’Durf persoonlijk te zijn’

Klaas Spronk wil als hoogleraar Oude Testament de Bijbel ’proefbaar’ maken als bron van inspiratie. „Met wetenschappelijkheid kan de uitleg wel kloppen, maar inspirerend is dat niet.”

Tot aan zijn benoeming als hoogleraar Oude Testament in Kampen combineerde Klaas Spronk (1957) wetenschap en praktijk in universiteit, kerk en verpleeghuis. „Ik werkte met dementen en studenten”.

De dementen zijn nu afgevallen, maar zijn praktijkervaringen neemt Spronk mee naar zijn studenten.

„De wetenschappelijke discussie over bijbelexegese”, vertelt Klaas Spronk in de koffiekamer van de Kampense theologen, „gaat over de vraag of je bijbelteksten benadert vanuit de tekst of vanuit de lezer. Begin je bij de tekst en benader je die objectief, of zet je in bij de lezer en zeg je dat die voor een groot deel bepalend is voor datgene wat hij leest en hoe hij leest? Ik heb van deze discussie een persoonlijke vraag gemaakt: hoe werkt dat bij mij? Dat was zeer verhelderend.”

Door zijn eigen levensgang erbij te betrekken, kwam Spronk uit op een combinatie van beide benaderingen. „Ik wil niet alleen wetenschappelijk met bijbelteksten bezig zijn, maar daarbij ook de werking of inspiratie betrekken die van een tekst kan uitgaan. Die combinatie vind ik op dezelfde manier zinvol als die tussen wetenschap en praktijk in mijn eigen leven. Mensen deden wel eens wat meewarig over mijn verpleeghuiswerk, maar ik beschouwde dat in wezen als mijn eigenlijke werk. De wetenschap vond ik leuk om erbij te doen, maar de zorg gaf mij de meeste voldoening. En, juist ook in de praktijk blijkt hoe de Bijbel onverwacht in persoonlijke situaties kan doorwerken.”

Die ’eye-opener’ werd nog versterkt door zijn reizen naar Zuid-Afrika. „Ik kom uit Culemborg, de stad van Jan van Riebeeck. Vroeger iets om trots op te zijn, tegenwoordig eerder een beschamend wapenfeit, want wat hebben we daar gebracht? Een hoop ellende en narigheid. En ja, ook de Bijbel. Dan blijkt ineens dat die Bijbel daar, in de sloppenwijken van Kaapstad, heel positief wordt benaderd en in zo’n troosteloze toestand juist sterk werkt. Dat maakte diepe indruk op me. Ook in gesprekken met Zuid-Afrikaanse collega’s werd me eens te meer duidelijk dat je eigen context toch wel erg bepalend is voor hoe je met de Bijbel omgaat.”

Daar kun je verschillende dingen doen, zegt Spronk. „Er van een afstandje naar kijken, en constateren en beschrijven dat de Bijbel in die contreien kennelijk zo werkt. Dan ben je weliswaar, zoals dat heet, ’contextueel bezig’, maar praat je toch alleen over hoe ze het in Afrika of Zuid-Amerika doen. Dat vind ik goedkoop. Je kunt beter nagaan hoe dat bij jezelf werkt, dus uitgaan van je eigen context en dan vaststellen dat het een illusie is om de Bijbel objectief en afstandelijk te benaderen. Sterker nog, dat wíl ik niet eens, want het is niet leuk en levert bovendien niets op. Bijbelverhalen zijn persoonlijke getuigenissen die het beste begrepen worden wanneer je ze op een persoonlijke manier overbrengt. Als iemand zelf door iets geraakt is, krijg je de beste uitleg van een bijbeltekst.”

Deze combinatie van ’wetenschappelijk’ en ’persoonlijk’ past Spronk in zijn nieuwe functie toe in het onderwijs aan de predikantsopleiding. „De wetenschappelijke achtergrond vormt uiteraard de basis . We lezen een tekst in de grondtaal, betrekken de historische context erbij en gaan na hoe de tekst in later tijden is uitgelegd.

Dat is het begin, maar daar moet je niet in blijven steken, vind ik, want louter wetenschappelijkheid kan ook een vlucht zijn. Dan klopt het allemaal wel, maar spannend is het niet, want je blijft zelf buiten spel. Ik vind het minstens zo belangrijk wat de studenten opvalt aan een tekst of waardoor ze persoonlijk geraakt worden. Vaak gebeurt dat, want die verhalen zijn gewoon goed en sterk, en ontstaat er contact tussen wat de schrijver inspireerde, en jou als lezer. Je bent dan geen buitenstaander meer maar je doet mee, je wordt zelf onderdeel van het verhaal.”

Vooral in het verpleeghuis zag Spronk hoe teksten bewoners raken. „Veel praten doe je niet met dementerenden, zingen kan wel dus dat deed ik vaak.

Zo was er een vrouw met wie ik nooit contact had. Ze brachten haar in het verpleeghuis wel naar de kerk, maar ze was doof en misschien ook wel dement. En nu was ze stervende. Zittend aan haar bed begon ik langzaam te zingen, Psalm 42, op het trage ritme van haar zware ademhaling. ’Het hijgend hert der jacht ontkomen’, en daarna nog maar vers 5, ’De Heer zal uitkomst geven’, en toen zong ze ineens mee. Dat was de eerste keer dat ik iets van haar hoorde. Hoe dat dan komt, of het een laatste oprisping is, ik weet het niet. Maar het werkt. Dat te mogen meemaken, hoe een lied, een tekst of een preek kan doorwerken in mensen, heb ik altijd het mooiste en beste deel van het werk in de kerk gevonden.”

Klaas Spronk ergert zich enorm aan de drukte die er dit jaar is gemaakt over het Judasevangelie en andere ’ontdekkingen’, die tv-zenders als National Geographic en Discovery Channel gretig onder de aandacht brengen. „De ene keer hebben ze de Ark van Noach gevonden en dan weer weten ze te vertellen dat de Ark des Verbonds met de Stenen Tafelen ergens in Ethiopië ligt. Allemaal reuze interessant, maar geen dingen die je echt raken. Terwijl er tig verhalen zijn, in de Bijbel, de apocriefen en de wereld daaromheen, die allang bekend waren en die veel meer te zeggen hebben, maar waar we nauwelijks naar omkijken. In feite moeten die eigen, waardevolle bronnen in deze tijd opnieuw worden ontdekt.”

Spronk ziet daarin een taak voor zowel de kerkelijke praktijk als de universitaire wetenschap. Niet al zijn collega-academici zijn dat met hem eens. „Er zijn er die van mening zijn dat je in de kerk nu eenmaal met een andere pet of baret op spreekt dan in de universiteit.”

Wat Spronk betreft is dat slechts in zoverre waar, dat je aansluit bij het bevattingsvermogen van je hoorders. „Maar inhoudelijk zijn er geen wezenlijke verschillen tussen wat ik aan de universiteit doe en waar de kerk belang in stelt. Het sterkste punt van de kerk is immers de Bijbel, en de bijbeluitleg is haar core-business. Daar moeten we meer werk van maken, ook van de manier waaróp dat gebeurt. Het betrekken van je eigen context bij de bijbeluitleg ligt binnen de wetenschap gevoelig, maar ik denk dat er in de kerk veel vertrouwen te winnen is, als de academicus op de kansel gewoon een persoon durft te zijn en zegt: het dóet mij ook wat, deze tekst is voor mij waardevol.”

Om echt te begrijpen hoe een tekst kan werken als bron van inspiratie, zul je zelf tevoorschijn moeten komen, is Spronks overtuiging. „Net als bij een goed schilderij. Je kunt de techniek van de schilder bestuderen of de herkomst van de motieven. Maar als het daarbij blijft, is dat onbevredigend. Want een schilderij is ook bedoeld om iets op te roepen bij de kijker. Die krijgt dan een verbinding met de schilder, via datgene wat hem of haar inspireerde.”

Omdat kunstenaars léven van inspiratie, gaat Spronk graag bij hen in de leer. „Een schilder, componist of literator, is vaak een voorbeeldig uitlegger van de Bijbel. Gedreven door hun inspiratie, hebben ze de gave om de bijbelse inspiratie te proeven en door te geven. Rembrandt is het bekendste voorbeeld, maar ook in de schilderijen van Caravaggio gebeurt iets. Dat persoonlijke verhaal grijpt je bij de keel. En wat te denken van de muziek, de oratoria van Hündel, zijn opera ’Jefta’ en de opera ’Samson et Delilah’ van Saint Saëns. Delilah zingt daarin een aria, een liefdeslied aan Samson gericht. Wie die aria één keer heeft gehoord, leest het bijbelverhaal anders. Als je zó een Bijbel kunt uitleggen, ben je goed bezig, vind ik. Dat relativeert heel zinvol de wetenschappelijke uitleg.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden