Duitsland wordt drie, maar de eenheid komt van Ikea Winkelparken, alom in Oosten, maar wie kopen?

Morgen houdt het verenigde Duitsland in Saarbrucken de viering van zijn derde verjaardag. Veel politie is opgetrommeld, want in Hamburg in 1991 en Schwerin in 1992 werd het feest ontsierd door rellen. Waarom is er zo weinig blijheid? Raadsels uit het bloeiende oosten.

Een Oost-West-dialoog gisteren in de Suddeutsche Zeitung: “Betalen we jullie nog steeds niet genoeg? Waar blijft jullie dankbaarheid? En hoe lang willen jullie eigenlijk nog je hand ophouden in plaats van ze eens uit de mouwen te steken? Wij hebben na de oorlog ook niks cadeau gekregen. Dus leer maar eens weer aan het werk te gaan.”

“Waar dan? Jullie hebben al onze bedrijven kapot gemaakt. En waar moeten we dankbaar voor zijn? Voor massa-werkeloosheid, criminaliteit, sociale onrust? Veertig jaar lang waren we de dommen en nu zijn we het weer. Eerst nemen jullie ons alles af, onze huizen, onze arbeidsplaatsen, onze theaters en onze creches en dan strooien jullie een paar aalmoezen rond en willen dat wij jullie daarvoor de voeten kussen!”

Katerstemming. 'De economie in het oosten van Duitsland is morsdood' schreef Trouw-redacteur Gerbert van Loenen ruim een maand geleden in deze krant. We maken een kleine rondgang door het oosten, op zoek naar de sporen van het nieuwe, opbloeiende Duitsland. De keuze valt op de Bitterfeld, Leipzig en Halle, een beruchte Bermudadriehoek van verdwijnend werk. Kan het zo erg zijn? Of lezen we de verkeerde krant?

Bitterfeld. Volgens een brochure de 'wieg van de polyvinylchloride', de geboortestad van de PVC. Tot voor kort was het de meest vervuilde plaats van het oosten. In vergelijking met drie jaar geleden is de uitstoot van schadelijke stoffen met tachtig procent verminderd, al was het maar omdat zoveel bedrijven moesten sluiten. Eind dit jaar kan men weer water uit de kraan drinken.

Vorige week had Bitterfeld iets te vieren. Precies honderd jaar geleden werd hier de eerste chemiefabriek gevestigd en al zijn de gloriedagen lang voorbij en is een milieuramp ternauwernood voorkomen, een bescheiden feestje kon er nog van af. In een tent op het achterterrein van het voormalige Kulturpalast uit Stalins tijd luistert een Wessigezelschap van fabrieksdirecteuren, bestuursleden en een minister (Rexrodt van economische zaken) naar toespraakjes en een strijkkwartet.

Optimistische geluiden klinken hier. Rexrodt begint ernstig: “Hadden in 1989 in het VEB Chemiekombinat Bitterfeld/Wolfen nog 18 000 mensen werk, nu werken er in de huidige Chemie AG nog 3100. Bijna niemand in het westen kan zich voorstellen wat dat voor een regio betekent. Maar toch: de chemiefabrieken in de nieuwe deelstaten hebben goede vooruitzichten.”

Dan roemt hij de speciale infrastructuur, de hoog gekwalificeerde arbeidskrachten, het voor nieuwe investeerders soepele vergunningenstelsel. Bitterfeld moet 'een model voor heel Duitsland' worden, een particulier bedreven ultra-modern chemiepark. Veel geld kost dat wel. Alleen in de Oostduitse chemie stak de bondsregering al tien miljard mark, niet om te investeren, maar om verliezen op te vangen.

Kleine onderdelen van het reusachtige chemiewerk werden geprivatiseerd, maar de afbraak gaat voorlopig verder. De helft van de 3100 mensen die Rexrodt noemde, werkt aan de sloop van onbruikbaar geworden installaties. Ze werken in feite aan de sloop van hun eigen arbeidsplaats.

Diplom-ingenieur Jurgen Findeisen rijdt ons over het uitgestrekte fabrieksterrein met zijn gedoofde schoorstenen. De bakstenen hallen zijn nog origineel jaren twintig - door de geallieerden om strategische redenen gespaard - en herinneren onwillekeurig aan de duistere nazi-jaren, aan dwangarbeid, aan IGFarben, aan Zyklon B. Ook dat kwam uit Bitterfeld.

Findeisen werkte sinds het begin van de jaren zestig in Bitterfeld bij het onderhoud van het machinepark. Nu is hij aangesteld om bezoekers rond te leiden, zolang er nog belangstelling is. Hij toont ons, midden in het uitgestrekte industriele rune-landschap, de ontluikende bloemen. Een gloednieuwe geneesmiddelenfabriek van Bayer, het familiebedrijf van Heraeus, dat synthetisch kwartz-glas produceert en een zuiveringsinstallatie - alles met onweerstaanbare Westduitse technologie gebouwd en in lichte, heldere tinten geschilderd. Het tijdperk van stank, zweet en stof is voorgoed voorbij en even bekruipt je het gevoel dat een vreemde, buitenaardse beschaving op Bitterfeld is neergedaald.

We reizen verder langs de A9 richting Leipzig. In de stad tennist Steffi Graf voor een prijzengeld van 345 000 mark. De Madler-passage, het oude achttiende eeuwse beursgebouw in het hart van Leipzig, is omgetoverd in een fonkelende winkelgalerij met dure boetieken. “Zum Nase platt drucken,” zegt Karin Holitzer. Voor haar is de weelde hooguit iets om je vanachter etalageruiten aan te vergapen. Ze studeert viool aan het conservatorium, maar we treffen haar aan in het gebouw van de voormalige staatsveiligheidsdienst, de Stasi.

Daar springt ze haar moeder bij in de begeleiding van bezoekers van een kleine Stasi-tentoonstelling. Niet dat de Stasi al tot de museale geschiedenis behoort, integendeel, men wil de herinnering aan het schrikbewind levend houden. 'Men', dat zijn de zes leden van het Burgerkomitee fur die Auflosung der ehem. Staatssicherheit, een van de bewegingen die is voortgekomen uit de burgerlijke opstand tegen de DDR.

Leipzig verwierf zich in de herfst van '89 de naam 'heldenstad', de zich herhalende maandag-demonstraties trokken wereldwijd de aandacht. Mevrouw Holitzers gezicht lijkt even te glanzen als ze aan die dagen terugdenkt: “Met z'n duizenden dansten we op de Ring,” zegt ze. De Ring is de ringweg om Leipzigs oude binnenstad. Daaraan bevindt zich ook het 'Museum in der Runden Ecke', het oude Stasi-gebouw. Het is er benauwd en het ruikt er naar DDR. De kleine expositie met opgeprikte Stasi-formulieren, hulpstukken voor Stasi-agenten (een nepbuik met verborgen camera, lens ter hoogte van de navel) en in kaart gebrachte samenzweringsadressen stemt oneindig treurig, vooral ook omdat de amateuristische wijze van tentoonstellen het gevoel versterkt dat hier iets getoond wordt wat niemand meer weten wil. Zand erover. Daartegen voert het kleine comite met de achterhaalde naam een verloren strijd.

De helden van toen bewegen zich filegewijs naar een andere ring, de A9 richting Halle, vijftien kilometer buiten Leipzig. Dagelijks bezoeken zestigduizend mensen het SaalePark, een gloednieuw winkelcentrum, als een fata morgana verrezen aan de autobaan. De palmen in de oase dragen namen als Hoffner, C & A, Peek en Cloppenburg, en Ikea is in aanbouw. Aan weerszijden van de vierbaans toevoerroute strekken zich parkeerplaatsen uit, velden vol glimmend autodak. Het grootste consumentenparadijs van Duitsland (160 000 m2) is hier uit de grond gestampt, een 125 meter lange, halfoverdekte passage met fonteinen en kinderspeelplaats, tien bioscopen, een drive-in McDonalds.

“Het zou nog wel wat drukker mogen zijn,” meent een wat bezorgd ogende verkoopster bij P en C. We schuifelen langs de kledingrekken vol merkartikelen. De cashmeretruien zijn hier een stuk goedkoper dan in het westen, zegt mijn begeleider met kennersblik. Veel kijkers, weinig kopers? De gemeente Leipzig heeft in de omgeving van de stad bouwvergunningen verleend voor nog eens een miljoen vierkante meter verkoopoppervlak.

“Een grote belastingtruc”, meent Martin Kupfer, alweer een diplom ingenieur. Net als Findeisen afgedankt door de chemie, niet in Bitterfeld, maar bij Buna. “Winkelparken, winkelparken en nog eens winkelparken. Maar wie moet daar kopen?” De westerse winkelketens investeren alleen maar omdat ze het van hun belasting af kunnen trekken, meent Kupfer, en als ze al winsten maken verdwijnen die weer naar het westen. De 45-jarige Kupfer heeft nog werk, zij het maar tot eind volgend jaar.

Hij zit in een kantoortje in flat 506/2, (volgens de oude DDR-benaming), in Halle-Neustadt. Hij bemant een adviesbureau voor werkelozen, helpt met het zoeken naar omscholingscursussen, het aanvragen van pensioenen en uitkeringen. Sinds '72 woont hij in Halle-Neustadt.

's Morgens naar buiten naar het werk en naar de creche, 's avonds terug in het Drei-Zimmer-Gluck, zo hadden zich de socialistische planologen dat voorgesteld toen ze HalleNeustadt in de jaren zestig bouwden. Een model-stad met honderdduizend inwoners, ingericht als woonplaats voor de chemie-arbeiders van de 'Chemiekombinaten' van Leuna en Buna. Acht wooncomplexen groeiden op het terrein westelijk van het oude Halle, met flats van vijf, elf, veertien en 25 verdiepingen. De drie-kamer-appartementen maten tussen de vijftig en zestig vierkante meter, alle voorzien van warm water, een bad en centrale verwarming - ongekende luxe in de DDR. De adressen bestonden uit nummers, van woonblok en huisingang zoals 506/2. Een ondergrondse bracht de arbeiders direct naar hun werk.

De ondergrondse is er nog, het werk vrijwel niet meer. Want de twintigduizend arbeiders is tweederde ontslagen. Toch heeft men tussen de met veel groene tussenruimte gescheiden flats geen gettogevoel, al wekt een enkele woontoren door zijn achterstallig onderhoud associaties met Sarajevo. “Vroeger wisten we van elkaar precies wie er een auto had, een Trabbi of een Skoda”, zegt Kupfer, “Nu willen we alleen nog weten welke auto men heeft. Alleen daaraan laat zich afmeten of iemand geslaagd is of niet”. Zoveel winkels en geen koopkracht? Zoveel uitkeringen en toch auto's? “De huren zijn voor velen hier onbetaalbaar geworden.”

Duitsland is een raadselachtig land, meneer Kupfer. Die geeft ons met een veelbetekenend lachje zijn kaartje en daar staat op dat hij ook adviseert bij de teruggave van loonbelasting. Aan meneer Kupfer is de Duitse eenheid wel besteed.

Net als trouwens aan de bonden van oud-strijders. Ze troffen elkaar op 25 juli dit jaar vanuit heel Duitsland aan de voet van het Kaiser Wilhelmmonument in het Kyffhausser-gebergte. Tachtig meter hoog torent het beeld met een Wilhelm I te paard op de berg en ziet uit over de Harz en het Thuringer bekken. In de sokkel is een vervaarlijke Barbarossa gehakt, de elfde eeuwse Duitse keizer die bij een Kruistocht sneuvelde em sindsdien wacht op de wederoprichting van zijn rijk. In 1870/71 - toen Wilhelm I na de overwinning op de Fransen in Versailles tot keizer werd gekroond - was het zover, meende men en werd met de bouw van dit reusachtige monument begonnen.

Na de oorlog wilde Ulbricht het martiale beeld, dat sombere symbool van het Duits militarisme, laten opblazen. een Sovjet-officier verhinderde dat: “Jullie Duitsers moeten eindelijk maar eens leren leven met jullie monumenten”.

Als wij er gaan kijken en huiverend naar zoveel Germaans imponeergedrag opzien, hangen binnen in de hal van het monument nog de vaantjes van de oud-strijders, de Kyffhausser-Bunden, verstokte soldaten die nog in de glorie van het leger geloven. Voor hen is het monument 'symbool voor de ondeelbaarheid van ons vaderland'. Volgens de oude mythe zal Barbarossa opstaan als de zwarte raven niet meer vliegen en opnieuw zijn Rijk vestigen. Een bezoeker uit West-Duitsland kijkt bewonderend omhoog. “In de tijd dat we dit bouwden hadden we als volk iets om trots op te zijn. Tegenwoordig is heel ons nationaal gevoel behekst.” Of oost en west elkaar hier de hand zullen reiken?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden