Drie opruiende boeken van weleer

Doris Lessing in 1958. Beeld Ullstein Bild / Getty Images

Aan de vooravond van Internationale Vrouwendag - 8 maart - herlezen drie jonge vrouwen een literair sleutelwerk van de Tweede Feministische Golf in de jaren zestig en zeventig: ‘Het Gouden Boek’, ‘Het ritsloze nummer’ en ‘De schaamte voorbij’. Bij verschijnen betoverden ze een generatie.

Het Gouden Boek van Nobelprijswinnares Doris Lessing verscheen in 1962. Time Magazine schaarde het onder de honderd beste Engelstalige boeken ooit (tekst Shira Keller).

De afgelopen weken volgde ik de BNN-serie ‘Geslacht!’, waarin Ryanne van Dorst op zoek gaat naar het grijze gebied tussen ‘man’ en ‘vrouw’. Zelf voelt ze zich geen van beide. Ze probeert de muren tussen de twee begrippen af te breken.

Ze gaat op bezoek bij Hang-Out 010 voor LHBTQI-jongeren. “De maatschappij waarin we leven is zó gestructureerd”, zegt een van hen. “Vanaf het moment dat je wordt geboren word je al in een hokje gepropt. Naarmate je ouder wordt, merk je dat die hokjes kunstmatig zijn, en dat je eruit wilt. Die hokjes moeten open.” “Of moet er een hokje bij?” “Nee open.”

Soms, als je je ergens in verdiept, lijkt het wel alsof al het andere dat je tot je neemt ermee in verband staat. Zo riep ‘Geslacht!’ een nogal frappante synchroniciteit op met het boek dat ik de afgelopen weken las: ‘Het Gouden Boek’ (‘The Golden Notebook’) van Doris Lessing.

Er was me gevraagd of ik naar aanleiding van dit boek iets over feminisme wilde schrijven. Al tijdens het lezen van de inleiding, die Lessing een jaar of tien na verschijnen aan het boek toevoegde, werd me duidelijk hoe (onbedoeld) ironisch het verzoek was. Voor een belangrijk deel gaat die inleiding over het feit dat ‘Het Gouden Boek’ wat haar betreft niet over feminisme gaat, en dat ze het betreurt dat zoveel mensen het, of ze het nu loofden of afkeurden, met het accent op dat thema bleken te hebben gelezen. Ik begon het boek dus al met om mijn lippen het smalende lachje dat zoveel van Lessings personages kenmerkt.

Het gaat inderdaad niet over feminisme.

Goed, man-vrouwverhoudingen spelen een rol (waar niet?), maar de kern van het boek reikt veel verder. Het gaat over hoe we het leven, of we willen of niet, in dialektische categorieën opdelen. (‘Gebonden. Vrij. Goed. Slecht. Ja. Nee. Kapitalisme. Socialisme. Seks. Liefde...’) En over hoe dat afbakenen van brokjes werkelijkheid altijd onrecht doet aan diezelfde werkelijkheid, die per definitie grillig is. Het gaat over de onmogelijkheid de waarheid te benoemen (of er een boek over te schrijven), omdat je haar door haar te benoemen simplificeert, en daarmee onvermijdelijk omvormt tot een leugen.

Lessing: “Het kind wordt geleerd dat het vrij is, zijn eigen beslissingen neemt. Tegelijkertijd is het de gevangene van de veronderstellingen en dogma’s van zijn tijd, die het niet in twijfel trekt omdat het nooit is verteld dat ze bestaan.” Dit zou ook zomaar een quote uit ‘Geslacht!’ kunnen zijn.

Het lezen van dit boek was geen onverdeeld genoegen, moet ik er eerlijk bij zeggen. Lessing neemt een op het eerste oog simpele situatie: Getrouwde man houdt van zijn vrouw maar heeft geen seks met haar, gaat vreemd bij het leven. Anna, het hoofdpersonage, is een van zijn minnaressen. Hoewel ze zich voorneemt niet afhankelijk van hem te worden (‘vrij’ te blijven), wordt ze dat toch. De man vertrekt, beiden lijden.

Anna is schrijfster en in de vier gekleurde notitieboeken die ze bijhoudt probeert ze de ervaring vanuit verschillende invalshoeken te analyseren, ‘op te delen in hokjes’, om op die gefragmenteerde manier de werkelijke ervaring in kaart te brengen.

Door die vormkeuze keert hetzelfde scenario tot in den treure terug. Niet alleen de herhaling, ook Lessings stijl maakt het een ware uitputtingsslag: analytisch, gortdroog. Als een chirurg legt ze elk detail - emoties, gedachtes, dromen, uitspraken, handelingen - op de snijtafel om het aan een uitgebreid onderzoek te onderwerpen. (Ik betrapte mezelf op de gedachte: die stijl, die grenzeloze ernst waarmee op iedere slak zout wordt gelegd: is dat iets vrouwelijks?)

(Tekst gaat verder onder de afbeelding)

Lessing in 2006. Beeld EPA

Krankzinnig

Lessing laat Saul, een van de mannelijke personages, opmerken dat Anna niet genoeg lacht. “Meisjes lachen. Oude vrouwen lachen. Vrouwen van jouw leeftijd lachen niet, jullie zijn allemaal zo verrekte serieus bezig met leven.”

Ik wierp een blik op het motto dat ik een paar jaar geleden boven mijn schrijftafel ophing: Neem jezelf niet zo serieus! En dacht opeens: waarom eigenlijk? Is ook die aansporing iets vrouwelijks?

Het zal ook wel door de opdracht komen, maar hoe meer ik vorderde, hoe meer het me begon te dagen dat het boek voor mij wel degelijk over man-vrouwverhoudingen ging. In meta-opzicht. Wellicht bestempelden zoveel mensen het daarom als een ‘feministisch boek’: niet om de inhoud, niet om de vorm, maar om de stem.

Nadat Anna de vier boeken heeft afgesloten, koopt ze een nieuwe dummy. (Inderdaad: het heeft een goudkleurig omslag.) Dit boek is de synthese van alle voorgaande, waarin de zo minutieus bestudeerde afbakeningen verdwijnen als sneeuw voor de zon.

Niet alleen de verschillende Anna’s, maar alle personages (man en vrouw) vloeien in elkaar over, blijken aspecten van een enkel persoon. Het boek wordt geschreven door zowel Anna als Saul; hier is een ‘geslachtsloze’ verteller aan het woord.

Het resultaat: Krankzinnigheid. Chaos. Totaal gebrek aan houvast. Anna, verdwaald in dat bandeloze bewustzijn: “Misschien is het wel de voorwaarde voor je bestaan, dat we de vormen in acht nemen.” En even later: “Om geestelijk gezond te blijven, zullen we moeten leren ons te verlaten op de grassprietjes die, dwars door stukken verroest staal heen, over een miljoen jaar opkomen.”

Utopie

Dat het gouden boek een utopie voorstelt, wordt pijnlijk duidelijk in het afsluitende hoofdstuk, ‘Vrije Vrouwen’ (wat dus een nogal ironische titel blijkt), waarin Anna een knieval maakt voor het conformisme. Ze voegt zich naar de ‘hokjes’; wordt nota bene huwelijksconsulente, sluit zich aan bij de Labourpartij. Geen happy end, geen ‘grassprietje’ in zicht.

We kunnen de dogma’s doorbreken, vertelt Lessing met haar boek, door ons allereerst bewust te worden van het feit dat ze bestaan. Dat heeft tijd nodig; het gaat om een collectief bewustzijn. Wie het lef heeft voor te lopen op de meute is in het beste geval een ‘rotsblokduwer’, bezig als Sisyfus een steen een berg op te rollen om hem vervolgens keer op keer weer naar beneden te zien storten. Maar: “Niet helemaal naar beneden. Het slaagt er altijd in een centimeter of wat hoger uit te komen.”

We zijn ruim vijftig jaar verder. Er is veel niet veranderd, maar er zijn verschuivingen zichtbaar, elke dag. Ons onbewuste racisme wordt ontmanteld, een nieuwe generatie feministen slaagt erin heel langzamerhand een scherper bewustzijn te creëren op het gebied van seksisme en scheve machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen. Ryanne van Dorst informeert ons via de publieke omroep over de fluïditeit van gender.

Zij zijn onze rotsblokduwers.

Zij vullen de boeken, ieder met hun eigen afgebakende strijd. En ooit, over een miljoen jaar, zodra hun strijd beslecht is, de muren die ze ons tonen verbrokkeld, zal het tijd zijn voor het gouden boek.

En zal het daarmee eindigen.

Shira Keller (1985) is (toneel)schrijfster en treedt af en toe op in goochelshows. ‘M.’, haar romandebuut, verscheen in 2012. Keller werkt aan een tweede boek.

Anja Meulenbelt, 1987. Beeld ANP

De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt verscheen in 1976. De oplage van haar boek - in elf talen vertaald - was zo’n half miljoen (tekst Emilia Menkveld). 

In mijn geleende exemplaar van ‘De schaamte voorbij’ (1976) vind ik een oude foto. Mijn moeder, een jaar of twintig, volkomen verdiept in de ontboezemingen van Anja Meulenbelt. Later heeft ze me verteld hoe ondersteboven ze ervan was, zoals zoveel van haar vriendinnen en studiegenoten. Met een mengeling van nieuwsgierigheid en tegenzin begin ik te lezen. Een boek vol vrouwenstrijd, zou mij dat nog iets zeggen, ruim veertig jaar na dato?

‘De schaamte voorbij’ is het relaas van een vrouw die zich bekeert tot het feminisme. Veel te jong moet Anja trouwen met haar vakantieliefde, die zich ontpopt als een gewelddadige echtgenoot. Na de moeizame scheiding fladdert ze van de ene naar de andere beweging in het Amsterdam van de jaren zeventig. Ze bezoekt marxistische klasjes, is zelfs even betrokken bij de Black Panther-partij, werkt ondertussen een eindeloze reeks minnaars af.

Pas bij de vrouwenbeweging vindt Anja een vorm van verlossing, herkenning, zusterlijke solidariteit. “Ik ben niet alleen, ik ben niet alleen.” Natuurlijk blijkt de praktijk weerbarstiger. Maar de schaamte die haar vrouwenleven tot dan toe bepaalde, is voorbij. Al haar angsten, onzekerheden en dromen durft ze op papier te zetten, ongepolijst, bijna koortsachtig.

Anno 2017 zouden we ‘De schaamte voorbij’ waarschijnlijk afdoen als de zoveelste bekentenisroman, een genre dat welig tiert in deze tijden van maximale self-exposure, op internet en daarbuiten. Kluun, Connie Palmen, Heleen van Royen - geen taboe blijft onbesproken. Maar niet in 1976. Nog nooit had een vrouw zo openhartig over zichzelf geschreven. En dan niet alleen over de mooie kanten, maar ook over mishandeling, seksisme, het gevoel als vrouw nooit voor vol te worden aangezien. Door te schrijven over ‘de dagelijkse details van mijn onderdrukking’ trok Meulenbelt haar problemen uit de privésfeer. Ze maakte het persoonlijke politiek.

Eigen pijn

Nog voor de eerste recensies waren verschenen, was het boek al herdrukt. Duizenden vrouwen en meisjes verslonden Meulenbelts getuigenissen: verbijsterd, ontroerd, gechoqueerd. ‘De schaamte voorbij’ beschreef hun eigen onzekerheden, hun eigen pijn.

Voor mij zijn de feministische verworvenheden volkomen vanzelfsprekend. Van kleins af aan wist ik al dat ik naar de universiteit wilde, en daarna een leuke baan. Dat mijn sekse mijn toekomst kon beperken - het kwam niet eens bij me op. Ik haalde mijn ideeën over seks en relaties vooral uit series als ‘Friends’ en ‘Sex & The City’. Voor ik zelf ook maar gezoend had, wist ik al dat je als vrouw een orgasme kunt nadoen dankzij actrice Meg Ryan, die dat fijntjes demonstreerde in ‘When Harry Met Sally’ (1989). De verbijstering die Anja voelt als ze erachterkomt dat bijna alle vrouwen in haar ‘feministies-socialistiese’ praatgroep tijdens het vrijen weleens doen alsof, kan ik me nauwelijks voorstellen. Net als haar ongeleide woede tegen de mannelijke soort en haar obsessie met het vrouwelijke geslachtsdeel (‘Mijn kut weet het beter’).

Voor mij is het makkelijk gniffelen om ‘De schaamte voorbij’: om de communes, om al die blote, zachte vrouwenlijven, om de zogenaamd vrije liefde waarvan iedereen doodongelukkig werd, om Anja’s ontdekking dat vrouwen net zo gemeen kunnen zijn als mannen. Wat had ze dan gedacht? Maar daarmee doe ik haar tekort. Hoe je het wendt of keert, ‘De schaamte voorbij’ is een geweldig tijdsdocument. Ik betrap mezelf erop dat ik bijna net zo geboeid zit te lezen als mijn moeder op die foto. Meulenbelt leefde ‘op de top van een golf’, tussen traditie en moeizame emancipatie. Haar boek maakt als weinig andere duidelijk van hoe ver vrouwen moesten komen. En de urgentie die uit haar woorden spreekt, is nog altijd na te voelen - zelfs voor een verwende millennial als ik, die nooit heeft hoeven strijden voor idealen.

Natuurlijk, man en vrouw zijn nog steeds niet helemaal gelijk in Nederland - laat staan in de rest van de wereld. Ook voor mij is alledaags seksisme geen vreemd verschijnsel. Ook nu nog kiezen veel seksegenoten voor makkelijke deeltijdbaantjes. En of we echt de schaamte voorbij zijn, ik waag het te betwijfelen.

Maar dat ik me een leven als dat van mijn grootmoeder niet eens meer kan voorstellen - we hebben het toch echt mede te danken aan Anja Meulenbelt.

Emilia Menkveld (1990) is literair vertaler en recensent voor Trouw. Onlangs verscheen haar eerste romanvertaling, ‘De rode anjer’ van Elio Vittorini.

Erica Jong, (1973). Beeld Hollandse Hoogte

Het ritsloze nummer (Fear of Flying) van Erica Jong verscheen in 1973. Wereldwijd zijn er van het boek 20 miljoen exemplaren verkocht (tekst Rianne Oosterom).

In de bibliotheek in Oudewater staar ik naar een kaft waarop een vrouw met pompeuze borsten zwelgt in de armen van een jongeman. Titel: ‘De Kus’. Ik houd mijn adem in. Ik ben een jaar of elf, het is tijd voor de Grote Mensen Afdeling. Dat de boeken daar zo veel spannender zijn dan ‘Snuf de hond’, had ik niet verwacht.

Ik kijk om mij heen of ik bekenden zie, uit de kerk. Bestudeer die borsten, vergelijk ze met mijn eigen platheid. Ik voel mijn ongekuste lippen. Wat zal de bibliothecaresse denken? Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn angst.

Een van de scènes die ik thuis lees, wordt een seksuele fantasie waar ik me nog jaren schuldig over zou voelen. De beborste vrouw blijkt een edelvrouwe die op zoek naar een goede man een foute knaap tegenkomt.

Hij geeft haar een ketting met een rode steen eraan, die precies tussen haar borsten hangt. Steeds als ze elkaar stiekem zien, speelt hij met die ketting, tot diep in haar decolleté. Hij laat haar naar adem happen. En mij erbij. Daarvoor heb ik vele keren om vergeving gebeden. De boodschap van Erica Jongs ‘Het ritsloze nummer’ uit 1973 was nog niet echt geland in het Oudewater van rond de eeuwwisseling.

In het boek, een van de sleutelwerken van de Tweede Feministische Golf, fantaseert de Joodse, neurotische dichteres Isadora Wing erop los. Bijvoorbeeld over man die in de trein zijn hand tussen de benen van een weduwe manoeuvreert. Dat opschrijven was in de jaren zeventig revolutionair; het werd gezien als ordinaire porno, geen literatuur. Maar Erica Jong is éérlijk over vrouwelijke seksualiteit, wat voor veel vrouwen een verademing is in een tijd dat het vooral draaide om de penis van de man, niet om het genot van de vrouw. Isadora bekritiseert haar echtgenoot Bennett omdat hij haar niet oraal wil bevredigen. Ook beschrijft ze de impotentie van haar minnaar Adrian, met wie ze ervandoor gaat.

Is Jongs boek nog steeds revolutionair? In orthodoxe streken misschien wel. Maar op vrouwelijke seksualiteit en fantasieën rust geen groot taboe meer. Toch is het niet de seks die ‘Het ritsloze nummer’ voor mij als jonge vrouw relevant maakt. Het is het bildungskarakter van de roman.

Als Isadora met haar man een congres in Wenen bezoekt, ontmoet ze psychiater Adrian. Tijdens hun eerste ontmoeting knijpt hij in haar kont. Voor een feministisch werk opmerkelijk dat hij niet wordt weggezet als viezerik, maar als object van verlangen. Hij is de man die de verliefde Isadora ertoe aanspoort met haar man te breken en met hem, de existentialist met een open huwelijk, door Europa te toeren.

Na een paar maanden laat Adrian haar achter in Parijs. Isadora moet voortaan zelf met haar ‘bakbeest van een koffer’ slepen. In een sjofel hotel constateert ze, na urenlang staren naar haar naakte lichaam in de spiegel, dat haar vlucht ‘een drastische maar noodzakelijke’ manier was om haar leven te veranderen.

“Je hoefde je niet te verontschuldigen omdat je je eigen ziel wenste te bezitten. Je ziel was van jou - in voorspoed en tegenspoed. (…) Je had de neiging afhankelijkheid met liefde te verwarren,” analyseert Isadora zichzelf. Als de dichteres de volgende ochtend wakker wordt, is ze ongesteld. De symboliek daarvan kan de lezer niet ontgaan.

Liefhebben zonder jezelf te verliezen, verlangen zonder op te lossen; dat moet elke vrouw leren. Niet Isadora’s seksuele fantasieën, maar die levensles verschaft het boek een tijdloos karakter.

Maar hoe ver moet vrouwelijke onafhankelijkheid gaan? Jongs hippiegeneratie idealiseert open relaties en huwelijken. Tot ergernis van de schrijfster idealiseert de generatie van haar dochter nu monogamie. Gooien wij nu bevochten vrijheden overboord? Laten we voorkomen dat feminisme op een irritante manier normatief wordt. Wat een onafhankelijke vrouw zijn inhoudt, moet ieder voor zich uitzoeken.

Jong is trouwens niet tegen het huwelijk. Dat merk je als ze beschrijft dat Adrian het ‘paarinstinct’ mist, wat ze omschrijft als ‘twee mensen die elkaar overeind houden als steunberen’. “Soms weegt het tegen alle nadelen van het huwelijk op dat te bezitten: één waarachtige vriend in een onverschillige wereld”, schrijft ze.

Toen mijn vriend een paar maanden geleden op zijn knieën ging, heb ik daarom ‘ja’ gezegd.

Rianne Oosterom (1992) studeerde geschiedenis en literatuur. Ze werkt als redacteur gezondheidszorg bij Trouw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden