Drie kranten, maar weinig wijzer

Begin april had de nationaal coördinator terrorismebestrijding Tjibbe Joustra een uitvoerig gesprek met Geert Wilders, fractievoorzitter van de Partij voor de Vrijheid. Wilders, die al jarenlang wordt bedreigd en daarom zwaar wordt beveiligd, werd bij dit gesprek op de hoogte gesteld van de vele felle reacties, in binnen- en buitenland, op zijn advies aan moslims om de helft uit hun Koran te scheuren.

Het gesprek was Wilders naar zijn zeggen niet goed bekomen. Hij had zich ’geïntimideerd’ gevoeld, met name door opmerkingen van een bij het gesprek aanwezige medewerker van Joustra die hem zou hebben gesuggereerd zijn toon over de islam te matigen.

Einde april ging de Tweede Kamer zich met de zaak bemoeien. Een meerderheid vroeg minister Hirsch Ballin van justitie om opheldering over het gesprek: ’Volgens de Kamer mag een Kamerlid zich nooit geïntimideerd voelen’. Aldus meldde NRC Handelsblad op 27 april.

Indien de Kamer zich inderdaad in deze bewoordingen heeft beklaagd, beging ze een grove fout. Een Kamerlid intimideren is natuurlijk volstrekt onacceptabel maar niemand kan voorkomen dat iemand zich geïntimideerd voelt. Dat kan met slappe knieën te maken hebben of gebruikt worden om uit een situatie politiek munt te slaan.

Hoe dan ook, Hirsch Ballin onderzocht de kwestie en stuurde een week later een brief naar de Kamer waarin hij de klacht van Wilders weersprak. Weliswaar had de medewerker van Joustra Wilders geadviseerd zijn boodschap wat minder agressief te formuleren, maar Joustra had dat onmiddellijk gecorrigeerd. De conclusie van de minister was dat het Kamerlid niet was geïntimideerd.

Het zal niemand hebben verbaasd dat Wilders het daarmee volstrekt oneens was. Overeenkomstig zijn faam als het nationale opgewonden standje sprak hij van ’een gemene brief’ en noemde hij het antwoord van de minister ’verschrikkelijk’.

Dat was niet alles. Ook op andere punten waren Hirsch Ballin en Wilders het volledig met elkaar oneens. Zo was het Kamerlid volgens de minister tevoren op de hoogte van het doel van het gesprek terwijl Wilders volhield daarover niet te zijn geïnformeerd.

Verder betoogde Hirsch Ballin dat Wilders had beloofd over het gesprek geen mededelingen te doen en niettemin de zaak nadien in de openbaarheid bracht. Wilders noemde dit elegant ’onzin’ en hield vol nooit geheimhouding te hebben beloofd.

Nog krasser is het verschil van mening op een derde punt. Wilders zou begrip hebben getoond voor Joustra en dankbaar zijn geweest voor de verschafte informatie. Ook zou hij volgens Hirsch Ballin hebben verzocht bij gelegenheid opnieuw zo te willen worden ingelicht. Aldus de verslaggeving in Trouw die in NRC Handelsblad nader wordt gepreciseerd. Daar is er sprake van ’een bericht’ dat Wilders naar Joustra stuurde, waarin staat dat hij waardering had voor ’de voortreffelijke briefing’. Ook dit werd door Wilders botweg ontkend: hij zei niet erkentelijk te zijn geweest voor de presentatie.

Overigens heeft Wilders begrepen dat hij zo niet verder komt: ’Het is mijn woord tegen dat van de coördinator. Voortaan neem ik iemand mee om een getuige te hebben’. Eerlijk gezegd heb ook ik me afgevraagd hoe het mogelijk is dat in een dergelijke niet onbelangrijke zaak partijen in een welles-nietes-spel tegenover elkaar blijven staan.

In dat verband valt het mij op dat de kranten mij weinig wijzer hebben gemaakt. Naast Trouw en NRC Handelsblad raadpleegde ik de Volkskrant maar hoewel ze alle drie een redelijk uitvoerig verslag doen van de rel, dragen ze geen van drie bij tot opheldering van vragen die elke lezer zich, na enig nadenken, zal stellen.

Om te beginnen: waar is de – naar ik aanneem – schriftelijke uitnodiging van Joustra aan Wilders waarin het doel van het gesprek is omschreven –of in het midden gelaten? Op welke wijze is vastgelegd dat dit gesprek vertrouwelijk diende te blijven? Is het ’bericht’ waarin Wilders melding zou hebben gemaakt van zijn tevredenheid over de presentatie, een stuk papier dat gemakkelijk kan worden opgespoord, of is het een mondelinge mededeling geweest?

Blijft de pers in gebreke, Joustra gaat evenmin vrijuit. Hoe is het mogelijk dat hij en zijn medewerker niet hebben begrepen dat het confronteren van Wilders met een reeks scherpe en zelfs ernstig bedreigende uitingen van moslimkant voor hem als zodanig al intimiderend moest werken? En dat heel deze seance hem de ongezochte gelegenheid bood zowel de coördinator Joustra als minister Hirsch Ballin verdacht te maken? Zie Wilders’ nieuwe actie deze week: ook de inlichtingendienst AIVD, die hem moet beschermen, verdenkt hij van vuil spel. Zo werkt deze man.

Joustra had alles kunnen voorkomen door alle stappen schriftelijk vast te leggen en het gesprek met Wilders op de band op te nemen. Nu blijven we zitten met onbewezen en niet meer te bewijzen beweringen. Wat erger is: ook de Kamer blijft ermee zitten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden