Dresden, stad als een roos aan de Elbe.

Lekkere donderstenen zijn het, die twee engeltjes van Rafaël. Ze hangen onderaan het schilderij van de Sixtijnse Madonna met het Christuskind en kijken ondeugend uit hun ogen. Verveeld, vinden anderen. Maar dat kan nooit de reden zijn van het Duitse Dresden om de twee bengels tot logo van de stad te maken.

De guitigheid van Rafaëls engelen past wel bij het Dresden van nu. Draagt de naam van de stad voor buitenstaanders nog iets droefgeestigs, in werkelijkheid is de hoofdstad van de deelstad Saksen een bloeiende roos aan de Elbe. Op allerlei plaatsen schieten de bouwactiviteiten als paddenstoelen uit de grond. Dresden spettert, is de meest welvarende stad in voormalig Oost-Duitsland en herovert met sprongen zijn oude titel van het ’Florence aan de Elbe’. Toeristisch gaat het de stad voor de wind, aan de vraag om hotelkamers is bijna niet te voldoen.

De restauratie van de Frauenkirche heeft de opmars van Dresden afgelopen jaar een enorme impuls gegeven. Voor de ingang van de lutherse dom staan dagelijks lange rijen, in de korte middagdienst die elke dag om 12 uur wordt gehouden en waarbij ook het orgel wordt bespeeld, is de kerk bijna tot de laatste plaats bezet. En iedereen zou bij goed weer nog eens over de noordelijke Elbe-oever moeten wandelen en zien hoe het ’wonder van Dresden’ na zestig jaar is hersteld en daarmee het imposante silhouet van de stad - mét die trotse koepel van de Frauenkirche, die sinds 14 februari 1945 zo schrijnend werd gemist.

Maar er zijn veel meer tekenen die er op wijzen dat Dresden in de lift zit. De Striezelmarkt, de oudste kerstmarkt van Duitsland (sinds 1434), was dit jaar bijvoorbeeld nog weer groter en drukker dan ooit - de vraag naar Dresdner Stollen was bijna niet te stillen.

Iedereen die een congres of conferentie organiseert, trekt in Dresden een volle bak. Aan de Elbe, daar wil iedereen naartoe. De Duitsers zelf maken een inhaalslag, maar ook de buitenlanders zijn gemakkelijk te porren. Velen wilden afgelopen jaar de feestelijkheden van 800 jaar Dresden bijwonen. In de eerste negen maanden telde de stad ruim 2,2 miljoen overnachtingen van landgenoten en bijna 400.000 buitenlanders (onder wie ruim 22.500 Nederlanders). De groei vergeleken met het jaar daarvoor bedroeg 22,2 procent .

Het jubeljaar was nog niet voorbij of Dresden kon een nieuwe parel aan de ketting rijgen: de tentoonstelling van het Groene Gewelf (das Grüne Gewölbe) in het Residenzschloss. Deze schatkamer, die wel de rijkste van Europa genoemd en dertig jaar elders in de stad is ondergebracht, bevat een onwaarschijnlijke hoeveelheid goud en zilver, edelstenen en email, ivoor en brons, barnsteen en andere kostbare materialen. Het was allemaal het bezit van de Saksische keurvorst August de Sterke (1670-1733), die naast geld over een pathologische verzameldrift beschikte. In september 2004 werd het nieuwe Groene Gewelf aan het publiek gepresenteerd, met wel tien zalen waarin je je vergaapt aan een fregatmodel van ivoor, een met edelstenen ingelegd uilenbeeldje, een tableau dat de aanbidding van de Grootmogol voorstelt of een groene diamant. Elders kom je Rembrandts tegen, zoals die met Saskia, stadsgezichten van Canaletto en de al genoemde engelen van Rafaël.

Afgelopen september is daar het historische Groene Gewelf bijgekomen in de catacomben van het museum. Twee aan twee mag je naar binnen, door een tochtsluis, en je moet weken, zo niet maanden van tevoren reserveren. Maar dan sta je ook tussen de topstukken uit de collectie van August en voel je de rijkdom lijfelijk om je heen.

Met die beelden nog in gedachten schuif je even later aan de overkant van de straat aan in een stube van de Sophienkeller, onder het roemruchte Taschenbergpalais. Ook deze tent puilt uit: het bier stroomt, de Sauerbraten met Apfelrotkraut en Königskloß is een topper op de menukaart. Het gaat best goed in Dresden.

Natuurlijk lokken de Frauenkirche, de Zwinger en de Kreuzkirche aan de horizon van Dresden, maar daar zal elke stadsgids en ieder reisboekje je zeker binnenloodsen. Maar er zijn meer verplichte nummers, waarvoor in het programma misschien geen tijd is en die je eigenlijk toch niet mag missen. Zoals die Innere Neustadt, vergeleken met het conservatieve centrum een alternatief kwartier. Oorspronkelijk heette de wijk Oud-Dresden, maar in 1685 werd die door brand verwoest. Uiteindelijk is ze weer opgebouwd, met imposante paleizen, hotels en andere panden. De oorlog heeft de wijk erg beschadigd en in de tijd van de DDR is de situatie er niet veel beter op geworden. De toenmalige Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED) overwoog zelfs de hele wijk plat te gooien.

Nu heeft de Neustadt weer een vorstelijke grandeur. Vooral de Hauptstrasse en de Königstrasse zien er prachtig uit, en een wandeling levert allerlei verrassende ontdekkingen op. Een goed begin is de Albertplatz, vroeger de grens van de stad, Je loopt meteen tegen Friedrich Schiller op, de man van de ’Ode an die Freude’, die zijn ’Don Carlos’ in Dresden heeft geschreven. Vanuit de Haupt- en Königstrasse leiden steegjes en gangen naar diverse binnentuinen. Daarin zijn exclusieve winkeltjes en genoeglijke restaurants gevestigd, en zelfs het Societütstheater (Hauptstrasse 19) uit 1779, het oudste privé-theater van Duitsland. De terrassen in de binnentuinen zijn uitnodigend en baden in een weldadige rust, omringd door ateliertjes en galerieën. ’Hier wohnt die Kunst’ staat er ergens op een uithangbord - keurig volgens de regels die schreeuwerige reclame en kleuren in het straatbeeld verbieden. De mooiste hotels staan in deze wijk, misschien nog wel aantrekkelijker dan die in het oude centrum. Alleen voormalig hotel Stadt Leipzig is door investeerders nog niet opgemerkt; het hangt er vreselijk vervallen bij, alsof de hereniging van Duitsland nog moet komen.

Mooi is ook de oude Markthalle aan de Metzer Strasse. Het gebouw staat er al meer dan honderd jaar, heeft vele hoogte- en dieptepunten gekend, maar ziet er sinds een grondig herstel in 2000 weer spic en span uit. Licht, hoog en vriendelijk. Onder het motto ’Eten, drinken en vrije tijd’ zijn er weer vele tientallen kraampjes en tentjes en vind je winkeltjes waar je Poolse borsjt of Russische pelmeni, stroganoff kalinka en baboesjka’s kunt kopen.

Ooit zal het Japanse Paleis nog eens onder handen genomen worden en een nieuwe bestemming krijgen, maar voorlopig moeten we het doen met de huidige entourage. In dit gebouw uit 1715 dat ooit het Hollandse Paleis heette omdat de Nederlandse ambassadeur er huisde, zitten nu drie musea onder één dak: het Landsmuseum voor Prehistorie, het Museum voor Volkenkunde en het Museum voor Dierkunde. Albert de Sterke liet het bouwen om er zijn Aziatische porseleinverzameling in onder te brengen. Die is inmiddels elders ondergebracht.

Een boekhandel is een boekhandel, maar het Haus des Buches is toch nog wel iets meer. De enorme winkel aan de Dr. Külz-Ring - daar waar je van de Prager Strasse oversteekt in de richting van de Altmarkt - heeft zo’n veelzijdig assortiment aan boeken, kunst en muziek dat je er uren kunt vertoeven. Vooral na zessen, wanneer musea en tentoonstellingen hun deuren sluiten, kun je hier nog even binnenglippen. De boekhandel nodigt geregeld hotemetoten uit om hun boek te presenteren en een lezing te geven. Zo was oud-bondskanselier Gerhard Schröder onlangs nog in de zaak, maar ook zijn voorganger Helmut Kohl, zanger Udo Jürgens en bergbeklimmer Reinhold Messner.

Wie Dresden per trein bezoekt, lijkt in een heel andere stad te arriveren dan wie met de auto reist. De entrée naar het oude centrum via het Hauptbahnhof is zo anders. Het hele gebied tussen dit station en de oude stad is door het bombardement van de geallieerden weggevaagd geweest. Wie een paar jaar niet in Dresden is geweest, kijkt zijn ogen uit naar de bouwactiviteiten aan weerszijden van de Prager Strasse, waarvoor de Lijnbaan in Rotterdam als inspiratiebron is geweest. Ook in de winter met alle verlichtingen en versieringen ziet de vrij moderne wijk er indrukwekkend uit. Zelfs de erfenissen van de DDR in het straatbeeld zijn opgefrist en van hun ergste betonnen bitsheid ontdaan.

Het station zelf is ook grondig gesaneerd. Het heeft iets weg van een kathedraal, al spreken anderen over een tent voor de treinen. Vanuit het middenschip verlaten treinen het kopstation over tien sporen, door de zijbeuken worden doorgaande treinen geleid over acht sporen. Berlijn, Praag, Leipzig, Hamburg - het staat allemaal op de borden. Maar je kunt ook naar de binnenlanden van Saksen of naar tussendoortjes op de grote lijnen.

Het interieur van Dresdens grootste station, dat in 1898 in gebruik werd genomen, mag gezien worden. In de Tweede Wereldoorlog werd het voor tachtig procent beschadigd, in 2000 werd de bouwval stevig onder handen genomen. De ronde hallenbogen zijn gespaard en bekleed met een wit gekleurde kunstvezel die de zon weert en inderdaad het idee van een tent oproept. Een enorme koepel van glas zorgt voor veel licht in de stationshal. En er is zo’n grote ruimte gecreëerd in het hart van het gebouw, dat je er een markt of een cultureel festijn kunt organiseren. Het enige waar het station niet tegenkan, is een rivier die buiten zijn oevers treedt, zoals gebeurde in de zomer van 2002. Toen kreeg de Weißeritz, een zijriviertje van de Elbe, te hoge nood en stroomde kolkend het Hauptbahnhof binnen.

Een station met een verhaal dus, en dan hebben we het nog niet gehad over de treinen met vluchtelingen uit het Oostblok die hier op 3Â oktober 1989 binnenreden en zo’n 3000 demonstranten met de Volkspolizei in ’debat’ gingen en het station enorme schade opliep.

In de beruchte Pogromnacht van 9 op 10 november 1938 werden vele synagoges in Duitsland op last van de nazi’s verwoest, ook die in Dresden. Brandweerlieden die te hulp schoten, werd verboden om het brandende gebouw aan de Rathenauplatz te blussen: zij mochten alleen de omliggende woningen tegen brandgevaar beschermen. De vernietiging van de Semper synagoge, die dateerde uit 1838, werd weldra gevolgd door de uitroeiïng van de geloofsgemeenschap (die in 1933 nog ruim 5000 leden telde). Aan het einde van de oorlog, in 1945, waren nog maar 41 leden van de gemeente in leven.

Lang bleef het gapende gat bij de Carolabrug een ongewild monument voor deze tragedie. Stenen uit de ruïne werden gebruikt om straten te plaveien. Pas in de jaren negentig werden plannen uitgewerkt om weer een synagoge te bouwen. Op 9 november 2001, ruim zestig jaar na de verwoesting, werd de nieuwe tempel ingewijd, op de oude plaats. Dat wil zeggen: de architecten van bureau Wandel, Lorch en Hirsch hielden de locatie van de voormalige synagoge vrij als een open hof en bouwden de nieuwe ruimte er als een soort beschutting omheen. Aan de ene kant door het nieuwe Sjaloom-synagoge, aan de andere kant het gemeenschapscentrum. Tussen beide gebouwen werd de ruimte afgeheind met een muur. Een van de weinige overblijfselen van het oude gebouw, de gouden Davidsster die aan de toren bevestigd was en die door een brandweerman was verstopt, kreeg een plaatsje boven de hoge toegangsdeur.

De joodse gemeenschap telt inmiddels zo’n 700 leden. In september 2006 werden voor het eerst sinds de nazi’s de Joodse hogeschool in Berlijn in 1942 verwoestten, weer rabbijnen gewijd. Dat gebeurde in de synagoge van Dresden, in aanwezigheid van onder anderen bondskanselier Angela Merkel.

Dresden wordt wel aangeduid als de ’stad van de levenslust’ en dat blijkt wel op een doordeweekse avond, wanneer het theater/restaurant met travestietenshow geheel volgeboekt is. De show wordt aan elkaar gepraat in rad Duits. Je mist dus nog wel eens de clou van het verhaal, maar misschien is dat zo erg niet - zo hemelbestormend zijn de teksten nu ook weer niet. Maar sinds de voorstellingen eind 2003 voor het eerst werden gegeven, staan de mensen in de rij. Reserveren is een must.

De sterren in de show wisselen met grote regelmaat; in december zat er bijvoorbeeld iemand uit Amsterdam in het gezelschap. Twee uur voordat de show begint, gaat de zaal open voor een diner, dat in de prijs is inbegrepen.

Ze noemen zich zelf de mooiste melkzaak ter wereld en dat zou best eens kunnen. Want waar vind je zo’n rijk versierde melkwinkel annex melkfabriek als de Molkerei in de Bautzner Strasse? Paul Pfund was de grondlegger. In 1880 vatte hij op zijn boerderij in Reinholdshain buiten Dresden het idee op om zijn melk in de stad te gaan verkopen, en dan op een veel hygiënischer manier dan toen gebruikelijk. Hij bezat zes koeien en een vrouw - dat moest dus lukken.

En dat gebeurde ook. Pfund zette de koeien achter een grote glazen wand en liet de verbaasde toeschouwers kiezen van welk dier zij verse melk wilden consumeren. Het ’melkkurort’ werd steeds populairder. Met paard en wagen werd de melk rondgebracht; ’Pfunds melkarmada’ kende ook ook melkboten. Van de melk die niet verkocht werd, maakte Pfund ’Kondenzmilch’, kindervoeding met de kwaliteit van moedermelk en zelfs melkzeep voor mensen met een gevoelige huid.

De zaken gingen zo goed dat het pand al in 1891 verbouwd en uitgebreid werd. Het interieur van de winkel en van het drinklokaal werd aangekleed met majolica-tegeltjes van Villeroy & Boch aan de muur, tegen het plafond en op de vloer. Zuilen en trappen werden zwaar gedecoreerd. En mensen van de kunstacademie leverden afbeeldingen en ornamenten die in de Italiaanse Renaissance niet zouden hebben misstaan.

Wonder boven wonder bleef de Molkerei in de oorlog grotendeels gespaard. In 1990 verkochten de erven van Paul Pfund de zaak. Het pand werd hersteld en in 1995 ging ’de mooiste winkel ter wereld’ weer open. Het is nog steeds een feest om er binnen te stappen. Alleen is de entourage zo overweldigend dat je eigenlijk niet aan een keuze toekomt. Je kunt er natuurlijk wel bij het nuttigen van een kaassoep of een kaasplankje over nadenken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden