Duizend dollar voor een gorilla

Gorilla's, chimpansees en ander bushmeat staan al sinds mensenheugenis op het menu in Centraal-Afrika. Maar nu westerse houtkapperijen ook in het dichtste oerwoud zijn doorgedrongen en iedereen die er komt werken een geweer cadeau krijgt, is de slachting niet meer te overzien. De mensapen worden onder onze ogen uitgeroeid. En niemand wil het weten. ,,Men is bang de tere relaties met Afrikaanse landen te verstoren of het biologisch onderzoek in de jungle onmogelijk te maken.'

Edo Sturm

Veel hoeft Joseph Melloh er niet voor te doen. De jager uit Kameroen is het spoor van de groep gevolgd, weet zich nu dicht genoeg in de buurt en wacht af. Even later krijgt hij een jonge vrouwtjesgorilla in het vizier. Terwijl zij hem nieuwsgierig observeert, laadt hij zijn geweer en schiet haar met één gericht schot hagel uit de boom.

En wéér hoeft Melloh slechts te wachten. Hij moet alleen rustig blijven. Want even later verschijnt de zilverrug ten tonele, de leider en beschermheer van de groep. Met veel vertoon van macht - hij rukt wat boompjes uit en geeft een flinke roffel op zijn borstkas - probeert hij de onbekende belager te verdrijven. Maar deze heeft al een nieuw patroon in zijn geweer gestopt en velt ook de gigant. En als hij geluk heeft, komt een derde gorilla op het fatale idee om te gaan kijken wat er aan de hand is.

Nu moet Melloh snel handelen. De mensapen zijn bushmeat geworden en verliezen rap hun waarde. Het dier wordt in stukken gesneden en ter plekke gerookt, of Melloh haalt wat kompanen uit het dorp om het vlees vers op de lokale markt te krijgen. Daar kan een volwassen gorilla in totaal wel duizend dollar opleveren.

Het jong dat verweesd is achtergebleven, neemt hij levend mee. Zijn vlees is niet veel waard, misschien wil iemand het als huisdier hebben. Maar hij weet eigenlijk wel dat babygorilla's niet overleven in gevangenschap.

Doet het je niets, heeft Dale Peterson, auteur van 'Eating Apes', Melloh ooit gevraagd. Peterson kent de verhalen van Paul de Chaillu, een Franse journalist die halverwege de 19de eeuw als een van de eerste westerlingen gorilla's zag, beschreef en doodschoot. ,,De gorilla is een monsterlijke en woeste mensaap, maar gelukkig gaat hij net zo gemakkelijk dood als een mens; een goed gericht schot in de borstkas velt hem zeker. Hij valt voorover op zijn gezicht, met zijn lange, gespierde armen gestrekt vooruit, en hij stoot met zijn laatste adem een afschuwelijke doodskreet uit. In deze halve brul, halve gil die de jager laat weten dat hij veilig is, klinkt tegelijk een menselijke doodsstrijd door.' Maar Joseph Melloh kent het sentiment van Du Chaillu niet. ,,Hij sterft als een mens ja, maar dat maakt het doden gemakkelijker.'

Gemiddeld doodt Melloh een gorilla per week. En hij is niet de enige. Dagelijks trekken duizenden Afrikanen het oerwoud in voor de jacht. De meesten zijn niet zo kieskeurig als Melloh en schieten op alles wat voor hun loop komt. Ieder jaar slepen ze samen miljoenen dieren uit het bos, meest grote dieren - dan heb je meer rendement van je munitie, zoals Melloh het uitdrukt. Daar zitten zeker tienduizenden mensapen bij. En dan te bedenken dat er in Afrika naar schatting 150 000 ... 250 000 chimpansees leven, ergens tussen de 5000 en 50 000 bonobo's en ruim 100 000 gorilla's. Dat is geen duurzame jacht, schrijft Peterson, met deze praktijken stevenen we regelrecht en in hoog tempo af op het uitroeien van onze naaste verwanten.

Lange tijd moet de jacht wel duurzaam zijn geweest. Bushmeat is sinds mensenheugenis dagelijkse kost voor de inwoners van Centraal-Afrika. Sterker nog, ze eten bijna geen ander vlees. Veehouderij is aan de rand van de jungle een onzekere onderneming, met allerlei ziekteverwekkers en roofdieren die op de loer liggen. En waarom zou je ook moeilijk doen als de dieren bij wijze van spreken voor het oprapen liggen? Veel Afrikaanse talen maken niet eens onderscheid tussen beest en vlees.

Waar ging het fout? Vorig jaar schreef de beroemde bioloog Edward Wilson nog in 'De toekomst van het leven' dat homo sapiens met zijn vraatzucht op alle continenten de grote dieren heeft uitgeroeid, behalve in Afrika en Azië. Daar heeft volgens Wilson de natuur een miljoen jaar de tijd gehad om zich aan te passen aan een nieuwkomer die zelf ook moeite had om te overleven. Maar de dodo van Mauritius, het dwergnijlpaard op Madagaskar en de moa van Nieuw-Zeeland kregen opeens een echte vreemdeling tegenover zich en waren kansloos tegen diens moderne wapens.

Gebeurt in Afrika dan nu wat zich een paar honderd jaar geleden in de rest van de wereld voltrok? Niet helemaal, beargumenteert Peterson uitvoerig. Natuurlijk, geweren hebben de jacht van de Afrikanen aanzienlijk gemoderniseerd. Maar er is meer: Afrika is in de ban geraakt, of misschien moet je zeggen: verstrikt in het net van de westerse consumptiemaatschappij.

Om de lezer een beeld te geven van de toestand in Afrika richt Peterson in Kameroen, in het jachtkamp van Joseph Melloh, een denkbeeldige uitkijkpost op. Kijk goed om je heen, zegt hij, dit is het oudste en misschien wel rijkste ecosysteem van de wereld. Het Congobekken, twee miljoen vierkante kilometer tropisch regenwoud, 400 soorten zoogdieren, meer dan duizend vogelsoorten en ruim 200 reptielen, en een voedselreservoir voor 30 miljoen Afrikanen.

Ziet u die oranje lijnen die tussen de bomen door krioelen? Wegen zijn dat, aangelegd door westerse houtmaatschappijen, waarover een constante stroom trucks gaat, beladen met gekapte woudreuzen. Die houtkap zelf is vaak al niet erg duurzaam, de meeste maatschappijen werken als de jagers: ze halen alles neer wat voor hun zagen komt. Maar zelfs als ze 'netjes' te werk zouden gaan, als ze alleen bepaalde bomen zouden omhakken en het merendeel zouden laten staan, ook dan zetten ze een onomkeerbaar proces in gang.

De houtmaatschappijen, veelal in westerse handen, voeren vaak ter verdediging aan dat ze de lokale bevolking welvaart brengen en zo de honger bestrijden. In werkelijkheid trekken ze veel werkzoekenden aan; die migratie ontwricht niet alleen de lokale economieën, de arbeiders willen ook eten. En met de wegen voor het houttransport is het oerwoud ook voor de jagers ontsloten. Dieren die zich veilig voelden in een ondoordringbare jungle, zijn ineens gemakkelijk bereikbaar.

Bovendien voorzien de maatschappijen hun werknemers vaak van geweren en patronen. Officieel om de werkploegen te beschermen in de bossen, maar in de praktijk worden ze gebruikt voor de jacht. En van de kabels, waarmee de bomen op de trucks worden gebonden, maken de jagers valstrikken.

Maar ook zonder houtmaatschappijen en wegenaanleg kan de introductie van westerse belangen de jacht op bushmeat bevorderen. In 2000 werd de uitgifte van de Sony Playstation 2 vertraagd omdat er een tekort was aan tantaal, een element dat onder andere wordt gewonnen in het oosten van de Democratische Republiek Congo (het vroegere Zaïre). De prijs van tantaal schoot omhoog. Tien- tot vijftienduizend Congolezen werden bevangen door de tantaalkoorts en verlieten hun boerderijen. Ook deze mijnwerkers moesten eten en binnen een paar jaar hadden ze alle olifanten, gorilla's, chimpansees, buffels en antilopen in de streek uitgeroeid.

Waarom weten de meesten van ons dit niet? Waarom is de overheersende gedachte hier dat Afrikaanse dieren, en dan met name de mensapen, dreigen te worden uitgeroeid doordat hun leefgebieden verdwijnen? En dat we Afrika daarom duurzaam moeten ontwikkelen, zodat er welvaart komt zonder roofbouw? Het antwoord is volgens Peterson heel eenvoudig: omdat we de waarheid niet willen kennen.

Het wordt tijd om Karl Ammann ten tonele te voeren, een natuurfotograaf die Peterson op het spoor van de mensapenjacht zette. Ooit zat Ammann per toeval met een chimpanseeweesje opgescheept. Tijdens zijn rondreis om het diertje ergens onder te brengen ging een wereld voor hem open. De markten waar volop mens-apenvlees te koop werd aangeboden, hoewel het officieel was verboden. De vele andere apenweesjes. Het inzicht dat het een met het ander verbonden was.

Ammann maakte foto's en schreef er artikelen over, maar de (natuurbeschermings)bladen wilden het allemaal niet hebben. Men was bang de tere relaties met Afrikaanse landen te verstoren of het biologisch onderzoek in de jungle onmogelijk te maken. Veel redacties vonden de schokkende beelden niet geschikt voor hun lezers. Een foto van een chimpanseetje met een melkflesje, dat mocht. Maar van een gorillakop op de keukentafel, dat niet.

In 1999 dacht hij de achilleshiel van het probleem te hebben ontdekt. Wetenschappers leverden het bewijs dat het aidsvirus van chimpansees naar mensen was overgesprongen, en dat het door bloedcontact, vermoedelijk tijdens de jacht, moest zijn gebeurd. Als de honger naar bushmeat bedreigend is voor de wereldgezondheid, redeneerde Amman, is dat misschien een argument om de Afrikaan tot een andere dieet te bewegen. Tenslotte mogen in sommige stammen vrouwen om traditionele redenen geen apenvlees eten. Dan moet zo'n gezondheidsargument in de cultuur zijn in te bouwen en zou het een nieuw taboe kunnen worden.

Ammann legde zijn idee aan allerlei wetenschappers voor, maar kreeg nul op het rekest. Daar rustte, wat hen betrof, een taboe op. Bushmeat is een integraal onderdeel van de Afrikaanse cultuur, zeiden ze, het is neokoloniaal om daar als westerling in te treden.

Peterson eindigt met een lange verzuchting: waar moet de oplossing vandaan komen? De wetenschap is inmiddels wel overtuigd van de ernst van het probleem - het vakblad Nature wijdde bij de publicatie van het chimpansee-aids-artikel een hele beschouwing aan de bushmeat-crisis - maar echte actie is vanuit deze hoek niet te verwachten. Het bekende 'nader onderzoek is nodig', verzucht Peterson.

Maar ook van natuurbeschermingsorganisaties verwachten hij en Ammann niet veel meer. Deze bijna uitzichtloze situatie past niet in hun kraam. ,,Deze clubs kopen het geweten van de burgers af. Mensen maken zich zorgen om de natuur, geven geld aan zo'n club en dan moet die club natuurlijk de boodschap verkondigen dat zij met dat geld werken aan een oplossing. Dit complexe verhaal dat geen uitzicht of hoop biedt, kunnen ze niet verkopen.'

Het is een boek dat dieptreurig stemt. Terwijl het zo vrolijk begonnen was. Over chimpansees die echt kunnen lachen. Die zo nauw aan ons verwant zijn dat het bijna onvoorstelbaar is dat we ooit zonder hen moeten leven. En dan ook nog omdat we ze hebben opgegeten.

Nawoord en foto's van Karl Ammann. University of California Press, Berkeley/Los Angeles/Londen. ISBN 0520230906; 320 blz. 17,95 pond.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden