Druk, druk, druk

Wachten is voor de moderne, drukbezette mens doorgaans een grote kwelling. Niet voor Pieter Hoexum, die zich erin heeft bekwaamd door zijn frequente bezoeken aan de supermarkt. „We hebben niet te weinig, maar juist te veel tijd.”

Elke zaterdagochtend doe ik de boodschappen voor het hele gezin. In mijn eentje, daar sta ik op. Veel moeite kost het me niet, ik weet zo langzamerhand wel wat ik moet hebben en bovendien maak ik altijd een boodschappenlijstje, zodat ik vrijwel gedachteloos door de winkel kan gaan – mijn hand pakt als vanzelf de goede spullen. Ik hoef nergens aan te denken en ik doe dat ook meestal niet. Even niets aan het hoofd. Rust. Noem het meditatie.

Of nee, noem het liever geen meditatie. Volgens het woordenboek filosofie betekent dat „overdenking, meestal als voorbereiding op een toestand die van groter waarde wordt geacht dan de alledaagse toestand, vaak als voorbereiding op een toestand waarin men zich niet door eigen krachtsinspanning kan verplaatsen, maar waarvoor men zich wel in de juiste houding van ontvankelijkheid kan brengen.” Meditatie is volgens dit woordenboek dus „een bezinnende houding die voorbereidt op een ommekeer”. Dat is wel het laatste wat ik zoek, een ommekeer.

Ik moet er niet aan denken dat op een zaterdagochtend in de supermarkt mij de schellen van de ogen vallen, dat ik als door een bliksemschicht getroffen in één klap van Saulus Paulus wordt. Mijn meditatie is eenvoudigweg een uitrusten, en geen voorbereiding op een toestand van grotere waarde dan de alledaagse. Er is niets, werkelijk niets dat ik een grotere waarde toeken dan de alledaagse toestand. Dáár bereid ik me juist op voor: het gaat er om het streven even te laten voor wat het is en mij ’open’ te stellen voor de schoonheid, de rijkdom van het alledaagse.

Na het verzamelen van de juiste boodschappen komt het afrekenen, wat meestal gepaard gaat met wachten voor de kassa. Dat schijnt een van de grootste ergernissen van deze tijd te zijn. Ik weet niet wat precies de andere ergernissen zijn, maar die zullen ook wel met wachten te maken hebben. Vergeleken met de file, het grootse wachten van de moderne mens, is Becketts wachten op Godot bijvoorbeeld niets.

Moderne mensen moeten veel wachten. Paradoxaal genoeg schijnen de meesten daarnaast te denken dat ze het druk-druk-druk hebben. Dat is misschien wel de grootste klacht over de moderne tijd: alles gaat zo snel en jachtig. De druk zou steeds verder oplopen. Maar dat is helemaal niet waar. We maken ons heel erg druk, zonder dat we het echt druk hebben. We praten onszelf aan dat we het druk hebben – terwijl we vele uren wachtend doorbrengen.

Vrij Nederland begon onlangs een serie ’Tijd van leven’, waarin een „meer of minder bekende Nederlander naar zijn of haar beleving van de tijd wordt gevraagd”. Aan de reeks ging een soort verantwoording vooraf, er werd verwezen naar onderzoek naar de tijdsbeleving van de Nederlanders: „Zestig procent zegt er te weinig van te hebben, ruim de helft voelt zich een of meerdere dagen per week gejaagd, en iets minder dan de helft gaat zelfs ernstig onder tijdsdruk gebukt.” Als ik alle percentages bij elkaar optel, kom ik tot bijna tweehonderd procent.

Vervolgens werd nogal slordig verwezen naar een recent boek van filosoof Joke Hermsen, ’Stil de tijd. Pleidooi voor een langzame toekomst’. Volgens Vrij Nederland zou dat boek gaan over ’tijdsarmoede’. Dat is een wel erg benepen lezing van het boek – als er al sprake is van lezing. Hermsen wordt weliswaar geciteerd: „We ervaren tijd als schaarste, als iets waarvan we chronisch te weinig hebben.” Maar dan zal ze het hebben over wat zij in haar boek noemt ’kloktijd’, de tijd zoals die door de klok wordt aangegeven. Het boek is juist een pleidooi de tijd op een andere manier te ervaren en op te vatten. Hermsen wil aandacht vestigen op de tijd, zonder het in een keurslijf (klok) te persen. Ze vraagt aandacht voor hetgeen we met klokken niet kunnen bedwingen, de echte tijd, de ’duur’. Zo heb ik haar boek althans gelezen. Ik was juist blij dat het maar zeer ten dele gaat over het zogenaamde tijdgebrek van de moderne mens. Het boek gaat over de overvloedigheid van de tijd: er is tijd genoeg, meer dan genoeg.

Hermsen verwijst nogal uitgebreid naar de Franse filosoof Henri Bergson (1859-1941). Als ik Hermsen en Bergson goed begrijp, wat eerlijk gezegd niet meevalt, dan is tijd volgens hen niet meer ’een maat voor verandering’. Zo luidde de definitie van Aristoteles en zijn opvatting gold sindsdien als maatgevend. Achter, of onder – ruimtelijke metaforen schieten onvermijdelijk tekort – deze meetbare tijd zit een oeverloze tijd. Zelfs als de hele wereld stilstaat, als iedereen zijn adem inhoudt en het doodstil is, dan nog – juist dan – hoor je het zachte gezoem van de eeuwige tijd.

„Het graf gaapt, de tijd zoemt en nergens is redding”, laat Gerard Reve zijn Frits van Egters in ’De avonden’ denken. De oeverloosheid van de tijd kan ons inderdaad onbehaaglijk maken, angstig zelfs. We steken de kop liever in het zand dan dat we die nooit eindigende woestijn van tijd onder ogen zien. Je zou kunnen zeggen dat deze horror vacui, deze angst voor de leegte, vóór de secularisatie bezwoeren met godsdienst. Heel simpel: je vulde je tijd met bidden. Sinds de dood van God vullen we onze tijd met werken, werken, werken en maken we ons druk-druk-druk. Als ik me niet vergis zit er daarom méér achter de ergernis van het wachten: een angst voor verveling, een angst voor de confrontatie met de oeverloosheid.

Zoals gezegd: we hebben niet te weinig, maar juist te veel tijd. We nemen er alleen te weinig van. Als druk het probleem is, is het wachten bij de kassa of in een file de oplossing. Als je er tenminste in slaagt het wachten om te zetten in rusten.

Je kunt je ook op een ander niveau laten inspireren. Door muziek bijvoorbeeld.

Vanaf het eind van de achttiende eeuw wordt de rust die componisten in hun muziek inlassen steeds spectaculairder. Hoogtepunt is wat mij betreft Anton Bruckner. Ik vind hem indrukwekkender dan John Cage met zijn 4’33’’, het beroemde ’muziekstuk’ dat bestaat uit een stilte van vier minuten en drieëndertig seconden. Dat lijkt mij een eindpunt, een uiterste consequentie, iets dat wel moest gebeuren en daarom niet meer zo heel interessant is.

Bruckners Tweede Symfonie werd door veel tijdgenoten als onspeelbaar beschouwd vanwege de vele zogenaamde ’generale pauzes’, momenten waar een componist rust voorschrijft voor alle instrumenten. Het hele orkest valt dus volkomen stil. Bij de Tweede Symfonie gebeurt dat al na zo’n twee minuten. Bruckner komt altijd langzaam op gang, maar hier is hij nog niet op gang of hij valt alweer stil. Je denkt dat je maar één keer kunt beginnen, dat lijkt logisch, maar Bruckner ziet hier kans toch echt opnieuw te beginnen. Het beginnen zelf wordt als het ware gethematiseerd. Het zijn magische momenten. Dergelijke stiltes leveren ongehoorde spanning op.

Mooi vind ik ook altijd de ’windstiltes’ die Bruckner laat vallen vlak voor een hoogtepunt wordt bereikt: de top is al in zicht, maar de weg ernaartoe blijkt toch nog een paar onverwachte bochten te bevatten. Natuurlijk ben je op weg naar de top, maar het zou zonde zijn er blind op af te stormen. Geniet dus onderweg regelmatig van wat je ziet. Neem even pauze, kom op adem. Al die tijd heb je vóór je gekeken: het doel voor ogen gehouden – nu draai je je om en kijk je met voldoening naar de weg die je hebt afgelegd. En naar het altijd weer adembenemende uitzicht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden