DRUGSNOTA

Dit is de laatste aflevering van de serie over 'afkicken'. Vorige afleveringen stonden in Trouw van 9, 13, 16 en 21 december, 6, 9, 12, 17, 27 en 30 januari, 3, 6, 17, 22 en 28 februari en 4 en 9 maart. De Tweede Kamer debatteert vanaf maandag over de drugsnota waarin het kabinet de basis legt voor zijn drugsbeleid. Het ooit zo eigenzinnige, gedogende Nederland raakt steeds meer onder de indruk van de felle kritiek van het buitenland en lijkt zijn beleid er vooral op te richten dat àndere landen gerustgesteld worden. Dus wordt er vooral over maatregelen gediscussieerd. Niet over junks.

De arts in kwestie was de anesthesioloog M. Neeleman, die onlangs onomwonden vertelde dat hij zeventien van zijn kankerpatiënten regelmatig marihuana toedient. De aan het Dijkzigtziekenhuis in Rotterdam verbonden specialist noemde deze drug als pijnstiller een ware vondst. “De patiënten voelen zich beter in het hoofd en lijf en hebben, zeker zo belangrijk, een betere eetlust.”

Neeleman erkende dat zijn handelwijze 'illegaal' is, maar rekende daar snel mee af. “Nederland gaat prat op zijn tolerante drugsbeleid, maar loopt achter als het om regels gaat rond de verstrekking van dit soort medicijnen.” Hij wees op landen als Duitsland, Frankrijk en de Verenigde Staten, die volgens hem aanzienlijk minder moeite zouden hebben met 'marihuana op recept'.

Het toeval wilde dat, nog voor de onthulling van Neeleman, het Amerikaanse weekblad 'National Review' aandacht schonk aan de door de VS verloren 'War on drugs'. Een van degenen die daarover hun mening gaven, was directeur Ethan Nadelmann van het in New York gevestigde centrum voor drugsonderzoek Lindesmith. Zijn opmerkingen waren zeker zo onthullend als die van de anesthesioloog Neeleman. “Duizenden Amerikanen gebruiken om medische redenen marihuana om zo de pijn van multiple sclerosis en aids te verzachten”, zei Nadelmann. “Toch zijn zij volgens de wet strafbaar en velen belanden vanwege verboden drugsbezit in de gevangenis. Dit terwijl driekwart van de Amerikanen vindt dat marihuana, mits voor medische doeleinden, moet worden gelegaliseerd. Maar de overheid weigert zelfs maar onderzoek te doen naar het nut van deze drugs als medicijn.”

Drie mensen die over drugsbeleid, waarden en ethiek praten en het (wederzijds) onbegrip is daar. Laat staan wanneer, zoals in Nederland, miljoenen zich met de discussie bemoeien en ieder daarover een eigen standpunt inneemt. De tegenstellingen zijn onmiskenbaar groot en worden vooral gevoed door de eigen woon-, werk- en leefsituatie. In de oude wijken van grote steden wordt drugsverslaving als een epidemie ervaren waar slechts één oplossing voor is: alle junks opsluiten. Anderen, zoals de onderzoeker Dufour en de criminoloog Halsema, kiezen voor het andere uiterste en noemen legalisering van soft- èn harddrugs de enige juiste remedie. Daartussen wikken en wegen 'gewone' burgers, politici, korpschefs, hulpverleners, bestuurders, wetenschappers, onderzoekers, ja zelfs junks, over 'hoe het eigenlijk zou moeten'.

Nederland lijdt aan een drugssyndroom dat nog aangewakkerd wordt door de ongezouten kritiek vanuit het buitenland, de Amerikanen, Fransen en Zweden voorop. Op slag is vergeten dat de Verenigde Staten zich weliswaar op een enorme kennis over de drugsproblematiek mogen beroepen, maar dat de junks in de getto's van Washington en New York creperen. Voorbij wordt gegaan aan de verdrietige, want kansloze strijd van de Franse hulpverleners om van de eigen overheid eindelijk die erkenning te krijgen die zij èn de 250 000 verslaafden aan harddrugs nodig hebben. Met de Zweden ligt het anders. Zij beheersen het drugsprobleem, al ging daar schade en schande aan vooraf. Nu zijn zij zover dat zij Nederland, Rotterdam vooral, allerlei ideeën aandragen. Maar met uitzondering van de 'Coolsingel' worden hun aanbevelingen vooral toch als ongewenste inmenging uitgelegd.

Dat de opvattingen van het buitenland van grote invloed zijn op het Nederlandse drugsbeleid staat wel vast. De discussie rond de drugsnota van het kabinet richt zich ook niet meer in de eerste plaats op de verslaafdenzorg, waar het in beginsel toch om te doen is. Zonder junks immers geen drugsprobleem. Maar de politieke interesse is allengs verschoven naar maatregelen, zoals nu rond de coffeeshops, waarmee ook het buitenland kan leven. Nauwelijks of geen discussie is er over de wenselijkheid van proeven met de vrije verstrekking van heroïne aan zeer zwaar verslaafden en het experiment om junks die zich bij herhaling te buiten gaan aan kleine criminaliteit, in 'stadsbajessen' onder te brengen met als doel af te kicken.

Over dat laatste zei minister Sorgdrager van justitie deze week in Trouw dat daarmee een belangrijk signaal naar het kritische buitenland is gegeven. “We krijgen de kans te laten zien waar Nederland voor staat.” Voor de 25 000 harddrugsverslaafden die Nederland telt is dat een weinig bemoedigend perspectief. Zij lijken het slachtoffer te worden van de druk die andere landen uitoefenen om het kabinet ertoe te bewegen een weliswaar strenger, maar daarmee niet vanzelfsprekend beter beleid te voeren.

Herhaaldelijk wordt er in Den Haag op gewezen dat proeven met de vrije heroïneverstrekking aan zwaar verslaafden in Zwitserland en Engeland een groot succes zijn. Dat in Zürich een aantal van de deelnemende junks zich na enkele maanden stierlijk verveelde - roven hoefde niet meer, de heroïne stond al gereed - en daarom onder begeleiding naar skigebieden werd gestuurd, wordt verzwegen. De signalen dat het aantal zelfdodingen als gevolg van een overdosis onder de Zwitserse 'proefkonijnen' hoger is dan voorzien, lijkt al evenzeer aan de politici voorbij te gaan.

Een alleszins redelijke vraag zou kunnen zijn hoe humaan vrije verstrekking is. Worden directe familieleden van deze junks begeleid, nu zij weten dat de betrokken man, vrouw, zoon of dochter wordt opgegeven? Is het moreel aanvaardbaar dat een geciviliseerd land honderden en op termijn mogelijk duizenden mensen opgeeft? Wat gebeurt er als zo'n proef, zoals in 1966 in Zweden het geval was, op een fiasco uitdraait? Zegt de overheid in dat geval: 'Luister junk, je hebt twee jaar lang gratis heroïne van ons gekregen, nu moet je er zelf weer voor zorgen'? Hoe groot is daarnaast ook het risico dat de geselecteerde verslaafden blijven roven en stelen om, naast de gratis heroïne, cocaïne te kunnen kopen? Het zijn vragen die kennelijk niet opwegen tegen het belang van goede internationale betrekkingen.

Maar dan nog. De Amerikaanse drugswetenschapper dr. George Coelho verbaasde kort geleden zijn Nederlandse gehoor toen hij spontaan liet blijken dat 'de burgemeester van Hulst de afgelopen zomer de coffeeshops had laten sluiten'. Toen hem werd gevraagd hoe hij aan deze kennis kwam, wees hij bijna achteloos op de meters hoog opgestapelde documenten uit vele tientallen landen. “Wij weten alles over drugsbeleid, waar ook ter wereld”, zei Coelho en hij voegde er cynisch aan toe: “De kunst is nu alleen nog òns beleid in de praktijk te brengen.” Coelho vertelde slapeloze nachten te hebben van de nare omstandigheden waarin honderdduizenden vaak jonge harddrugsverslaafden in zijn land leven. Van de greep ook die de mafia heeft op dealertjes van tien, twaalf jaar. Maar wat het buitenland van de desastreuze drugssituatie in de Verenigde Staten vindt, liet Coelho, anders dan het Nederlandse kabinet, volledig koud. “Wij doen het op onze manier. Okay, die is weinig succesvol, maar er komt een dag dat ook wij het drugsprobleem beheersen. Elk land staat voor zíín beleid, dat lijkt me toch essentieel.”

Nederland is de Verenigde Staten niet en evenmin Frankrijk of Zweden. Maar de verslaafde in Rotterdam is wel dezelfde als in Washington, Gothenburg, Lille of Singapore. Hij heeft maar één doel en dat is 'scoren'. Dat drugs tot een industrie zijn verworden waarin wereldwijd honderdduizenden legaal hun brood verdienen en waarin de grote drugsbaronnen met de hulp van duizenden onderdanen de illegale aanvoer verzorgen, laat de junk koud. Hij zwerft, hij steelt, hij gebruikt, dat is z'n leven. Meer niet. Tot hij hulp krijgt.

De Zweden zijn eind jaren tachtig bij de hernieuwde aanpak van hun drugsprobleem bij dit nulpunt begonnen. “Korte lijnen tussen de politie, het maatschappelijk werk en bestuurders zijn nu de ingrediënten voor onze aanpak”, zegt Kristina Jung van de gemeente Gothenburg. “We wilden af van de 'drugsindustrie', waarin iedere mening er één was. We wilden het probleem tot de juiste proporties terugbrengen en dat is gelukt. Geen experimenten en nodeloze discussies. Evenmin onderzoeken die het probleem slechts ingewikkelder maken. De verslaafde van de straat halen en voor de keus stellen wat hij wil. Hem niet loslaten. En dit net zolang totdat onomstotelijk vaststaat dat hij zonder drugs kan. Om dat te bereiken kun je volstaan met enkele honderden eensgezinde hulpverleners, politiemensen en bestuurders. Wanneer je met duizenden tegelijk een probleem aanpakt, kweek je maar verwarring, raak je nog verder van je doel verwijderd.”

In Frankrijk zijn die lijnen van oudsher al kort en toch is de junk daar nog steeds vooral op zichzelf aangewezen. Dat komt, zegt drugsexpert Gérard Tonnelet, doordat de Franse media veel aandacht besteden aan het drugsbeleid van onder meer Nederland, maar niet aan dat van het eigen land. “Wanneer de Franse hulpverlening zegt dat Nederland het prima doet, vind ik dat niet in de krant terug. Evenmin vinden de media het nieuws als in Frankrijk stemmen opgaan om softdrugs te legaliseren. Dat is een belangrijk verschil met Nederland, waar kranten elke dag opnieuw bol staan van drugs. Met als gevolg dat de publieke opinie in Nederland meer dan in welk ander land wordt beïnvloed door de mening van politici, hulpverleners en politiechefs. Op hun beurt slaan deze een slaatje uit de maniakale belangstelling van de pers voor het 'cannabisme' en 'heroïnisme'. In Frankrijk is dat ondenkbaar. De mening van Chirac en zijn regering telt, de rest niet.”

Het drugsprobleem in Nederland is 'verpolitiekt' en, het zij Tonnelet nagegeven, de media doen er driftig aan mee. Een voorbeeld is dat experiment om criminele junks verplicht te laten afkicken, zoals deze week tussen minister Sorgdrager en de Rotterdamse burgemeester Peper overeengekomen. Vrijwel alle kranten, ook Trouw, zagen de proef als nieuws, terwijl die al tweemaal eerder was aangekondigd. De minister sloeg er politieke munt uit door zo kort voor het drugsdebat in de Kamer er glimlachend op te wijzen dat het buitenland haar 'realistische' beleid slechts kan beamen.

In dat beeld past het, vindt Rotterdam bijvoorbeeld, niet om over een 'stadsbajes' te praten - 'zorgdetentie' klinkt beter. Ook het gebruik van de term 'werkkamp' (moet zijn: 'strafrechterlijke opvang met als doel verslaafden te resocialeren') wordt niet op prijs gesteld. Ach ja, een werkkamp, dat roept enge associaties op met het vanwege zijn strenge drugsbeleid zo gevreesde Singapore. Maar zei de drugsdeskundige van deze stadstaat, dr. Baey Liam Peck, niet: “Ik lach om uw Nederland. Wees toch wijs. Pak het drugsprobleem bij de wortel aan, verlos de junk van het kwade en geef hem het goede. Wees hard, want hangt elke junk niet van leugens, list, bedrog en geweld aan elkaar? Uw mooie Nederland begrijpt niet dat junks patiënten zijn die hulp nodig hebben. Als je hun die geeft en àlle drugs verbiedt, wat is dan het probleem?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden