo'n krachtige vrijbrief aan herinnering, vertekening en verbeelding als dans. Dat vond ik misschien wel het mooiste en tevens meest uitdagende ervan. Dans is te concreet om er met woorden bij te komen. Dat gaf me - ondanks de wanhoop van de redactie - het recht op metaforen, parafrasen, inversies, contaminaties en al die andere verboden vruchten uit de tuin van de taal.

Toch was de vraag die mij het meest gesteld werd niet ,,hoe schrijf je'' maar ,,hoe kijk je''. Voor mijn steevaste antwoord daarop zal ik Hans van Manen altijd dankbaar zijn. Al jaren voor mijn medewerkerschap aan Trouw had hij mij geadviseerd: begin maar met drie sleutels op zak. Hoe zit het met het aantal dansers en hun sekse-verhouding, wie komt en gaat wanneer op en weer af en wat hebben de dansers aan hun voeten. Met die drie sleutels kom je al heel ver. Sterker nog, zonder die drie ben je tot mislukken gedoemd.

Een andere, mij vaak gestelde vraag is ,,wat waren je piekervaringen''. Niets is zo vertekenend als geheugen natuurlijk. Wat ik nu als de hoekstukjes uit die puzzle van zo'n 6000 stukjes opdiep zijn niet hele choreografieën. Het zijn split-seconds, zoals het omkijken van Alexandra Radius en Han Ebbelaar naar de plek waar hun wonder plaats vond in Adagio Hammerklavier (1973), de vonk in de ogen van Coleen Davis waarmee de camera van Henk van Dijk vlam vat in Live (1979), de lillende dijen-act van Joan Endicot in Nelken (1983) van Pina Bausch, de off balance arabesken in Artifact (1985), de gewichtsloze benen in Quintet (1997) van William Forsythe. Maar ook het verdwijnpunt van drie echte dansers in het virtuele decor van Biped (2001) van Merce Cunningham.

In de afgelopen kwart eeuw stelden en herstelden dansers in deze fracties van seconden mijn historische kaders, juist omdat ze mij ter plekke en tijdelijk het besef van tijd en ruimte deden verliezen. Zij schiepen modellen over het menselijk kunnen, waarbinnen ook de ontregelende beelden van bijvoorbeeld Kylian en De Keersmaeker, Childs en De Chatel, Teshigawara en Tuerlings en ga zo maar door te plaatsen bleken.

Ik zou die seconden waarin alles samenvalt ook de hoofd-koppelstations kunnen noemen van een ondoorgrondelijk, nooit aflatend associatief netwerk. Niet alleen in mijn hoofd, maar in mijn hele zenuwstelsel heeft zich dat gaandeweg opgebouwd, over een periode van een kwart eeuw. Dans bleek een passepartout op alles. Van Bausch tot Bush. Slechts eenmaal moest ik uit onpasselijkheid voortijdig de zaal verlaten. Er drupte geen ketchup maar bloed uit de ogen van vier wit bepleisterde mannen die opgeknoopt aan hun voeten al meer dan een uur onderste boven hingen.

Hoe die choreografie van 25 jaar op je eigen wereldtoneel te ontsleutelen? Beperk ik me tot wat ik in Nederlandse theaters zag passeren dan valt op dat op het punt van sekseverhouding onder al die duizenden passanten de mannen aan terrein wonnen. Zij zorgden ervoor dat het gezicht en de lichaamsvormen van de muze van de dans niet meer automatisch tot een vrouw behoren.

Probeer ik de sleutel van het op en af gaan toe te passen dan kwamen er in de eerst helft steeds meer groepen en festivals-formules bij en viel er in de tweede helft eigenlijk een betrekkelijk klein aantal weg. De schoeiselkeuze, bepalend voor de danstechnische mogelijkheden, blijkt een onverwacht cruciale insteek. Waren het spitzen dan werden de wissels in het dansnetwerk vooral door het driemanschap Petipa - Balanchine - Forsythe bediend. Vooral Kylian liet zien hoe je op zooltjes van zacht leer over een linoleumvloer kan glijden.

Werden de schoenen geluidloze sokken dan denk ik onherroepelijk aan de Amerikaanse Nina Wiener en Amanda Miller die dit virus halverwege de jaren tachtig in Nederland introduceerden. Bij stiletto naaldhakken zie ik steevast 'les desmoiselles de Wuppertal'. De militante, enkel verbergende kistjes waren het handelsmerk van het Rosas-boeket van De Keersmaeker. De soepele zwarte jazzboots waren typerend voor de dansers van Ohad Naharin, zoals helemaal geen schoeisel de groteske visioenen van Butoh-dans symboliseerde. Niets is in de afgelopen kwart eeuw zo veranderd als het gebruik van de vloer als hardvochtige partner. Knie- en elleboogbeschermers werden vast onderdeel van een dansersoutfit.

Op schoeiselgebied lijkt het arsenaal te zijn uitgeput. Wellicht is dat ook een symptoom voor iets dat mij verontrust. Dans kampt met slijtage, beslist niet in danstechnisch opzicht maar wel in haar eigenwaarde en zelfbeeld. Het neerhalen van de muren tussen drama en dans raakte geinstitutionaliseerd. Steeds meer regisseurs nestelden zich op de stoel van choreografen, maar steeds minder choreografen bekommerden zich om een dramaturgische noodzaak of toegankelijkheid. Na de deconstructie-golf waarmee Bausch, Butoh en Forsythe op eigen, compromisloze wijze de onttakeling en ontluistering van historische modellen en publieksverwachtingen inzetten, kwamen al snel hun epigonisten bovendrijven.

De schaamteloosheid van dat verschijnsel doet mij soms met lood in mijn schoenen uit dansvoorstellingen huiswaarts keren. Is dat de onvermijdelijke tol die ik voor mijn beroepsdeformatie moest betalen? Niets bleek zo snel zo geïnflateerd te kunnen raken als 'vernieuwing'. Het komt mij voor dat er binnen deze sector een vacuüm is ontstaan waarin met name door de zogenoemde conceptuelen de geest van de jaren zestig met veel semi-surrealistisch gestuiptrek als op te bakken lucht wordt gepresenteerd.

Een ander fenomeen is het zich maar blijven wentelen in miskenning, vervreemding in een begripsloze, tot hysterie drijvende wereld. De zweem van zieligdoenerij hangt sinds de jaren zeventig nog te vaak als een dikke vanzelfsprekende mist-spray over de onttakelde fabriekshallen of verlaten metrostations waar de dolende zielen zich ter aarde blijven storten. Wij kaartjesbetalers hebben schuld en moeten daarvoor boeten.

Een secte onder de eigentijdse dansmakers, die mij in veel opzichten aan de scientologykerk doet denken, blijft dapper volhouden dat dans zelf niet meer voldoet voor definiëring van dans. Dat ze zelf niet of nauwelijks kunnen dansen moet daarvan in hun eigen ogen het bewijs zijn. Dit fenomeen ter zelfbevestiging van de eigen parochie werkt even verlammend als zenuwgas. Toch was dat niet de doorslag om mijn Trouw aan dans van die hoofdletter te ontdoen.

Meer nog dan deze ontwikkelingen in de dans verontrusten mij trends in de journalistiek en het onderwijs over kunst. Voor mij vloog een kogel door de kerk toen de hoofdredactie van Trouw met de zoveelste reorganisatie kwam. Dagrecensies voor alle kunstsectoren, enige jaren geleden al teruggebracht van een pagina tot een grijs gemarkeerde drie koloms strook worden nu gereduceerd naar twee kolommen. Dat was voor mij het moment: tot hier en niet verder. Ik acht mij niet in staat recensies van twintig tot dertig regels te schrijven.

Een recensie is geen sterrenslag, maar een zinvol onderbouwde, persoonlijke weerslag van en soms dialoog met de voorstelling. Langere recensies worden leesvoer voor kunstfreaks geacht. Het uitleveren van te veel van de gehaaste lezers vergende kunstrecensies aan slokop-barbaar cultuur is niet een typisch tijdverschijnsel van voorbijgaande aard, vrees ik. Ook (of zelfs) Trouw onttrekt zich niet aan deze knieval, toont zich vooruitstrevend in haar meegaandheid door een deel van haar jarenlange investering in eigen geestelijk kapitaal in te leveren.

'Weg met recensies' kopte een paginagroot artikel al twee jaar geleden. In een wereld van fastfood en prefab, waarin commercie, cultuur en kunst een nieuw verbond over gedragscodes sloten, volstaan zij niet meer, heet het. Aan dit soort gewroet in de versnellingsbak van onze maatschappij onttrek ik mij liever.

Maar er is meer. Ik doceer aan honderden hbo-kunststudenten die binnenkort het 'pretvak' ckv 1,2 en 3 moeten gaan geven. In hun tentamens lees ik dat Desmond Tutu de tutu heeft bedacht en de Eerste Wereldoorlog door Alexander de Grote werd verloren. Wanneer gaat die bom in het steeds surrealistischer bedrijf onderwijs barsten? Wil een kwaliteitskrant met 'gidsfunctie' als Trouw meegaan in deze debilisering, terwijl tegelijkertijd hierover ook in Trouw de noodklok geluid wordt?

Op dit moment heeft kunst in Trouw nog weinig eigen graasterrein over waarop de vaste en losse kunstmedewerkers elkaar het gras voor de voeten wegmaaien. Ik hoop oprecht dat de plannen om kunst de plaats te garanderen, waarop zij recht heeft, bewaarheid worden. Voor de redactie betekent dit niet minder, maar meer achtergrondartikelen over actuele ontwikkelingen en de veranderende plaats van kunst in cultuur. De toekomst zal leren of de Gids (van maandag tot en met zaterdag) de verschrompeling van de recensies, ook als kunsthistorische bronnen, kan compenseren en hoe ik daaraan mijn bijdrage kan blijven leveren. Het moest anders, alles moet kunnen of niks moet meer?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden