DROEVE DRONK NIET NODIG OM VERSLAAFD TE RAKEN

De alcohol maakt zijn slachtoffers allereerst onder de zorgelijke mensen, dachten we. Alcoholisten verdrinken hun angsten. Maar bij nader inzien blijken juist vrolijke drinkers gemakkelijker in de gevarenzone van grootverbruik en verslaving te komen.

En waarom dronken zij? Simon Carmiggelt droeg er ooit een opmerkelijk motief voor aan. Niet in de roes, maar in de kater ontdekte hij de inspiratiebron die hem in staat stelde de verschrikkingen van het leven te schetsen. De euforie van de dronkenschap resulteerde slechts in schijnvondsten, vond hij. Maar de kater: "Wat dan in woord wordt uitgedrukt is niet vrolijk, omdat het de oorzaak van het drinken raakt. Je doet het immers omdat zoveel dingen je dwars zitten - je twijfels, je onzekerheden, de zinloosheid."

Carmiggelt kon een droeve dronk over zich hebben. Hij dichtte eens de 'Tekst voor een wijnkaart':

O, drank, je hebt zoveel verpest

Toch ben je in mijn dorstig leven

altijd die ene hoer gebleven

die mij het diepste heeft gelest

In zijn somberheid spreekt Carmiggelt namens de drinkers in alle culturen. Psychologen stelden al lang geleden vast dat het altijd en overal de angstige, bedrukte mens is die zijn toevlucht neemt tot drank, die goedkope tranquillizer die moeder natuur in overvloed biedt. Appels en druiven gisten sinds mensenheugenis en al bijna net zo lang is het proefmotief de vermindering van spanning en angst, meenden ze. De spanningsreductiehypothese heet het in hun vaktaal.

Het laat zich dan ook raden wie er op den duur overdadig inneemt en met de brokken zit: de probleemdrinker, die onder invloed van zijn angstig en gespannen gemoed steeds weer naar de fles grijpt. Sociaal drinken maakt geen grootgebruikers. Die moet je zoeken onder mensen bij wie een stevige borrel zorgt voor bevrijding van negatieve gevoelens. Morgenochtend is hen altijd nog vroeg genoeg voor de ontmaskering van deze illusie.

Maar deugt het beeld wel dat Bacchus zijn offers selectief vergaart onder mensen die gebukt gaan onder het leven? Dagelijks gaan Grolsch en Bacardi over de buis met het advies 'Geniet maar drink met mate', waarmee de indruk wordt gewekt dat genieten en maat houden goed samengaan.

Vergeet het maar, concludeerden onderzoekers van de State University of New York onlangs. Niet alleen mensen die uit narigheid drinken, verliezen hun maatgevoel maar zeker ook de drinkers die een prettige stemming nog eens met jajem trachten te verhogen. Juist vrolijke drinkers, die helemaal niet gespannen zijn, moeten op hun hoede zijn voor een drankprobleem.

De spanningsreductie-hypothese ligt trouwens al langer onder vuur. Dat alcoholisten drinken om angst en spanning te reduceren leek iedereen, zowel deskundige als leek, een plausibele verklaring. Dat komt doordat angst vaak aan het drinken vooraf gaat, erkennen de auteurs van het onlangs verschenen Experimentele Psychopathologie.

Anita Jansen, Harald Merckelbach en Marcel van den Hout, verbonden aan de faculteit Gezondheidswetenschappen van de Rijksuniversiteit Limburg, maken in hun boek korte metten met de spanningsreductie-hypothese. Als alcohol dient om stress te verminderen, dan moet hij ook gedronken worden ten tijde van de stress. En dat is precies wat mens en dier niet doen. Ze drinken als het leed al is geleden.

Neem ratten. Uit proeven in de jaren zestig bleek dat stress bij deze beesten leidt tot een verhoogde consumptie van alcohol. Maar niet onmiddellijk. Ratten worden panisch van elektrische schokjes, maar beginnen pas meer te drinken als die spannende toestand enige tijd voorbij is. Vreemd genoeg drinken ze tijdens de nare ervaringen liever water en zetten ze zich pas later aan de alcohol. Bijvoorbeeld de dag na de schokken.

Mensen zijn net ratten: ze drinken niet tijdens, maar na de stress, als de spanning reeds is vervlogen. Onder die conclusie konden de psychologen na langdurige observaties niet meer uit. Er zit weinig anders op dan de spanningsreductie-hypothese naar de prullenbak te verwijzen. Drinken leidt namelijk niet tot vermindering van stress, maar vermindering van stress leidt tot drinken.

De verklaring voor die omgekeerde wereld zou te vinden zijn in het feit dat een angstige, gespannen mens meer endorfinen aanmaakt. Dat zijn opiumachtige stoffen die het lichaam zelf produceert. Zodra de stress wijkt, neemt de produktie af en ontstaat een endorfinentekort. Dat voelt onplezierig aan, maar drank kan de taak van endorfinen overnemen.

En zo kom je thuis van het werk, na een koortsachtige dag, en zakt de spanning eindelijk weg: gauw een borrel. Hier drinkt iemand bij wie de last reeds van de schouders is gevallen. Niet zelden neem je er met opgeruimd gemoed nog een en nog een, tot je Carmiggelts bespiegeling begint te aan te voelen:

Ik hou zo van het fonkelende drinken

en het "Nou ja" , dat in je hart ontluikt

Klein wordt de wereld als je wat gebruikt

omdat de verten in het niets verzinken.

Die andere kijk op de biochemie van het drinken kan velen buiten de psychologie nog niet erg overtuigen. Vermindering van spanning, angst of zwaarmoedigheid gaat daarom nog steeds door voor het hoofdmotief om te drinken tot de verslaving erop volgt.

In Psychological Assessment rekenden onderzoekers van de State University in New York onlangs rechtstreeks af met deze volkswijsheid. Zij ondervroegen over een periode van drie jaar bijna tweeduizend drinkers en ontdekten dat het gevaar van grootgebruik vooral geldt voor mensen die positieve gevoelens met het glas versterken. In dit geval is een opgewekt gemoed een risicofactor.

Maar hoe is die bizarre uitkomst dan te rijmen met de ervaring van hulpverleners dat juist mensen met veel sores problemen hebben met hun drinkgedrag? Het een sluit het ander niet uit, constateren de Amerikanen. Mensen die psychisch in de knoop zitten gaan ook na matiging van hun consumptie toch vaak nog onder hun drinkgedrag gebukt. Waarschijnlijk omdat de dieper liggende problematiek niet aan de oppervlakte komt.

De wetenschappers uit New York turfden de drinkmotieven onder genterviewden en verdeelden hen onder in sociale, vrolijke en probleemdrinkers. Onder mannen waren ze alle drie ruim vertegenwoordigd. Meer dan onder vrouwen, maar daarmee vertelden de Amerikanen niets nieuws. Blanken dronken iets vaker om sociale redenen en om positieve gevoelens te versterken, zwarten om de zorgen te verlichten. Overigens waren de verschillen tussen blank en zwart gering.

Na veel gepuzzel slaagden de psychologen erin om het effect van de drie drinkmotieven afzonderlijk te meten. Het resultaat was opmerkelijk en paradoxaal: probleemdrinkers lopen het eerst tegen een drankprobleem aan, terwijl vrolijke drinkers juist meer drinken. Niet zelden gebruiken ze daarbij pepmiddelen, terwijl probleemdrinkers naast pepmiddelen nogal eens naar kalmeringsmiddelen grijpen. Zoals verwacht stond sociaal drinken in alle opzichten voor bescheidenheid.

Gedeprimeerde mensen die vluchten in de drank, ondervonden de hinder van hun drinkgedrag zowel thuis als op het werk. Bij beheersing van hun alcoholconsumptie werden ze al heel snel geplaagd door ontwenningsverschijnselen. En dat terwijl ze vaak minder hevig drinken dan mensen die met alcohol positieve gevoelens en ervaringen versterken.

Het lijkt krom: meer drinken en er minder problemen mee hebben. Daar geven de Amerikaanse psychologen wel een draai aan. Om te beginnen heffen vrolijke drinkers het glas onder omstandigheden die daartoe meer geeigend zijn. Denk aan een bourgondische gelegenheid, met mannen of vrouwen onder elkaar en eventueel nog een pil erbij om de euforie te verhogen: wie heeft er dan een drankprobleem? Het contrast met de stille probleemdrinker moge duidelijk zijn.

Bovendien ontbreekt het probleemdrinkers dikwijls aan de wilskracht om hun drinkgedrag te beheersen. Uit proeven met mens en dier is al vaker gebleken dat negatieve gevoelens een sterker en blijvender uitwerking hebben dan positieve. Frustraties laten minder gemakkelijk los. Daarom zou de afhankelijkheid van alcohol bij probleemdrinkers groter zijn dan bij vrolijke drinkers. Ondanks het feit dat die hem doorgaans steviger raken, is de noodzaak van drinken voor hen minder dringend.

Vrolijke drinkers weten ook beter wannneer ze zichzelf te buiten kunnen gaan aan de drank. Ze geven ruimte voor sociale controle, laten zich voor hun drankgebruik op de vingers tikken en beheersen zich dan. Maar op een ander moment scheppen ze de juiste condities om met instemming van de omgeving weer eens diep in het glas te kijken. Zo geslepen is de probleemdrinker niet. Die zorgt liever dat hij uit zicht blijft en niet door anderen wordt vermaand. Uiteindelijk heeft en houdt deze probleemdrinker de naam, terwijl zijn optimistischer lotgenoot als drinkebroer ernstig wordt onderschat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden