Review

Duel met de staat

Duitsers mogen graag diepgaand discussiëren. Zo praten ze al tientallen jaren over de Rote Armee Fraktion die in de jaren zeventig dood en verderf zaaide in de West-Duitse samenleving. Een nieuwe dikke bundel geeft geen uitsluitsel over de motieven, wortels en achtergronden van de linkse terroristen maar bevat toch interessante analyses. De RAF heeft een nationaal debat over democratie en rechtsstaat aangezwengeld. Conclusie: terrorisme houdt de samenleving een spiegel voor.

Dertig jaar na de ’hete herfst’ van het Duitse terrorisme legt redacteur Wolfgang Kraushaar drie kilo tekst over de Rote Armee Fraktion op tafel. De twee dikke banden, ca. 1400 pagina’s, leveren een welhaast verstikkende bijdrage aan het debat over de plaats van het linkse terrorisme in de Duitse geschiedenis. Is dit dan eindelijk the book to end all books over de RAF?

Daarvoor had Kraushaar een aantal cruciale historische vragen moeten beantwoorden. Zoals: was de RAF een aberratie in de naoorlogse West-Duitse ontwikkeling? Of was het een logisch gevolg van de studentenprotesten van de jaren zestig? Waren de RAF-terroristen verwende burgerkinderen die geen raad wisten met de postindustriële vrijheden, of waren ze de onbetaalde rekening van een onverwerkt naziverleden? Maar misschien moeten ze ook wel gewoon als de collateral damage van de grote demografische en politieke verschuivingen van die tijd beschouwd worden.

Dat deze vragen in het Duitse debat nog steeds spelen, blijkt wel uit de heftige reacties op de hernoeming van de Berlijnse Kochstrasse. De straat die direct langs het conservatieve uitgeversconcern Springer loopt, zal voortaan aan de studentenleider Rudi Dutschke herinneren, die in 1979 aan de gevolgen van een aanslag, elf jaar eerder gepleegd, overleed. Maar volgens woedende burgers mag een Berlijnse verkeersader nooit de naam dragen van een man die politiek geweld rechtvaardigde.

Ook het gratieverzoek van Christian Klar en de aanstaande vrijlating van Brigitte Mohnhaupt leidden tot geëmotioneerde discussies; 52 procent van de bevolking is er tegen. De geschiedenis van de RAF en haar verwerking vormen duidelijk nog geen afgesloten hoofdstuk.

Deze bundels zijn dat evenmin. Ze geven op bovengenoemde vragen geen eenduidige antwoorden. Kraushaar zelf is weliswaar een aanhanger van de theorie dat de RAF direct voortkwam uit de versplintering van de protestbeweging in de jaren zeventig.

Maar de 46 andere auteurs hebben elk zo hun eigen verklaring. De theoloog Herrmann ziet de absolute moraal van het protestantisme als een katalysator voor het latere revolutionaire fundamentalisme; de communicatiedeskundige Musolff wijst op de door zowel de staat als de RAF ’geënsceneerde oorlogshysterie’ en volgens filosoof Türcke was martelaarschap en het ’Kümpfen bis zum Tod’ het uiteindelijke doel van Baader, Ensslin en co.

Ondanks dit veelvoud aan verklaringen blijft de lezer toch zitten met een schematisch duel tussen de RAF en ’de staat’, waarbij overige partijen buiten beschouwing worden gelaten. Nergens wordt onderbouwd hoe groot de potentiële recruteringsvijver van de RAF was. Ging het om een strijd van ’zes tegen zestig miljoen’ zoals de schrijver Heinrich Böll beweerde? Maar waar kregen de RAF-leden dan een slaapplek, waar haalden ze hun wapens, munitie en informatie vandaan? Daar was toch een uitgebreide schare van sympathisanten voor nodig.

En ook die zestig miljoen waren geen gesloten eenheid. ’De staat’, wat was dat eigenlijk? De regering vaardigde niet alleen de verguisde ’Berufsverbote’ uit, maar kondigde in 1969 óók een amnestie af voor alle studenten die voor politieke geweldsdelicten waren opgepakt. Politie, Bundeskriminalamt, Justitie en Binnenlandse Zaken kunnen niet allemaal over één kam geschoren worden, maar zaten elkaar juist vaak in de haren, zoals de historicus Klaus Weinhauer als enige terecht aanstipt.

Weinhauer komt nog het dichtst bij een sluitend antwoord op de vraag naar de effecten van de RAF. De RAF heeft dan wel nergens haar eigen revolutionaire doelen bereikt, maar ze heeft wel het geweldsmonopolie van de overheid ter discussie gesteld. De ongebreidelde en voor die tijd revolutionaire verzameling van data, de invoering van nieuwe wetten en grootscheepse straatcontroles leidden tot scherpe kritiek. De RAF-acties veranderden het dénken over recht en geweld. Goed, de strijd tegen het terrorisme veroorzaakte een soort ’wij-gevoel’ onder de gematigd-conservatieve delen van de bevolking. Maar op den duur werd de macht van de opsporingsorganen zelfs minister van binnenlandse zaken Gerhart Baum (FDP) te veel – hij legde ze weer aan banden.

Waarom heeft Kraushaar, medewerker van het ’Institut für Sozialforschung’ in Hamburg, deze dikke banden dan samengesteld? Meer informatie over de totnogtoe onopgehelderde RAF-moorden geven ze niet. We weten dertig jaar later nog steeds niet wie de voorzitter van de werkgeversorganisatie Hanns-Martin Schleyer dood geschoten heeft, en wie er voor de moorden na 1984 verantwoordelijk was. Maar goed, de bundels moeten ook niet als Duitse detective gelezen worden, hoe spannend die geschiedenis ook is.

Na dertig jaar voorzien de bijdragen wel in een samenvatting van de bestaande kennis over het Duitse terrorisme. Oude legendes worden doorgeprikt. Martin Jander maakt bijvoorbeeld korte metten met de mythe dat de RAF-leden aan Isolationsfolter blootgesteld zouden zijn (eenzame opsluiting bij onthouding van zintuiglijke prikkels) – een mythe die ook in Nederland nog wel eens aanhangers blijkt te hebben.

In de inleiding schemert een ander motief door voor de productie van dit magnum opus. Na 9/11 is het Westen op zoek gegaan naar zijn eigen wortels. Die neiging tot introspectie uit zich ook in een hernieuwde aandacht voor het terrorisme van eigen bodem. Hoewel Kraushaar in de inleiding duidelijk stelt dat het huidige islamitische terrorisme radicaal anders is dan het links-revolutionaire terrorisme van de RAF, kan dat anderszijn blijkbaar pas benoemd, en daarmee ’bevat’ worden, door het oude terrorisme nog eens aan nader onderzoek te onderwerpen.

Door niet de vergelijking centraal te stellen, maar het ’oude’ Duitse terrorisme als uitgangspunt te nemen, doet het boek echter zowel gedateerd als ietwat provinciaal aan. Het plaatst de RAF als terroristische groepering op een voetstuk in de geschiedenis. De Italiaanse Rode Brigades, het Japanse Rode Leger en de Palestijnen komen voorbij, maar er wordt niet zoveel mee gedaan. Al met al overheerst een ’westalgie’ naar de overzichtelijke West-Duitse loopgraven van de jaren zeventig. De meeste auteurs behoren dan ook tot de generatie die de barricades zelf nog heeft gezien (dan wel opgericht).

Wat de bundels uiteindelijk – onbedoeld – laten zien, is dat het terrorisme in de jaren zeventig met terugwerkende kracht een nationaal (voor zover dat in een ’half’ land kon) debat over democratie, rechtsstaat en protest heeft aangezwengeld.

Dat is misschien wel de meest in het oog springende relatie met het terrorisme van nu: dat het als een spiegel werkt. Terrorisme is een verschijnsel dat bestaande kwetsbare plekken in een politiek systeem onthult. De terroristen zelf kunnen een staatsbestel niet op losse schroeven zetten. Maar dat kunnen vertegenwoordigers van dat bestel wél. Staat en samenleving toetsten in de jaren zeventig hun democratische gezindheid aan de daden van de RAF.

’Die RAF und der linke Terrorismus’ geeft niet het definitieve antwoord op de open vragen, maar is letterlijk en figuurlijk een mijlpaal die niet over het hoofd gezien kan worden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden