Duivelse schrijfkunsten

In de net verschenen roman ’Lucifer’ doet Connie Palmen waar zij goed in is: waarheid en fictie vermengen. Literatuurjournalist Onno Blom ontrafelt de loopbaan en het schrijverschap van Palmen en sprak met Harry Mulisch, die in het boek onder pseudoniem wordt opgevoerd. „Hoe heet het boek ook weer? Lucifer? Ik gebruikte voor mijn pijp altijd een Dunhill-aansteker.”

Met daverend klaroengeschal, ’dat engelen kan sterken’ zoals Goethe in ’Faust’ schreef, maakte Connie Palmen in januari 1991 haar opwachting in de vaderlandse letteren. Ze was 35 jaar oud en publiceerde haar debuutroman ’De wetten’. Zelden werd in de pers een debutante zo hoog op het schild geheven. „Op dat moment”, vertelde Palmen ooit in deze krant, „ging ik vermoeden wat er stond te gebeuren. Het was heerlijk en opwindend. Herboren worden. Ik was in één klap een publieke persoon geworden. Maar ik was er snel aan gewend. Het was alsof iemand het zo bedoeld had.”

Wie het zeker óók zo had bedoeld was Palmens uitgever, Mai Spijkers, die destijds net Uitgeverij Prometheus was begonnen. Van meet af aan had hij het gevoel dat hij met de debutante Connie Palmen daadwerkelijk het vuur van de goden had gestolen. Spijkers leerde Palmen een paar jaar eerder kennen bij radio-opnames. „Daar zat een leuk meisje met een plukkenkop op de tribune”, vertelt Spijkers. „Dat was Connie. Zij vertelde me dat ze met een boek bezig was.” In de zomer van 1988 publiceerde Palmen een verhaal in De Held, getiteld ’Als een weke krijger’, en op basis daarvan nodigde Spijkers haar uit om met hem te komen praten. Vele etentjes volgden: „Ik moest en zou dat boek hebben.”

Op de avond voor Hemelvaart in 1990 ging Spijkers opnieuw met Palmen uit eten – en gooide alles uit de kast om haar te overtuigen. Hij zei: „Alle bloed, zweet en tranen die jij hebt gestopt in het schrijven, zal ik stoppen in het uitgeven van je debuut.” Toen Spijkers de volgende dag wakker werd, dacht hij: „Ik zeur zó erg, dat ze nooit meer iets met me te maken zal wil hebben. Maar tot mijn stomme verbazing belde ze op en zei: ’Ik kom naar jou.’ Die avond heeft ze bij me thuis het eerste hoofdstuk van ’De wetten’ aan me voorgelezen. Ik voelde meteen dat we goud in handen hadden.”

Palmens roem groeide explosief na de publicatie van ’De vriendschap’, haar tweede roman, die in 1996 werd bekroond met de AKO Literatuurprijs en de Trouw Publieksprijs en zijn weg vond naar honderdduizenden lezers. Dat succes beschouwde Palmen als essentieel: „Schrijven is gekend worden en toch anoniem blijven. Ik ben daar niet bescheiden in: ik wil dat mijn boek de wereld overgaat.” In interviews durfde ze openhartig te zijn en legde een ongebreidelde ambitie aan de dag. Tegen Bibeb zei ze: „Je brengt met wat je schrijft letterlijk je ziel naar buiten. Iedereen die zijn naam publiek maakt is uit op roem, wie dat ontkent, liegt.”

Palmen schroomde ook niet – en dat is vaak aangemerkt als verklaring voor haar succes – om haar alter ego’s naar zichzelf te modelleren. Was het autobiografische karakter van haar eerste twee boeken voor de goede verstaander al duidelijk, in haar derde roman was dat voor iedere lezer onontkoombaar. In ’I.M.’, haar requiem voor de journalist Ischa Meijer, vertelde zij het verhaal van de liefde tussen twee beroemde Nederlanders, die uit pure verliefdheid niet konden stoppen elkaar op te hemelen: ’Ischa’ en zijzelf.

De verzamelde critici sleurden haar net zo hard weer van het schild als zij er bij haar debuut was opgehesen. Men verweet haar alom narcisme. ’Een egomane droomwens’ noemde Hans Goedkoop ’I.M.’ in NRC Handelsblad en T. van Deel karakteriseerde het boek in Trouw als ’onmiskenbaar ijdel en koket’.

Palmen sloeg terug in ’De erfenis’, het Boekenweekgeschenk van 1999. Daarin voert zij een wijze, op de rand van de dood verkerende schrijfster op die hevig tekeergaat tegen de ’literatuurcritici’: „Het stempel narcistisch of autobiografisch heeft geen enkele analytische of onderscheidende waarde, geen enkele. Gezeur aan mijn kop! Beckett, Brodkey, Joyce, Duras, Genet, Pavese, Proust, Multatuli, Capote, Roth, Dostojevski, de hele godvergeten literatuur is autobiografisch.”

Daar heeft Palmen natuurlijk een punt. Het gaat er niet om of een boek al dan niet autobiografisch is, maar hoe zij als schrijver met haar persoonlijke materiaal omgaat. En zo beschouwt Palmen het ook. Zij beschouwt de feiten via de fictie en de grens tussen beide ter discussie. „De omschrijving van fictie als iets wat aan de werkelijkheid en de waarheid is tegengesteld deugt natuurlijk van geen kant”, staat in ’I.M.’. „God, de liefde en zelfs de waarheid zelf zijn werkende ficties die ons leven, ons geluk, onze verhoudingen en ervaringen, dus onze werkelijkheid iedere minuut beïnvloeden.”

Evelien Gans, historica en de biograaf van Jaap en Ischa Meijer, vindt dat iedere schrijver die feit en fictie vermengt zich op glibberig terrein begeeft. „De werkelijkheid kan cruciaal anders zijn geweest dan opgeroepen in een roman, maar daar is een auteur niet op aanspreekbaar. Het is immers fictie. De wijze waarop zij met het beeld van Ischa omgaat zegt natuurlijk vooral iets over háár. Om te zien welk beeld Palmen van Ischa schept, dat is voor mij als biograaf fascinerend om te zien.”

Palmen speelt ook een spel met de conventies van de literaire genres. Zo valt ’I.M.’ te karakteriseren als een fictieve autobiografie, haar volgende roman, ’Geheel de uwe’, als een fictieve biografie en haar nieuwste roman, ’Lucifer’, als een fictieve documentaire. Haar werk gaat óók over het schrijven zelf. „Van het opsporen, analyseren en vervormen van ronddolende verhalen heb ik mijn beroep gemaakt”, zegt Kit Buts in ’De vriendschap’.

’Lucifer’, een tragedie in vijf bedrijven, wordt verteld door een anonieme schrijfster die de oudere versie van Kit Buts zou kunnen zijn. Zij komt op het spoor van het verhaal van de componist Lucas Loos, die op een fatale nacht zijn vrouw Clara van een rots ziet vallen – of van de rots heeft geduwd. Dat verhaal is gebaseerd op het leven van Peter Schat, de fameuze en inmiddels overleden componist, wiens vrouw Marina Schapers in 1981 door een val in Griekenland om het leven kwam. De oude vrienden van Loos vertellen de schrijfster het verhaal van de componist en zijn gevallen engel. Al die pijnlijke feiten worden nu juist aan de schrijfster verteld omdat zij zich niet aan de waarheid omtrent Lucas Loos hoeft te houden: „Alleen fictie doet hem recht.”

Het is opmerkelijk hoe dicht de opvatting van de schrijfster in ’Lucifer’ ligt bij de visie van Harry Mulisch op het schrijven, en dat is des te opmerkelijker omdat Mulisch één van de beste vrienden van Peter Schat was – al raakten de twee gebrouilleerd – en herkenbaar als de schrijver Aaron Keller in de roman wordt opgevoerd. „We begrijpen de werkelijkheid dankzij de literatuur, niet andersom”, zegt Keller in het boek – een uitspraak die Mulisch talloze malen heeft gedebiteerd.

Palmen heeft de oude vrienden bezocht van Peter Schat, van wie de meesten zijn verenigd in ’De Herenclub’ (in de roman ’De Tafel’). Met Mulisch sprak zij uitgebreid. Het glinstert achter Mulisch’ brillenglazen. „Hoe heet het boek ook weer? Lucifer? Ik gebruikte voor mijn pijp altijd een Dunhill-aansteker.”

Mulisch leerde Palmen kennen, toen zij net met Ischa was. „Ik ontmoette hem samen met een klein vrouwtje. Ik verstond haar naam niet – daar heb ik meer last van – maar later bleek dat Connie Palmen te zijn. Zij hadden samen iets griezeligs, wat ik niet gemakkelijk onder woorden kan brengen. Nu ja, ’I.M.’ heeft die morbiditeit wel bewezen.’

Toen Connie Palmen na de dood van Ischa de vriendin van Hans van Mierlo werd, een van Mulisch’ allerbeste vrienden, leerde hij haar beter kennen. „Een tijdje geleden kwam ze praten over mijn verhouding met Peter Schat, van wie ik veel heb gehouden. Toen hij dood was en opgebaard lag, heb ik mijn hand op zijn koude voorhoofd gelegd. Daarvoor had ik hem een tijd niet gezien omdat wij ruzie hadden gekregen.”

„Schat was een raar, rabiaat figuur”, zegt Mulisch. „Hij hing nu eens het ene geloof aan, dan weer het andere. Hij heeft de componist Jan van Vlijmen nog proberen te bekeren tot het gereformeerde geloof, maar zwoor dat toen af. Daarna moesten we allemaal maoïsten worden. Met mij is hij op Cuba geweest om Castro op te zoeken, maar hij eiste later dat ik mijn verleden zou verraden. Ik spuug nooit in de bron waaruit ik heb gedronken. Die ruzie liep hoog op, waardoor hij niet meer op de Herenclub verscheen.”

Ook de dood van Marina Schapers heeft de vriendschap tussen beide heren een slag toegebracht. Mulisch: „Nadat ik het vreselijke nieuws had gehoord, stuurde ik hem een telegram in Griekenland. Ik schreef: ’Alleen maskers kunnen ons afgrijzen uitdrukken.’ Daar was hij woedend over. Hij bevond zich in Griekenland – en daar stortte zijn vrouw als Theseus van de rots. Ik dacht: dat waardeert Peter wel. Ik wilde alleen maar zeggen dat de ontzetting te groot was om die als mens te tonen. Hij heeft dat niet begrepen.”

Deze hele kwestie is, tot in de letterlijke formuleringen van Mulisch, in ’Lucifer’ terug te vinden. Voor wie er oog voor heeft, wandelen in de roman een fors aantal bekenden uit de kunstwereld: Reinbert de Leeuw, Hugo Claus, Jan Hein Donner, Kitty Courbois. Allen onder pseudoniem. Sommige van die schuilnamen leiden overigens tot vreemde dwarsverbanden – zo komt Hugo Claus voor als ’Gilles Boon’, en is getooid met de achternaam van die andere grote Vlaamse schrijver. Maar de voornaam ’Lucas’ is ook een anagram van ’Claus’. ’Loos’ zou weer opgevat kunnen worden als ’zielloos’. Naarmate ’Lucifer’ vordert krijg je het idee dat Lucas Loos zijn ziel aan de duivel heeft verkocht. En laat dat nu net zijn wat de filosofiestudente Marie Deniet in ’De wetten’ deed en Connie Palmen over zichzelf zei na de publicatie van ’Geheel de uwe’: „Vrouwen verkopen hun ziel – althans, ik deed dat.”

Zo heeft Palmen feiten, opinies en uitspraken, personen en personages met duivels plezier samengevoegd, uiteengereten en in haar eigen verhaal gebruikt. „Sommige personages in ’Lucifer’ komen uit de hemel gevallen, sommigen leiden een leven in de literatuur”, schrijft Palmen zelf in haar nawoord. Gerrit Komrij, die het libretto schreef van ’Symposion’, de laatste opera van Peter Schat uit 1994, komt bijvoorbeeld niet herkenbaar voor. Zijn rol is opgegaan in die van een ander. Wel speelt de plot van de opera – waarin de laatste dagen van Tsjaikovski worden verbeeld – weer een belangrijke rol in de plot van ’Lucifer’.

Komrij vindt de verschillen tussen feit en fictie van geen belang. „Ach, daarin ben ik niet wezenlijk geïnteresseerd. Niet als schrijver en niet als lezer. Op het moment dat het boek er ís, doen die verschillen er niet meer toe. Dan is alles fictie geworden. Ik kan me voorstellen dat Connie op zoek is gegaan naar zoveel mogelijk feiten, maar uiteindelijk telt alleen wat ze daarmee heeft gedaan. Of ze dat goed heeft gedaan weet ik niet, want het boek heb ik nog niet gelezen – maar in het geval van ’I.M.’ vond ik het portret van Ischa wel treffend. Maar nogmaals: wat doet het toe? Wat zegt dat de meeste lezers? Als je zelf de mensen goed kent of deel uitmaakt van het verhaal kan je er nauwelijks iets zinnigs van zeggen.”

Palmen sprak Komrij overigens pas een paar weken voordat het boek naar de drukker ging, dus hij heeft niet de illusie dat wat hij haar vertelde nog veel aan de roman veranderd zal hebben. „Dat telt dus ook niet. Hoewel het documentairegehalte van de roman me gestolen kan worden, kan je niet ontkennen dat Connie Palmen een neus heeft voor interessante, aansprekende onderwerpen. Haar vondst om het verhaal van Peter Schat en de dood van Marina, zijn gevallen engel, als onderwerp te nemen vind ik tamelijk briljant. Nu eens zien wat dat idee heeft opgeleverd.”

Morgen bespreekt Xandra Schutte het boek ’Lucifer’ in het Boekenkatern.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden