Duitsland wacht een pijnlijke omschakeling

AMSTERDAM - Als er één wet is die in Nederland heilig is, is dat de wet die leert dat loonmatiging goed is voor de economie. In Duitsland was die wet minder heilig. Maar nu de werkloosheid in Duitsland tot recordhoogte is gestegen en de Duitse economie niet meer groeit, rijst de vraag of 'de dertiende provincie van Duitsland' toch niet slimmer heeft geopereerd dan Duitsland zelf.

De term Wirtschaftswunder is gereserveerd voor de jaren vijftig toen (West-)Duitsland zich razendsnel herstelde van de gevolgen van de tweede wereldoorlog. Maar vanuit Nederlandse optiek heeft zich in Duitsland ook de afgelopen vijf à tien jaar een economisch mirakel voltrokken.

Waar in Nederland bedrijfsleven, vakbeweging en politiek eensgezind de zegeningen van de loonmatiging predikten, stegen de lonen in Duitsland relatief sterk. Stijgen deden ook de belastingen. Waar de Nederlandse regering zich verbaal hard maakte voor belastingverlaging, eiste de Duitse regering een forse 'solidariteitsheffing' van haar burgers, bedoeld om de hereniging met het voormalige Oost-Duitsland te financieren.

Duitsland had nog twee handicaps. Nederlandse bedrijven klagen al jaren over de starheid van de arbeidsmarkt. Maar Duitsland heeft de flexibele arbeidsmarkt ook niet uitgevonden: zo staan uitzendbureaus er bijvoorbeeld in een kwade reuk. Tenslotte heeft Duitsland, net als Nederland overigens, het nadeel van een keiharde munt.

Ondanks die handicaps en die 'onmogelijke' politiek van loonsverhoging en solidariteitsheffing is het Duitsland de afgelopen jaren bepaald niet slecht vergaan: de gemiddelde Duitser verdient tien procent meer dan zijn Nederlandse buur, de export groeide flink, de werkloosheid was er lager dan in Nederland. Vanuit Nederlands oogpunt vond in Duitsland voorwaar een mirakel plaats, en dat terwijl (West-)Duitsland ook nog eens werd geconfronteerd met de hereniging.

Inmiddels lijkt het wonder zichzelf te hebben overleefd. In het laatste kwartaal van 1995 kromp de Duitse economie. De werkloosheid is gestegen tot recordhoogte. De overheidstekorten nemen toe tot, voor Duitse begrippen, enorme proporties.

Voorspelling

De meeste economische onderzoeksbureau voorspellen nauwelijks groei in het eerste half jaar van '96. En de prognoses over het tweede deel van het jaar worden steeds somberder.

In Duitsland is het geklaag niet van de lucht. Werkgevers wijzen ter verklaring voor de economische teruggang op de hoge lonen en, meer nog, op de hoge loonkosten. Geklaagd wordt er over de gedetailleerde regels en veiligheidseisen waaraan produkten moeten voldoen, waardoor het moeilijk is om met buitenlandse bedrijven te concurreren. En er wordt gewezen op de zware belastingdruk en de hardheid van de mark. Duitsland, kortom, lijkt de laatste maanden erg op Nederland.

Een deel van de kritiek die in Duitsland oplaait, is ook terug te vinden in een concept-rapport van het Centraal planbureau (CPB) dat vorige week uitlekte. In dat concept - de definitieve versie verschijnt begin april; tot die datum wil het CPB niet inhoudelijk op het concept ingaan - staat de harde analyse dat de Westduitse industrie zich uit de markt heeft geprijsd. Duitsland heeft in tien jaar tijd dertig procent van zijn aandeel op exportmarkten verloren en zag de loonkosten per produkt relatief sterk stijgen waar deze kosten in andere Europese landen juist daalden. Het CPB stelt verder dat Duitsland op het gebied van hoogwaardige nieuwe technologie de boot heeft gemist.

Alfred Kleinknecht, de econoom die vorig jaar opschudding verwekte met zijn stelling dat Nederland behoefte heeft aan een flinke loonsverhoging om zodoende de innovatie in de het bedrijfsleven te stimuleren, gelooft niet dat Duitsland zich uit de markt heeft geprijsd. Hij wijst twee hoofdoorzaken aan voor de huidige problemen in Duitsland. “Meestal vind zo'n eens in de acht à tien jaar een stevige crisis plaats. Daartussendoor heb je af en toe dipjes. Dit is er zo een, een kleine teruggang die overigens in veel landen te voelen is. Belangrijk voor Duitsland zijn de kosten voor de hereniging, die veel hoger zijn dan gedacht. Jaarlijks belopen die kosten 80 tot 100 miljard mark. Stel je eens voor dat Nederland opeens 15 of 20 miljard gulden aan Suriname zou besteden. Dat zou de Nederlandse economie ook sterk beïnvloeden.”

Kleinknecht wijst verder op het koude weer in de afgelopen winter. “Heel Oost-Duitsland is één bouwput. In die put liggen de activiteiten nu al tijden stil. De werkgelegenheid zal weer aantrekken als de bouw weer op gang komt. De werkloosheidscijfers worden bovendien beïnvloed door het feit dat de tijdelijke werkgelegenheidsprogramma's voor voormalige Oostduitsers aflopen.” Dat Duitsland niet te duur is, wordt volgens Kleinknecht bewezen door de export, die ook vorig jaar nog flink steeg. “Als Duitsland op het gebied van kosten hinder ondervindt, is dat eerder van de hoge koers van de mark dan van de hoge lonen.”

Toch ziet Kleinknecht ook een zorgwekkende ontwikkeling. “Duitsland richt zich sterk op Oost-Europa. Op de korte termijn is die produktie interessant en winstgevend. Maar Duitsland maakt voor Oost-Europa produkten die wij al hebben. Technologische vernieuwing is er niet voor nodig. Dat kan uiteindelijk nadelig uitpakken.” Een aanwijzing voor die ontwikkeling ziet Kleinknecht in cijfers over de uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling: afgezet tegen het bruto binnenlands produkt dalen die.

Hoge lonen

Ook de econoom Eduard Bomhoff, werkzaam bij Nijenrode en gekend criticus van Kleinknechts pleidooi voor een stevige loonronde in Nederland, ziet in de hoge lonen en loonkosten niet de eerste verklaring voor de huidige economische teruggang in Duitsland. “De lonen waren een paar jaar geleden ook al hoog, al is er wel een tendens dat kleine bedrijven niet langer CAO-lonen willen betalen.” Bomhoff, die Kleinknecht ooit typeerde als Baron von Münchhausen en als 'dwaalleraar' betwijfelt, net als Kleinknecht, of de crisis in Duitsland zal doorzetten. “De stand van de rente en de ontwikkelingen op de beurs wijzen niet op crises à la 1974/'75 en 1982/'83. Ook het aantal faillissementen is heel beperkt, met uitzondering dan van de bouw.”

Toch ziet Bomhoff een fundamenteel probleem in Duitsland. “Zo'n 35 procent van de Duitsers werkt in de industrie. In Nederland is dat maar 15 procent. Dat komt omdat de vorige crises in Nederland harder hebben toegeslagen dan in Duitsland en Nederland zich veel meer heeft gericht op de dienstensector.

“Duitsland moet die ommezwaai ook gaan maken. En dat wordt een pijnlijk en moeizaam proces. Het is vergelijkbaar met wat er in Zuid-Limburg is gebeurd bij het sluiten van de mijnen. En het zal tot werkloosheid leiden. Want de mensen die nu in Limburg bij het Algemeen burgerlijk pensioenfonds werken zijn lang niet altijd voormalige mijnwerkers. Vaak zijn het hun zonen en dochters.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden