Duurzame ontwikkeling is nu een deel van ons denken

Er gebeurt nog veel te weinig en de overheid laat het afweten. Dat neemt niet weg dat duurzame ontwikkeling een deel van ons denken is geworden. Een gesprek tussen drie heren, gepokt en gemazeld in duurzaamheid. 'We zijn niet pessimistisch; het glas is halfvol'.

Halverwege het gesprek wordt de toon wat vinniger. Lucas Reijnders, die eind vorige week formeel afscheid nam als hoogleraar milieukunde, stelt dat de overheid het laat afweten als het gaat om duurzame ontwikkeling. "Niet alleen deze regering, die - godbetert - de verhoging van de maximumsnelheid als milieuneutraal presenteert, maar ook vorige regeringen." Als voorbeeld noemt hij het besluit van het kabinet Balkenende IV om de bouw van vier kolencentrales toe te staan. "Antwerpen beslist anders."

Hans van der Vlist, die ten tijde van dat kabinet de hoogste ambtenaar was op het ministerie van milieu, voelt zich aangesproken. "Het kabinet kon de bouw van die kolencentrales helemaal niet tegenhouden. Ze voldeden aan alle voorwaarden. Alleen lokale overheden konden dat, als ze een bouwvergunning hadden geweigerd. Of we hadden een wet moeten aannemen tegen kolencentrales, maar daar was geen meerderheid voor. Zo we dat al zouden willen, want het is niet zo gek om kolencentrales te bouwen aan diep vaarwater, als je ook instrumenten hebt om het CO2-probleem aan te pakken, zoals de emissiehandel."

Rudy Rabbinge, hoogleraar duurzame ontwikkeling en voedselzekerheid in Wageningen, vindt net als Reijnders dat de overheid het laat afweten. "Onlangs heb ik op onze voorouderlijke boerderij in Drenthe zonnepanelen geïnstalleerd. Ik ben een van de weinigen, want het kost aardig wat geld en de subsidiepot is meestal binnen twee minuten leeg. Net over de grens in Duitsland liggen op alle boerderijen zonnepanelen. Daar kan het blijkbaar wel."

Volgens Reijnders loopt Nederland enorm achter. "Wat duurzame energie betreft, bezetten we plaats 22 van 30 Europese landen. We hebben er wel veel geld in gestopt, maar dat is vooral terechtgekomen bij de aandeelhouders van de energiebedrijven. Wat milieuprestaties betreft, ligt Nederland volgens de Yale Environmental Performance Index in Europa op plaats 23 van de 30. Nog achter Roemenië. Onthutsend."

En dat terwijl Nederland tot halverwege de jaren negentig koploper was in milieubeleid. Reijnders: "Voor die tijd analyseerden we zelf onze milieuproblemen en kwamen we met relatief strenge maatregelen, vanwege onze bijzondere situatie als dichtbevolkt land met veel activiteiten in een kleine ruimte. Sindsdien beperken we ons tot het volgen van de Europese milieuregels en soms zelfs dat niet eens. Zo kreeg de overheid pas aandacht voor de fijnstofproblematiek toen bouwprojecten door de rechter werden stilgelegd."

Van der Vlist vindt dat Reijnders een karikatuur schetst van het Nederlandse milieubeleid. "De omslag die jij signaleert, heeft juist alles te maken met het succes van het Nederlandse milieubeleid. Vanaf het begin hebben we geprobeerd om dat naar het Europese niveau te tillen, zodat we onszelf economisch niet zouden schaden. Halverwege de jaren negentig kregen we een fatsoenlijk Europees milieubeleid en hoefden we niet meer voor de troepen uit te lopen."

Het voorbeeld van de fijnstof overtuigt hem niet van het tegendeel. "Als je kijkt naar andere dichtbevolkte gebieden in Europa, dan kampen die met dezelfde problemen. Het is ook niet eenvoudig. Het vergt veel maatregelen om de uitstoot van het verkeer terug te dringen. Het kan altijd beter, maar ik vind dat we het, vergeleken met andere landen, nog niet zo heel slecht doen."

De vinnigheid is opmerkelijk, omdat de drie gesprekspartners het erover eens zijn dat de overheid best wat meer zou kunnen doen aan duurzame ontwikkeling. Rabbinge: "Nu nemen koplopers in het bedrijfsleven, vaak samen met maatschappelijke organisaties, initiatieven voor duurzame ontwikkeling van productie en consumptie. Het voorbeeld is Unilever, waar de topman heeft besloten dat vanaf 2015 alle aangevoerde grondstoffen duurzaam geproduceerd moeten zijn. Maar ook bedrijven als FrieslandCampina (zuivel) en Nutreco (diervoeders en visvoer) doen hun best om ketens te verduurzamen."

Die initiatieven worden van twee kanten bedreigd. Reijnders: "Allereerst: wat gebeurt er als Paul Polman van Unilever of Wout Dekker van Nutreco vertrekt? Is duurzaam beleid al voldoende vastgelegd in de cultuur van het bedrijf of vervallen de inkopers toch weer in hun oude gewoonte om de laatste cent uit de toeleveringsketen te wringen? De tweede bedreiging zijn de free riders. Bedrijven die denken: Ha, duurzaam is duurder. Dat maakt het voor mij gemakkelijker om marktaandeel te verwerven."

De overheid zou hier corrigerend moeten optreden. Reijnders. "Bijvoorbeeld door te voorkomen dat bedrijven hun kosten afwentelen op de omgeving. Om bij de kolencentrales te blijven: in plaats van elektriciteit aan te bieden voor 4 cent per kilowattuur, zou de overheid er een accijns op moeten zetten, zodat de prijs 14 cent wordt, waarmee de afgewentelde kosten zijn gedekt."

Volgens Van der Vlist is zo'n accijns goed te legitimeren met het aloude beginsel dat de vervuiler betaalt. "Het probleem is wel dat er altijd een spanning is met het principe dat het speelveld voor bedrijven binnen Europa zoveel mogelijk gelijk moet zijn. Anders zet je jezelf weer economisch op achterstand."

Rabbinge denkt dat dat wel meevalt. "Je moet de creativiteit van bedrijven niet onderschatten. Neem zetmeelproducent Avebe. Het bedrijf kampte met een teveel aan eiwitten in het afvalwater. Het kostte veel energie om die te verwijderen. Door slim nadenken zijn ze erin geslaagd om een systeem te ontwikkelen waarbij ze de eiwitten terugwinnen en verkopen als grondstof voor veevoer. Tegelijkertijd is het energieverbruik flink gedaald en zijn de arbeidsomstandigheden verbeterd. Dat soort creativiteit zou de overheid meer mogen stimuleren. Al was het alleen maar door belemmerende regels weg te nemen."

De vraag is of er in de bijna vijfentwintig jaar sinds het verschijnen van het rapport-Brundtland (genoemd naar de voorzitter, de Noorse premier, van de VN-commissie die in het rapport uit 1987 voor het eerst opriep tot duurzame ontwikkeling, red.) een serieuze kentering is opgetreden in het denken over duurzame ontwikkeling.

Reijnders: "Je komt het begrip in ieder geval overal tegen. Laatst zag ik zelfs een bord met daarop 'Wij slopen duurzaam'. Er is een hoop green washing (loze groene kreten), maar je ziet ook veel serieuze pogingen om producten en processen milieuvriendelijker te maken."

Van der Vlist denkt dat er inderdaad sprake is van een kentering. "Duurzame ontwikkeling volgens de Brundtland-definitie wil zeggen dat je de kosten van productie en consumptie niet meer afwentelt op het milieu, op volgende generaties of op mensen in ontwikkelingslanden. Ik zeg niet dat we dat niet meer doen. Zover zijn we nog lang niet. Wel zijn we ons veel meer bewust van het feit dát we dat doen. En we vragen aan bedrijven en overheden om daarover rekenschap af te leggen. Dat lijkt me een vooruitgang."

Volgens Rabbinge is het probleem dat duurzame ontwikkeling niet goed gedefinieerd is. "Je kunt er alle kanten mee op. Daarom worden we ook overspoeld met advertenties voor duurzame producten, die eigenlijk helemaal niet duurzaam zijn. Zelfs een bedrijf als Shell afficheert zich als duurzaam, terwijl ze allang niet meer bezig zijn met duurzame energie. Ze hebben al hun activiteiten op dat vlak laten vallen en zijn weer gewoon olie- en gasboer geworden."

De vage definitie van duurzame ontwikkeling maakt het lastig om het begrip in de praktijk handen en voeten te geven. Maatschappelijke organisaties en inmiddels ook veel bedrijven maken veelvuldig gebruik van het begrip ecologische voetafdruk om aan te geven hoeveel beslag ze leggen op grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen. Rabbinge vindt dat geen goede benadering. "Je kunt niet vaststellen wat het draagvermogen van de Aarde is en bijgevolg kun je ook niet vaststellen hoe groot je voetafdruk mag zijn."

In de praktijk werkt het volgens hem beter als bedrijven en beleidsmakers zich maatschappelijke doelen op sociaal, economisch en ecologisch gebied stellen. Daarbij moeten ze de voor- en nadelen van hun handelwijze tegen elkaar afwegen. Als voorbeeld noemt hij de voedselproductie. "De komende decennia stijgt de wereldbevolking tot negen miljard mensen. Om die te voeden, moet de landbouwproductie verdubbelen. Dat kan ook. We hebben de expertise en de technologie om dat te doen en tegelijkertijd de effecten op de omgeving te halveren."

Volgens Reijnders zijn er wel degelijk fysieke grenzen aan het draagvermogen van de Aarde. "Ik ben het met Rudy eens dat we de voedselproductie moeten verhogen. Je kunt niet vier miljard mensen laten verhongeren. Die gewassen hebben echter netto flink wat fosfaaterts nodig om voldoende te groeien en de voorraden daarvan zijn eindig. Dat is geen evenwicht tussen milieu en economie en dus niet duurzaam."

Rabbinge: "Maar dat corrigeert zichzelf. Als fosfaat schaarser wordt, gaan mensen zoeken naar mogelijkheden om er zuiniger mee om te springen of voor hergebruik. Op de lange termijn leidt een hogere voedselproductie tot meer welvaart en tot stabilisering en zelfs afname van de wereldbevolking. Ik geloof niet zo in die 'einde-der-tijden'-benadering. Ik heb meer vertrouwen in de menselijke creativiteit."

Ondanks de vaagheid van het begrip duurzame ontwikkeling is het glas volgens Van der Vlist 'halfvol, niet half leeg'. Reijnders sluit zich daarbij aan. "Hoewel nog onvoldoende is er in ieder geval meer aandacht voor duurzame ontwikkeling, ook bij bedrijven." Hetzelfde geldt, volgens Rabbinge, op mondiaal niveau. "Zeker in Afrika, maar ook in Azië en Latijns-Amerika worden grote stappen vooruit gezet."

Alle reden voor een voorzichtig optimisme dus. Van der Vlist (met een lachje): "Zelfs ondanks de huidige politieke constellatie."

Mileuman van het eerste uur
Lucas Reijnders (1946) nam eind vorige week afscheid als hoogleraar milieukunde aan de Universiteit van Amsterdam en de Open Universiteit. De gepromoveerd biochemicus Reijnders stond aan de wieg van de eerste studie Milieukunde aan de Rijksuniversiteit van Groningen. Als medewerker van de Stichting Natuur en Milieu werd hij al snel het publieke gezicht van de milieubeweging, hoewel hij zich zeker niet alleen opstelde als activist. Hij schreef vele boeken op milieuterrein. Milieudefensie organiseerde in 2004 verkiezingen waarbij Reijnders op de gedeelde eerste plaats eindigde (met Jac. P. Thijsse) als Grootste Groene Nederlander.

Politicus en wetenschapper
Rudy Rabbinge (1946) is politicus en wetenschapper. Hij promoveerde in Wageningen en is daar nu universiteitshoogleraar Duurzame Ontwikkeling. Voor de PvdA zat hij tot 2007 acht jaar in de Senaat, eerder was hij tien jaar lid van Provinciale Staten van Gelderland. ook was hij lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid ('93-'97). Hij zit nu onder meer in de Taskforce Biodiversiteit en Natuurlijke Hulpbronnen, die het kabinet adviseert, en is lid van de stuurgroep van de FAO (VN-voedsel- en landbouworganisatie) over Voedselzekerheid en lid van de Raad van Bestuur van de 'Alliance for a Green Revolution in Africa'.

Topambtenaar milieu
Hans van der Vlist(1947) is van oorsprong civiel ingenieur (Delft). Hij was politiek actief als lid van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland voor de PvdA. Via bestuursfuncties in gemeente en waterschap (dijkgraaf) klom hij op naar zijn huidige functie van secretaris-generaal van het ministerie van VROM. Sinds oktober 2010 is hij adviseur in rijksdienst.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden