Duurzame bron, nieuw landschap

Al die windmolens en biogasinstallaties, waar laat je ze? Om de overgang naar duurzame energie in te passen in het landschap, is slim beleid nodig.

Zomer in Nederland: lekker zeilen op de Loosdrechtse Plassen of fietsen in het Drentse land. Op plaatsen waar vroeger turf werd gestoken, genieten mensen nu van een nieuw landschap. "Er is altijd een wisselwerking tussen energiewinning en ruimtegebruik", zegt Jasper Hugtenburg, van H+N+S landschapsarchitecten. "Vanaf de Middeleeuwen werden bijvoorbeeld steeds meer bossen van de kaart geveegd omdat men het hout nodig had als brandstof. De grootschalige winning van steenkool heeft de laatste Europese bossen in feite van de ondergang gered."

Steenkool - en de industriële revolutie die daar zwaar op leunde - legde ook weer een heel eigen beslag op de ruimte en het milieu. En zo zal de overgang van fossiele brandstoffen naar duurzame energie het landschap waarschijnlijk wederom een nieuw uiterlijk geven. Zonnepanelen, windturbines en biogasinstallaties komen pontificaal in het zicht te staan. De energievoorziening wordt meer zicht- en hoorbaar in het dagelijks leven, al is het maar omdat burgers steeds meer zelf energieproducent zijn.

Tegen 2050 zal het verzet tegen de komst van horizonvervuilende windmolens verstomd zijn, verwacht Hugtenburg. "Toen in de negentiende eeuw de eerste spoorrails en treinen in het landschap verschenen, was de weerstand daartegen ook groot. Binnen twintig jaar was men hier volledig aan gewend en beschouwde men de trein als onderdeel van het landschap." Zo zal het ook met windmolens gaan, zegt de landschapsarchitect.

Voor het zover is, zijn er nog wel wat stappen nodig om de nieuwe energiebronnen zo goed mogelijk in de omgeving te integreren. "Juist als je meer rekening houdt met de ruimtelijke kenmerken van een gebied, zullen nieuwe energiebronnen makkelijker worden geaccepteerd", benadrukt Nikol Dietz, directeur van H+N+S. Maar de vraag 'hoe gaat het er straks uitzien?', komt er nu nogal bekaaid af in alle plannen voor de transitie van fossiele naar hernieuwbare energie, vindt zij. "Als je niet wilt dat er straks een ratjetoe ontstaat, moet je nu vooruit denken. Als je goed naar het landschap kijkt, op tijd de juiste beslissingen neemt en op Europees en regionaal niveau goed samenwerkt, hoeven de nieuwe energietechnieken geen desastreuze impact op het landschap te hebben."

Daarom bracht H+N+S onlangs het boek 'Landschap en energie, ontwerpen voor transitie' uit. Daarin schetsen de auteurs scenario's die steden en regio's zouden kunnen volgen om aan de doelstelling van de Europese Unie te voldoen. In 2050 moeten de lidstaten 80 procent minder broeikasgassen uitstoten ten opzichte van het niveau van 1990. De scenario's houden rekening met de kansen die het landschap biedt om energie op te wekken. Ook geven ze waar mogelijk nieuw leven aan oude energielandschappen.

"Zo kun je de grote gaten die in Parkstad-Limburg door de bruinkoolwinning zijn ontstaan, transformeren in een stuwmeer dat je gebruikt om wind- en zonne-energie in op te slaan", vertelt Dietz. "Met overtollige stroom wordt water in het meer gepompt. Wanneer de stroom nodig is, wordt die opgewekt met waterkracht uit het stuwmeer."

Electri-city Arnhem

Over het algemeen geldt dat er, om aan de Europese doelstellingen te kunnen voldoen, een mix aan maatregelen nodig is. Die verschilt per regio. Zo ligt het volgens de auteurs voor de hand dat Arnhem, met zijn trolleybussen en belangrijke elektriciteitsbedrijven als Kema en Tennet op zijn grondgebied, zich nog meer profileert als Electri-city. Dat kan de stad doen door volledig op elektrisch vervoer over te stappen en door de lege daken in de stad vol te leggen met zonnepanelen; door windturbines in de omliggende bossen en op bedrijventerreinen te plaatsen; waterkracht op te wekken uit de sprengbeken op de verschillende landgoederen rondom de stad, en door wilgen langs de Rijn te telen die opgestookt kunnen worden als biomassa.

Een stad als Rotterdam zou nog meer gebruik kunnen maken van de restwarmte van de industrie, geothermische energie uit de bodem van het Westland en stroom van windparken voor de haven.

Het valt op dat in de verschillende scenario's die het boek schetst, er pas vanaf 2030 echt meters worden gemaakt. "Wij verwachten dat de overheid dan maatregelen zal nemen die een nieuwe energievoorziening het noodzakelijke duwtje in de rug geven", zegt Hugtenburg. "Denk bijvoorbeeld aan een belasting van de CO2-uitstoot en aan een verbod op het lozen van restwarmte. Aan zo'n verbod danken het Deense Kopenhagen en het Zweedse Malmö nu een uniek gezamenlijk warmtenet. Het merendeel van de woningen in beide steden wordt verwarmd met warm water dat bedrijven anders in de Sont zouden hebben geloosd." Voor 2030 is de lobby van de fossiele brandstoffen en de weerstand bij het publiek tegen windmolenparken en opslag van CO2 nog te groot.

Dietz kan zich de weerstand tegen windmolens best wel voorstellen. "Maar als je ze concentreert op de juiste plek en ervoor zorgt dat ze allemaal dezelfde hoogte hebben, kunnen windmolens ook een verrijking van het landschap zijn."

De grootschalige, uitgestrekte gebieden zoals de IJsselmeerpolder en de voormalige Veenkoloniën vindt ze geschikt. "Op andere plekken detoneren ze te veel en kun je ze beter niet plaatsen. Rondom de traditionele Friese terpdorpen zou ik eerder biovergistingsinstallaties adviseren dan windmolens, omdat die het beeld van het dorp domineren."

Voetafdruk

"De algemene gedachte is dat duurzame energiebronnen zoals windmolens een groter beslag op de ruimte leggen dan gangbare bronnen zoals steenkool, olie en gas", vult haar collega Jasper Hugtenburg aan. "Om te kijken of dat ook echt zo is, hebben we van iedere energiebron de voetafdruk berekend en in kaart gebracht, een vervolg op de 'Kleine Energieatlas' die we eerder publiceerden. Die voetafdrukken laten zien dat gangbare energiebronnen zoals steenkool en olie veel meer beslag op het landschap leggen dan we denken. Van de stroom uit de steenkolencentrale die we uit ons stopcontact krijgen, zien we alleen wat hoogspanningsmasten en een enkele centrale in ons landschap terug, maar ver buiten onze horizon, in Colombia en Indonesië, omwoelen ze hele landschappen voor de winning van steenkool. En voor olie uit teerzanden gaat in Canada de bulldozer over grote stukken natuur. Dat ruimtebeslag ver weg moet je ook meetellen."

Ook wanneer je alleen naar het directe fysieke ruimtegebruik van de verschillende energiebronnen kijkt, scoren windmolens zo slecht nog niet. "Het zijn immers alleen de voeten van de molens die beslag leggen op de ruimte. In de directe omgeving ervan kun je weliswaar niet wonen, maar je kunt het landschap nog wel voor landbouw gebruiken. De winning van schaliegas legt een groter beslag op het landschap. Om dat gas uit de bodem te kunnen fracken, moet je namelijk om de honderd meter boortorens plaatsen. Rondom die boorlocaties is landbouw, anders dan bij windmolens, niet goed mogelijk. Maar ook een duurzame energiebron zoals biobrandstof, geproduceerd door algenkwekerijen, heeft een groot ruimtebeslag. Het is een illusie om te denken dat als je niet voor windenergie kiest, het landschap hetzelfde blijft."

Impressie van een daklandschap: onbenutte daken zullen in toenemende mate gebruikt worden voor duurzame energieopwekking, waterberging en voedselproductie.

Schets van hoe een oude bruinkoolmijn kan dienen als nieuwe elektriciteitscentrale met een stuwmeer, in 2040.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden