Drees: meer mythe dan werkelijkheid

De nazaten van de legendarische premier Willem Drees hebben last van de mythes die hun voorouder omgeven. Niet alleen in de AOW-discussie. „Wij moeten ervoor zorgen dat onze naam niet voor een verkeerd karretje gespannen wordt.”

’Helaas geen mariakaakjes”, zegt Johannes Drees (25), terwijl hij zijn vader, Willem Bernard Drees (Wim, 55) een stroopwafel aanbiedt. Bij deze kleinzoon van premier Willem Drees – die hoog Amerikaans bezoek ooit eens zou hebben ontvangen in zijn rijtjeshuis met thee en droge koekjes – heerst niet de soberheid waar de familie om bekend staat. In de keuken is de tafel royaal gedekt voor het diner. Kandelaars op het witte tafelkleed, wijnglazen met gouden randen naast de borden.

Ontvangsten bij de familie Drees, Wim herinnert ze zich ook uit zijn jeugd in de jaren zestig. Op zondagochtenden zaten ze in het beroemde huurhuis van zijn grootouders op de Haagse Beeklaan 502 aan de koffie. ’Vadertje’ Drees is er niet het type naar te spelen met zijn kleinkinderen. Hij zit in een stoel in de woonkamer met de volwassenen in het gezin eromheen, onder wie zijn twee zonen Willem jr. en Jan. Het gaat vaak over politiek, ook over de PvdA. De oud-premier en zijn zoons kunnen zich steeds minder in de Nieuw Linkse koers vinden en breken uiteindelijk alle drie met de partij. Grootvader voert tijdens deze gesprekken het hoogste woord. Van zijn eigen vader Willem jr. herinnert Wim zich dat die ook nogal stellig en doordacht was in zijn overtuigingen.

Eigenlijk is er in de loop der jaren niet zoveel veranderd bij de familie Drees. In de woonkamer van Wim is grootvader nog steeds aanwezig. Een miniatuur van het beeld dat voor de premier in Den Haag werd opgericht, staat op de vensterbank. En nog steeds gaan de gesprekken thuis vaak over politiek. „De AOW, die houdt ons nu wel bezig”, zegt Johannes. „En ook mijn vader heeft vaak het laatste woord”, lacht hij. „Ik ben wat rustiger.”

Vader en zoon zagen hun naam de laatste maanden talloze malen opduiken in de kranten. In de discussie over AOW-leeftijd werd Willem Drees sr. steeds weer in herinnering geroepen. Als minister van sociale zaken keerde hij in 1947 via een noodwet een oudedagsvoorziening uit. Drees was premier toen in 1957 de AOW van kracht werd. Als toonbeeld van sociale bewogenheid duikt Drees nu op in politieke debatten (’zich omdraaiend in zijn graf’) of cartoons (soms als een tot leven gewekt skelet).

Niet altijd even kies voor de nazaten. Storend vinden de jongste telgen vooral dat Drees vaak verkeerd begrepen wordt. „Er worden zulke naïeve beelden van hem opgeroepen”, zegt Wim. „Er heeft een soort legendevorming plaatsgevonden. Hij is een symbool geworden voor sociale zekerheid.”

Klopt dat beeld dan niet?

Wim: „In de naoorlogse periode zijn veel sociale zekerheidswetten tot stand gekomen. Mijn grootvader heeft daar natuurlijk ook een grote bijdrage aan geleverd. Maar er zijn veel meer politici bij betrokken geweest. De onderhandelingen voor de Marshall-hulp werden door Dick Spierenburg gedaan, nog voor mijn grootvader premier werd. En Ko Suurhoff was minister van sociale zaken toen de AOW werd ingevoerd, grootvader was premier.

,,Maar naarmate de jaren vorderen, verdwijnen veel andere naoorlogse politici naar de achtergrond terwijl het beeld van mijn grootvader steeds sterker wordt. Alles wat in de jaren vijftig bereikt is, wordt nu aan mijn grootvader toegeschreven omdat die samenvielen met zijn premierschap. Dat leidt tot fantastische verhalen over hem die soms niet eens waar zijn. Bijvoorbeeld dat mijn grootvader bij hem thuis die karige mariakaakjes zou hebben aangeboden aan de Amerikanen die hier kwamen vanwege de Marshallhulp. Dat spoorde niet met wat ik mij herinner aan koekjes en chocolaatjes. Het is ook in zijn agenda nergens terug te vinden. Maar dat verhaal blijft overeind als symbool van zijn soberheid.”

Dat beeld van soberheid klopt niet?

Wim: „Privé was mijn grootvader niet overdreven zuinig. Aan boeken gaf hij altijd veel geld uit. En hij woonde dan misschien in het huurhuis aan de Beeklaan, maar hij had voor de oorlog wel een koophuis in Den Haag. Dat werd in oorlogstijd onbewoonbaar, en toen is hij met mijn grootmoeder aan de Beeklaan komen wonen. Maar dat was meer toeval dan zuinigheid.

„Met overheidsgeld was hij wel heel voorzichtig. Daarom zou hij er zeker voorstander van zijn geweest dat de AOW nu versoberd wordt. Het ging hem er vooral om dat ouderen niet meer afhankelijk zouden zijn van hun kinderen. En dat ouderen niet onder een armoedegrens zouden zakken die onaanvaardbaar is. Daarvoor diende het minimuminkomen uit AOW. Maar hij zou altijd hebben willen voorkomen dat er door een te royale AOW geen geld zou overblijven voor andere noodzakelijke uitgaven die een staat moet doen.”

Willem Drees jr. vond de AOW ook al aan de royale kant

Johannes: „Ja, zo denk ik er ook over. Drees jr. adviseerde het kabinet 1987 om de AOW aan te passen omdat die te duur werd. Hij zag al dat de leeftijd van 65 jaar door de demografische ontwikkeling onhoudbaar werd.”

Wim: „Ik zelf stel ook mijn vraagtekens bij de houdbaarheid van de AOW. In een steeds internationaler wordende economie is het ook moeilijk om solidariteit hoog te houden. Het idee van collectiviteit verandert als mensen steeds naar het buitenland verhuizen. Bovendien vind ik het AOW-voorstel van het kabinet niet eenvoudig genoeg. Er worden teveel uitzonderingen gemaakt. Dat gaat in de uitvoering weer veel geld kosten, dat beter ergens anders aan uitgegeven had kunnen worden. Dat zou mijn grootvader ook gevonden hebben.”

Voelt u zich als familie bijzonder verbonden met het thema van de AOW?

Wim: „Mijn vader leidde dan wel die adviescommissie, maar de AOW had voor hem geen speciale betekenis. Hij interesseerde zich in het bijzonder voor milieuzaken, verkeer en ruimtelijke ordening. De AOW was voor hem vooral een onderwerp dat hij als econoom belangrijk vond, maar niet vanwege de rol die zijn vader erin gespeeld had.

Johannes: „Ik denk eigenlijk niet dat ik nog AOW zal krijgen op het moment dat ik 67 ben. Ik weet ook niet of dat zo erg is. Je zou je oudedagsvoorziening ook zelf moeten kunnen regelen. Het belangrijkste is dat mensen die het echt nodig hebben een minimum krijgen om van te leven. Dat is voor mij het uitgangspunt, net als overigens voor mijn overgrootvader.”

Zou u zich daar politiek voor willen inzetten?

Johannes: „Er wordt mij vaak gevraagd of ik ook de politiek in wil. Het is het vaste riedeltje als ze mijn naam horen: ben je familie van? En wil je ook politicus worden? Maar niet alles is erfelijk. Ik heet dan misschien Drees, maar mijn moeder beïnvloedt ook wie ik ben. Bovendien, ik vind dat ik eerst wat meer door het leven gevormd moet worden voor ik de politiek in ga. Daarom promoveer ik ook. Ik moet mijzelf eerst verder ontwikkelen om te weten waar ik voor sta. Ik verbaas mij over de makheid waarmee mijn generatie politieke besluiten over zijn kant laat komen. De AOW houdt twintigers en dertigers nauwelijks bezig. Ze gaan niet de barricaden op, terwijl zij juist last hebben van beslissingen die nu genomen worden. Ik heb een boekje geschreven over diversiteit op de werkvloer tijdens mijn stage bij de Tweede Kamerfractie van de PvdA. Wat mij raakte is dat gehandicapten bijvoorbeeld het zo moeilijk hebben om een baan te vinden. Door hun werkloosheid raken zij in een sociaal isolement. Daar ligt nog een opdracht voor de politiek.”

Toch nog stage bij de PvdA? Had uw familie niet met die partij gebroken?

Johannes: „Ik ben lid van de PvdA, en stem er ook op. Al denk ik wel genuanceerder over onderwerpen als de AOW. De verhoging van de AOW-leeftijd is één ding, ik vind het ook essentieel om in te zetten op participatie van ouderen of sociaal zwakkeren. De impact van werkloosheid wordt erg onderschat.”

Wim: „Ik ben ook lid van de PvdA. Net als een groot deel van onze familie. In de zomer van 1970 zeiden mijn vader en oom Jan hun lidmaatschap op. Mijn vader richtte de partij DS ’70 op als tegenwicht tegen Nieuw Links in de PvdA. Mijn grootvader zat met zijn zoons op één lijn, maar hij was erevoorzitter van de PvdA. Kón hij wel opzeggen? Uiteindelijk heeft hij het toch gedaan, op de verkiezingsdag van 1971. Hij wilde met zijn stap de verkiezingsuitslag niet beïnvloeden, dus heeft opzettelijk tot die dag gewacht. Ik denk dat mijn vader en grootvader vandaag de dag toch meer aansluiting zouden hebben gehad bij de PvdA dan bij enige andere partij. Zeker bij politici als Wouter Bos, die proberen in de bestuurlijke praktijk zorgvuldig te opereren en daarbij zo goed mogelijk vorm te geven aan linkse idealen en ideeën.”

U bent hoogleraar godsdienstfilosofie. Waarom deed u geen economie, zoals uw vader en grootvader?

Wim: „Een voordeel van de natuurkunde, mijn eerste studie, was juist dat ik niet in de voetsporen van mijn vader en grootvader trad. Ik heette ook Willem Drees, met Bernard als tweede naam. Mijn vader heette precies als zijn vader, en heeft dat als een handicap ervaren. Het maakte het voor hem als econoom en ambtenaar moeilijker de politiek in te gaan. Zijn naam was zo beladen.

In de natuurkunde betekende mijn naam niets. Dat gaf de doorslag. Maar ik had econometrie ook interessant gevonden. Ook belangrijk was dat Jan Tinbergen, de econoom en Nobelprijswinnaar en een groot voorbeeld voor mijn vader en grootvader, van huis uit natuurkundige was. Uiteindelijk liep het allemaal anders. Uit belangstelling, en om er iets heel anders bij te doen, ging ik theologie en filosofie studeren. Ik wilde me ook op cultureel vlak ontwikkelen en religies fascineerden me. Zo ben ik in een heel ander vakgebied terechtgekomen.”

Kunt u als wetenschapper de publieke zaak dienen, zoals uw vader en grootvader?

Wim: „Goed begrip van godsdienstige bewegingen is enorm actueel. Ik hield mijn eerste college als hoogleraar in Leiden op 11 september 2001. Vanaf dat moment is de islam, een van onze belangrijkste studiegebieden, alom aanwezig geweest. Daar kunnen wij als godsdienstwetenschappers een rol spelen. Van onze studenten is eenderde moslim. Veel van deze mensen hebben het in zich om interessante leidende figuren te worden. Ik vind de ongenuanceerdheid waarmee over de islam gesproken wordt door mensen als Wilders zeer stuitend. Misplaatst is de angst voor islamisering, alsof het een groep is die als eenheid opereert terwijl er zoveel variatie is. Moslims lukt het al niet om tot één omroep te komen.”

Johannes: „Wilders is inderdaad een onderwerp waar wij het de laatste tijd ook veel over hebben thuis.” Tegen zijn vader: „Zou jij niet met hem in discussie willen gaan?”

Wim: „Ik weet niet of een debat het beste platform is. Daar worden argumenten ook maar tegenover elkaar geplaatst zonder dat er iets mee gebeurt. Op de universiteit kun je van binnenuit iets bereiken bij studenten.”

Wilders wordt in zijn standpunten over sociale zekerheid steeds linkser. Voor je het weet roept ook hij Willem Drees aan. Wat zou u daarvan vinden?

Wim: „Ooit hebben de Centrum Democraten aangekondigd dat zij hun wetenschappelijk bureau naar mijn grootvader gingen vernoemen. Dat heeft mijn vader toen tegengehouden. Of Wilders in zijn protest tegen de verhoging van de AOW links te noemen is, is de vraag. Het ondermijnt de solidariteit tussen generaties. De naam Drees wordt ook nu weer geannexeerd door allerlei partijen. Wij moeten ervoor zorgen dat onze naam niet voor een verkeerd karretje gespannen wordt.”

De mythe van de mariakaakjes is nog het gemakkelijkst te ontkrachten. Johannes Drees laat de schaal met stroopwafels weer rondgaan. De koekjes zouden de Amerikanen er destijds van overtuigd hebben dat Nederland de Marshallhulp verstandig zou gebruiken. Een premier die zijn gasten zó ontvangt, verspilt zijn geld niet. „Die beroemde zuinigheid van mijn familie”, zegt Wim, „het klopt gewoon niet.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden