Review

DROMEN VAN SHANGRI-LA

Al zolang ik leef torent in mijn fantasie het Himalaya-gebergte op als de geheimzinnigste streek op aarde. Een gebied waarvan men zich niet wil voorstellen dat er ooit wolkenkrabbers verschijnen, al was het maar om het zielige contrast met de reusachtige bergen eromheen, en waar men geen snelwegen wenst, teneinde de passen op vijf- zesduizend meter in bedrijf te houden.

Ik ben er nooit geweest, dus het is niet zo moeilijk om die droom te bewaren. Een deel ervan zal wel gegenereerd zijn door de geest van de jaren zestig, waarin landen als Nepal opeens hippie-bestemmingen werden. Maar de Himalaya-droom reikt verder de geschiedenis in, al eeuwenlang wordt de mens gebiologeerd door 'het dak van de wereld', het landschap met de hoogste toppen op aarde. Het heeft ook alles te maken met de daardoor veroorzaakte geïsoleerde ligging, het vermoeden van intact gebleven Middeleeuwen, het lamaïsme met zijn bedelmonniken en kluizenaars, de yeti (de verschrikkelijke sneeuwman), de Potala, het kloostercomplex in Lhasa, door sommigen als het mooiste gebouw ter wereld beschouwd, de magie van het Tibetaanse Dodenboek.

In 1933 schreef de populaire Engels-Amerikaanse schrijver James Hilton een bestseller die het allemaal zo'n beetje samenvatte, 'Lost Horizon', waarin het op de Himalaya-streek geïnspireerde begrip 'Shangri-La' wordt gemunt voor een afgelegen, utopisch land. F. D. Roosevelt zou er in zijn speeches regelmatig op terugkomen.

Bij uitgeverij Atlas verschijnt momenteel een hele reeks boeken die aan deze contreien gewijd zijn; je zou het een Himalaya-bibliotheek kunnen noemen. Veel natuurlijk over Tibet, het geheimzinnigste land in de regio, vanwege de afsluitingen in het verleden en het heden, maar ook over Nepal, Bhutan en Ladakh.

Zulke reisboeken over een mysterieuze streek waar je nooit geweest bent hebben haast iets virtueels: zoals Karl May schreef over Amerika zonder er ooit geweest te zijn, zo lees jij over de Himalaya. Het is allemaal wáár maar misschien toch niet helemaal. Overigens waren de eerste bronnen voor mijn Himalaya-dromen anders en, vrees ik, tweedehandser dan de in de reeks 'Het dak van de wereld' aangeboden titels: 'Kuifje in Tibet', over een aan de Tibet-zijde van de Himalaya neergestort Nepalees vliegtuig, 'De vergeten stad', een stripverhaal uit de jaren zestig van de Franse schrijver F. A. Breysse, over zoals de titel al zegt een vergeten stad in het hooggebergte van de Himalaya.

In het klassieke album 'Kuifje in Tibet' uit 1960 trekken Kuifje en Kapitein Haddock zonder probleem (en zelfs zonder grensposten) over de Nepalese grens naar Tibet, maar dat was in werkelijkheid op het moment van verschijnen een wensdroom. Tegenwoordig laat de Chinese regering, die het land bezet, er mondjesmaat een paar honderd toeristen per jaar binnen in zorgvuldig geregisseerde expedities, maar het is jarenlang hermetisch afgesloten geweest voor buitenlanders, wat niet weinig tot de geheimzinnige status heeft bijgedragen.

Vandaar ook dat de Himalaya-liefhebber zich als het ware moet behelpen met omringende streken, zoals het Indiase Ladakh, óók hoog en ook vervuld van de magie van een oude cultuur die deels nog voortbestaat, want je hebt het politieke Tibet, de bezette staat, maar het geografische Tibet strekt zich over de staatsgrenzen uit. In 'Reizen in Ladakh' beschrijft Andrew Harvey zijn tocht door de streek. Hij is als westerling behoorlijk aangeraakt door het boeddhisme, dat aldaar nog min of meer ongerept voortleeft. Vandaar ook zijn nauwelijks verholen afkeer van de moderne Ladakkers en Tibetanen met hun hunkering naar Amerikaanse 'waarden', auto's, films, seks.

Een van de personages uit zijn boek vat het samen: ,,En wat staat Ladakh te wachten? Zal het even kitscherig en afgetrapt worden als de rest van India? Zal de weg waarlangs we nu rijden omzoomd worden door filmreclame en krottenwijken? De mensen zijn zo goed hier, maar ik veronderstel dat ze even stom zijn als overal en dat ze ook radio's en comfort willen.'

Harvey is overigens nogal een zwever en bepaald geen realist. Hij lijkt mij enigszins te laboreren aan het westerse ideaal van 'l'homme sauvage', de ongeciviliseerde, pure mens, nog niet bedorven door beschaving en decadentie. Zijn confrontatie met de sublieme landschappen maar meer nog met het boeddhisme, in al zijn manifestaties, van hysterische orakels tot mystieke onthechting, doen hem Ladakh en meer in het algemeen het Tibetaanse ten voorbeeld stellen aan de westerse wereld: ,,Het boeddhisme zal in het Westen tot bloei komen, denk ik, omdat het Westen er rijp voor wordt: het wordt volwassen en is eraan toe om de radicale helderheid van de Boeddha te verdragen, het hunkert zelfs naar een wijsheid zonder enige valse hoop of troost, naar een wijsheid die wortelt in een praktische, strenge analyse van de dingen zoals ze zijn, van het denken zoals het is.'

Het opmerkelijke is dat men van oudere Himalaya-reizigers dan Harvey een veel minder metafysisch gericht plaatje krijgt. In de negentiende eeuw zat Tibet ook al op slot voor buitenlanders met als gevolg dat Jan en alleman er juist probeerde binnen te dringen, de een met imperialistische bedoelingen (met name de Engelsen die bang waren dat het in Azië sterk expansieve Rusland misschien wel door Tibet heen naar India zou doordrukken), de ander om de bewoners tot het christendom te bekeren; weer anderen wilden de bijzondere bronnen van het boeddhisme ter plekke ondergaan, maar er zaten ook gewoon nieuwsgierige avonturiers onder.

Doelwit was vooral de verboden hoofdstad van Tibet, Lhasa. De Tibetanen, opgestookt door de Chinezen, deden er alles aan om hun land en vooral hun hoofdstad vreemdelingvrij te houden. Niet alleen de binnendringers zelf werden streng gestraft en niet zelden geëxecuteerd, ook Tibetanen die ze geholpen hadden, hingen de meest gruwelijke martelingen en veroordelingen boven het hoofd. Nadat vanuit India een zekere Sarat Chandra Das (overigens ook nog figurerend in Kiplings befaamde India-epos 'Kim') enige tijd in Lhasa bleek te hebben doorgebracht en daarover de Engelsen berichtte, raakte de hysterie op een hoogtepunt en mocht er niemand meer in.

De befaamde oriëntalist en buitenland-journalist Peter Hopkirk schreef een boek 'De weg naar Lhasa' over al die, meest vergeefse, pogingen van buitenlanders om Lhasa in ogenschouw te nemen. Bijvoorbeeld de Engelse zendelinge Annie Taylor die het probeerde met vroom-christelijke bedoelingen, maar ook avonturiers als de Fransman Dutreuil, die door de Tibetanen vermoord en in het water gegooid werd, en een excentriekeling als de Engelsman Henry Savage Landor, een soort baron von Münchhausen die een fantastisch verhaal over zijn beproevingen schreef.

Wat al hun verhalen gemeen hebben is de sneeuw, het geploeter, de tegenwerking van de Tibetanen en ten slotte het feit dat ze Lhasa niet haalden. Veel van die ontdekkingsreizigers probeerden het in de plaatselijke vermomming van bedelmonnik, ook al zo'n bijdrage aan het mysterieuze beeld van de Himalaya: is het een monnik of een vermomde westerling? De eerste westerling die er ten slotte in zou slagen, kwam daarentegen met een heel legertje. De Engelsman Younghusband bezette op 3 augustus 1904 Lhasa, waar hij overigens de wereldlijk leider, de Dalai Lama die gevlucht was, niet aantrof.

Ondanks de onmiskenbaar politieke bedoelingen van de Engelsen om de buffer tussen India en de rest van Azië, die Tibet vormde, te controleren, ervoer Younghusband het berglandschap als een soort mysterium tremens. In zijn memoires 'India en Tibet' beschrijft hij het: ,,Dit extatische moment werd steeds heviger tot het me deed huiveren door zijn overweldigende intensiteit. Nooit meer zou ik slechte gedachten kunnen hebben of vijandschap kunnen voelen jegens een ander mens. De hele natuur en de hele mensheid waren omgeven door een rozig opgloeiende stralenkrans. . . dat ene uur voor ik uit Lhasa wegtrok, was de rest van een heel leven waard.'

Peter Hopkirk beschouwt Younghusband als de eerste vreemdeling die Lhasa bereikte, maar in feite was iemand hem al voor geweest: de Japanse monnik Ekai Kawaguchi, een leerling van die eerste Lhasa-reiziger Sarah Chandra Das, die als Chinese bedelmonnik vermomd twee jaar in Lhasa woonde (de titel van zijn boek erover luidt overigens misleidend 'Drie jaar in Tibet') en er een plaatselijke succesvolle praktijk als kwakzalver opende.

Het aardige voor de hedendaagse lezer van Kawaguchi's versie van Tibet is, dat hij ondanks zijn vrome bedoelingen om het Tibetaanse boeddhisme beter te leren kennen, met een scherp oog voor de realiteit door het land rondstapte. Voor de Tibetologen zijn zijn objectieve uitleggingen over de Tibetaanse maatschappij, politiek, sociale verhoudingen, dagelijks leven, mode, ziekenzorg, handel en nijverheid, onontbeerlijk, de lezer van nu wordt daarentegen vooral getroffen door de kritische toon van zijn impressies.

Wat voor Harvey inmiddels al een soort ideale, zuivere wereld van onthechting is geworden, was voor Kawaguchi nog een toonbeeld van achterlijkheid en gebrek aan beschaving. Hij beschrijft de Tibetanen als een zeer wreed volk met merkwaardige zeden, zoals de polyandrie (meerdere broers moeten het met één vrouw stellen), ze zouden ook zeer leugenachtig zijn maar het meest wordt hij toch getroffen door hun onhygiënische gedrag. Zo noemt hij als voorbeeld hun onbedoeld 'kannibalisme': tijdens het in stukken hakken van de doden, plaatselijk gebruik, maken ze hun van bloed, vlees en botsplinters vervuilde handen niet eens schoon om tussendoor een kopje thee te drinken en krijgen zo hele stukken menselijk lichaam binnen.

En op weg naar Tibet noteert hij het volgende: ,,De tijd die ik doorbracht in Tsarang was in zekere zin een oefening in de kunst van het leven te midden van een smeerboel, en met smerige gewoonten. Wat gebrek aan hygiëne betreft, horen de Tibetanen tot de meest vooraanstaande bevolkingsgroepen op aarde, maar ik meen dat de inwoners van Tsarang hen op dit gebied zelfs nog de loef afsteken. In Tibet willen mensen zich nog wel eens wassen, maar in Tsarang is dat vrijwel onbestaanbaar. In de loop van de twaalf maanden die ik daar doorbracht, zag ik maar twee keer iemand die zich waste, en zelfs toen beperkte dat zich tot het gezicht en de nek. Het gevolg is dat de huid van de inlander een bijzonder weerzinwekkende glans bezit, om het zomaar eens te zeggen, en dat over zijn hele lichaam.' Overigens staan deze passages in merkwaardig contrast met de vele ontboezemingen over de formidabele schoonheid van het land, die Kawaguchi regelmatig tot het uitspreken van verheven gedichten inspireert.

Een van de meest curieuze Lhasa-reizigsters van iets later datum was Alexandra David-Néel, een mislukte Franse operazangeres die later als avonturierster door het Verre Oosten trok en zich tot een van de grootste experts op het gebied van het Tibetaans boeddhisme ontwikkelde. David-Néel is zo'n typisch voorbeeld van pre-feminisme. Aan haar huwelijk met mijnheer Néel liet ze zich niet veel gelegen liggen: liever reisde ze met de plaatselijke jongeman Yongden (later geadopteerd als zoon) door de streek van de Himalaya, vermomd als bedelares. Ze was totaal wars van ieder conventionalisme: zo had ze de Kama-Sutra niet alleen gelezen maar ook met haar man uitgeprobeerd; verder had ze vage betrekkingen met de theosofische kringen van Madame Blavatsky en Annie Besant. Met haar dooltochten door Tibet aan het begin van deze eeuw heeft ze iets weg van een voorloopster van Jack Kerouac en Allen Ginsberg, de Beat-Generation.

In de biografie die Barbara en Michael Foster aan haar wijden moeten ze haar overigens wel verdedigen tegen aantijgingen van mystificatie. Ene Jeanne Denys beweerde dat de Tibet-reizen van mevrouw David-Néel uit haar duim gezogen waren, een inmiddels drastisch weerlegde stelling. Uniek zou zulk bedrog overigens niet geweest zijn: een zekere Lobsang Rampa oogstte indertijd veel succes met zijn Tibet-roman 'Het derde oog' dat moest doorgaan voor authentieke documentaire, tot hij ontmaskerd werd als een ordinaire Engelsman, de zoon van een loodgieter, die met golvende baard een hele kring volgelingen om zich heen had verzameld maar nog nooit een stap in Tibet had gezet. Zo'n verhaal karakteriseert trouwens wel de Tibet-cultus.

Heinrich Harrer haalt het geval aan in 'Terug naar Tibet', in zekere zin het vervolg op zijn befaamde boek 'Zeven jaar in Tibet'. De Oostenrijker Harrer verbleef samen met een vriend van 1944 tot 1951 in Tibet, ontwikkelde zich zo'n beetje tot de mentor van de huidige dalai lama, en pakte evenals deze tijdens de Chinese bezetting zijn boeltje. Als gewoon toerist keerde hij in 1982 weer. Zijn verslag van die reis is er haast vanzelfsprekend een van teleurstelling om wat er allemaal verloren is gegaan. Kort samengevat: Lhasa dreigt wel degelijk die stad van wolkenkrabbers te worden.

Iets gemelijks en retorisch hebben de schetsen van de oude Harrer eerlijk gezegd wel: ,,Is dit sympathieke volk er dan toe veroordeeld rond te dwalen als een kudde zonder herder', vraagt hij zich af als hij over Tibets toekomst nadenkt. Hij betreurt het verdwijnen van de oude cultuur evenzeer als de krampachtige pogingen van de Chinezen om er voor het handjevol toegelaten toeristen nog de schijn van op te houden. Misschien tegen beter weten in gokte hij evenwel op de taaiheid van religie, door de Chinezen vergeefs aangepakt: ,,Want als ze eenmaal het geloof hadden vernietigd dan zou een algehele annexatie een peulenschil zijn. Maar het lukte ze niet. Meer dan ooit hechten de Tibetanen aan hun religie, juist in deze moeilijke tijden biedt zij hun steun en troost. De plundering en verwoesting van oude kloosters en onvervangbaar cultureel erfgoed was een ramp voor Tibet en de rest van de wereld, maar het maakte het verbeten verzet van het onderdrukte volk alleen maar groter.'

Of Harrer gelijk krijgt is nog maar de vraag. Kennelijk willen zelfs de meest geïsoleerde gebieden tegenwoordig in rap tempo uit de Middeleeuwen stappen en het Amerikaans comfort of de Japans-Chinese efficiency omarmen. Maar de bergen, waar het tenslotte allemaal om te doen is, die krijgt geen sterveling omver.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden