Duifgrijs naast krullerig bruin naast gedempt blond

“Kunt u ons ook vertellen wie er straks in deze kerk verwacht wordt?” “Het spijt me, madam, sir, ik heb werkelijk geen idee”, antwoordt de veiligheidsagent met zijn meest argeloze glimlach.

HANNY VAN DER HARST

Het is zondagochtend vroeg, en tijdens onze eerste vakantieslentering door Washington D.C. valt ons oog op de charmante architectuur van een wit kerkje - en op een zwerm veiligheidsagenten. Waarna bovenstaande dialoog volgt. Aangezien een journalist ook op vakantie nieuwsgierig blijft, vatten wij post op een bankje bij de ingang. Al die security voor een 'ik heb geen idee'-persoon? Ha! En kijk daar eens, stoten we elkaar aan: mannen met kogelvesten en tele-geweren op het dak van het gebouw aan de overkant. Maar wacht eens even, naast de kerk ligt het Lafayette-park en daar weer naast staat het Witte Huis . . . . We mimen opwinding en zetten de camera op scherp. Wat ons betreft kan de show beginnen.

Maar de wijzers kruipen naar negen uur en nog nergens een spoor van de hoofdrolspeler. Alleen een paar figuranten op z'n zondags die, na door de agenten discreet beklopt te zijn, de kerk binnengaan. Een minuut voor negen concluderen we dat we ons vergist hebben, waarschijnlijk treft de veiligheidsdienst deze maatregelen elke zondag, gewoon voor het geval dat. Dus wat nu: weggaan, of toch maar naar binnen? Op beleefde aandrang van een van de agenten (“Bent u nog van plan de dienst bij te wonen? Ach, zou u dan nu naar binnen willen gaan? Dat geeft minder fuss, ya know. Thanks for your co-operation.”), wordt het het laatste.

In de kerk zitten niet meer dan twintig mensen, we zijn zichtbaar de enige toeristen en schuiven een lege bank in. Het vierkoppige koortje zingt, verrast zien we dat de dienst wordt geleid door een mannelijke en een vrouwelijke voorganger, we besluiten er maar eens goed voor te gaan zitten. Op dat moment rimpelt er iets schuin achter ons, achteloos kijken we om, en: “Oh, my goodness!”, mompelt mijn buurman - wat in zijn geval op grote opwinding duidt. Duifgrijs naast krullerig bruin naast gedempt blond zit daar de First Family van de Verenigde Staten. Dus toch. Bill, Chelsea, Hillary, zomaar binnen handbereik.

Een jongetje van pakweg zeven, twee banken voor ons, slurpt met verwonderde ogen hun aanwezigheid in zich op, maar wij zijn groot, wij doen wat ons van jongs af aan is bijgebracht: niet staren. Nonchalant bladeren we heen en weer in het kerkboek en neurien voor de vuist weg een melodie mee. Alleen, onze ogen en oren lijken zich geheel autonoom verplaatst te hebben naar onze rug, ter hoogte van de linkerschouder. We stellen vast dat de president er in zijn lichtgrijze pak zeker niet smalletjes uitziet, we merken hoe hij zijn dochter iets toefluistert en een arm om haar heen slaat (aardige vader) en hoe de First Lady zich glimlachend naar hen overbuigt (leuke vrouw). En Chelsea, ach ja, Chelsea, dat komt vast nog wel goed.

Hoe zou het zijn om voortdurend in de spotlights te staan, bij elk openbaar optreden steeds al die ogen te voelen prikken? Zelfs een presidentiele nies maakt onder de kerkgangers een schokgolfje los, en wanneer hij voor in de kerk neerknielt en we hem op de fors uitgevallen rug kijken, zijn we er ons van bewust dat dat de achterkant van de machtigste man ter wereld is.

Die niet aflatende aandacht moet dodelijk vermoeiend zijn, maar gedrieen presteren de Clintons het ontspannen warmte uit te stralen. Alleen als de president, staand in het gangpad, wacht op zijn beurt om het brood en de wijn uitgereikt te krijgen, zien we een kaakspier trekken. Het doet de toeschouwer deugd, niets menselijks is deze sterspeler op het wereldtoneel vreemd.

Na afloop leggen enthousiaste toeristen, drie rijen dik langs de kant van de weg, de vertrekkende Clintons klikkend en snorrend vast. Minzaam zien we het aan: ach mensen, als jullie eens wisten. Intussen maak ik de score op van mijn brush with greatness door de jaren heen. In 1966 schudde president Lyndon Johnson mij de hand, anderhalf jaar geleden botsten we in Praag tegen acteur Peter Ustinov op, kort daarop zat ik naast premier Lubbers in de schouwburg, en de woorden die John Kennedy in 1960 tijdens zijn presidentiele campagne tot mijn zus richtte (“Hi girl, how's school?”) zijn toch minstens goed voor een halve punt. En nu dus de drie Clintons, het begint waarempel ergens op te lijken.

Bij wijze van bonus lopen we een paar dagen later in New York filmster Daniel Day-Lewis, Oscarwinnaar ('My Left Foot') en hartenbreker ('The Unbearable Lightness of Being'), tegen het lange lijf.

Het leven is een eenvoudige theaterjournalist soms buitengewoon goed gezind.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden