Dorpskind schenkt de stad het leven

’Stad en Land’ is het thema van Poetry International. Voor Maria Barnas bekend terrein. Haar stad is geen stenen decor, maar een personage.

Terwijl Maria Barnas op de middag van de bomaanslagen in Londen, 7 juli 2005, naar de BBC-radio luisterde, gingen haar gedachten terug naar haar jeugd op een Engels landgoed en naar de aanslagen die de IRA in die jaren pleegde. „De dreiging was heel aanwezig. Als iemand een dagje naar Londen ging en het journaal over een aanslag berichtte, vroeg je je af of hij wel thuis zou komen.”

Opvallend vaak hoorde ze nu in de BBC-berichten het woord eerily. „Dat woord kende ik alleen van Edgar Allen Poe, van spookverhalen waarin het huiveringwekkend stil is. Eerily quiet was het in Londen. Alsof de paniek omsloeg in onderkoeldheid, in verstilling. Dat had ook iets moois en menselijks. Je bent in paniek maar wilt er nog niet aan toegeven.” Vanuit diezelfde houding schreef ze het gedicht ’Voor de zekerheid’, waarin de daders en de straten zich ’eerily stil’ houden. Het staat in haar bundel ’Er staat een stad op’. (2007). „Ik wilde ondervinden of ik vanuit die houding – ’eigenlijk ben ik ontzettend bang maar ik doe net alsof het allemaal onder controle is’ – iets kon creëren.” Net zoals de Britse zakenlieden op krantenfoto’s iets onverstoorbaars leken te willen uitstralen, alsof ze niet wisten hoe besmeurd ze waren met explosiestof.

In haar gedichten heeft de stad een grillig karakter, zoals een sprookjeswoud veel meer leeft dan als natuur alleen. Geen decor van steen waar je achteloos doorheen wandelt, maar een personage dat zichzelf continu herschikt en speelt met bewoners. Haar stemming kan onverhoeds omslaan. Barnas dicht over veel meer dan over steden alleen, maar de stad speelt een voorname bijrol.

„De stad vormt zich voor me terwijl ik de hoek omga. Een kinderlijk idee, maar zo voel of denk ik dat. Wat er straks om de hoek zal zijn, bestaat nu nog niet. Pas als ik er kom, ontstaat het.” Ze schept de stad in haar hoofd, een mechanisme dat ook in de poëzie werkt: ’alles wat ik zeg bestaat’ (uit: ’De Amstel’).

Het maakt Barnas tot het middelpunt van haar wereld, waarin alle anderen figuranten zijn. „Gelukkig is dat niet echt zo, ik zie het ook niet zo en wil het niet zien. Maar die angst is wel licht aanwezig.”

De stad is ’onberekenbaar’, kan zich verspreken en als zij openbreekt weet je niet wat uit de kieren tevoorschijn komt. De stad als dader, of onverschillige toeschouwer bij dramatische gebeurtenissen.

Zoals in ’Verdieping 3’ een jongen uit eten gaat, tevergeefs op een meisje wacht en tegen de verveling ’een hoge hoed van het schone servet’ vouwt, terwijl elders in de stad zijn huis ontploft bij de zelfmoord van een bovenbuur. Het overkwam een vriend van Barnas. Ook minder nieuwswaardige situaties kunnen levens drastisch beïnvloeden.

Het is te eenvoudig om te concluderen dat haar angst voor IRA-bommen de stad voorgoed bedreigend heeft gemaakt. Het ligt anders, eenvoudiger nog, denkt Barnas (1973). Ze woonde eerst in Midwoud, toen in Lochem en vanaf haar zesde op het Engelse platteland. „Ik ben opgegroeid tussen schapen en bomen en vind de stad erg druk. Ik schrik nog altijd van fietsers.” Misschien is het ook een soort onhandigheid, zegt ze, ze heeft niet zo’n snel reactievermogen. „Tegelijkertijd is de stad mijn bron. Ik zou niet zonder die dynamische omgeving kunnen.”

Op straat wapent ze zich met dichtregels of songteksten. „Ik kon als kind lang nadenken over de teksten van Morrissey of Leonard Cohen en ontleende er zelfs kracht aan. Je voelt je sterker wanneer zo’n regel in je hoofd zingt. En hoe langer je ze meedraagt, hoe meer ze gaan betekenen. Met dichtregels kan dat ook, maar dat wist ik toen nog niet.”

Ze luistert nog veel naar muziek en raakt soms aan het schrijven door een tekst die zich in haar hoofd heeft vastgezet. Bij enkele gedichten verwijst ze naar songteksten van Depeche Mode en Wir Sind Helden.

Op het festival Poetry International, waar ze maandag en woensdag optreedt, wordt jaarlijks de C.Buddingh-prijs uitgereikt, voor het beste poëziedebuut. Barnas won die in 2004 voor ’Twee zonnen’ en dat maakte het werk ’even wat minder eenzaam’. „Het heeft me geholpen om niet meer te denken dat het alleen maar voor mezelf was, maar dat mijn poëzie bestaansrecht had.”

„In het juryrapport werd gesproken over de extremen waartussen mijn werk zich beweegt. Ik was blij dat ze een weidsheid ontdekten, want ook voor mijn gevoel ben ik niet bezig op de vierkante centimeter.”

Na die prijs was het even alsof de hele wereld meegluurde in haar notitieboek. Ze voelde opeens de druk dat ze zich opnieuw moest bewijzen. „Maar omdat je daar niks mee kunt, moet je die wegleggen.” Gewoon maar weer gaan schrijven.

Barnas is haar eigen recensent. „Ik kan een nieuw gedicht lezen alsof ik het niet eerder gezien heb en zien wat niet goed is, of juist schrikken van waartoe ik in staat ben. Belangrijk als je verder wilt komen.”

Ze is ook beeldend kunstenaar en schreef twee romans, ’Engelen van IJs’ (1997) en ’De baadster’ (2000). Maar poëzie noemde ze eerder ’de belangrijkste kracht in mijn leven’. „In een gedicht kun je grote tegenstrijdigheden naast elkaar laten bestaan en dat komt het dichtst bij hoe ik de wereld ervaar. Poëzie is voor mij daarom het beste instrument om antwoord te geven op wat ik zie en meemaak. En vragen te stellen.”

Momenteel werkt ze aan een nieuwe roman. „Een dramatische spanning zal die niet krijgen, want ik ben slecht in het verzinnen van een plot. Maar ik maak mijn eigen regels en ontdek ook in proza gebieden die ik heel spannend vind.”

Ondertussen zit ze als dichter in de verzamelfase. „Ik schrijf weinig maar denk na, lees en maak notities waar ik later mee kan beginnen.”

Het thema van Poetry, Stad en Land, biedt haar de mogelijkheid om een ouder werk voor te lezen dat alleen in de psychiatrisch instelling Spaarnepoort in Hoofddorp te vinden is. „Een verslag van een wandeling vanaf de uitgang naar de zee. Om de mensen die daar niet naar buiten mogen, een denkbeeldige uitweg te bieden.”

Van Hoofddorp naar Zandvoort gaat het. „Dwars door de lelijkste Hollandse nieuwbouw, door de oudere omgeving van Haarlem, de bossen en de duinen.” Eerst de nieuwbouw als hel, dan de zee als bluswater, zou je zeggen. „Nee, geen hel, maar benauwend is het wel, die symmetrische natuur, tuintjes waarin bloemen groeien als kroppen sla.”

Het werk is gratis af te halen aan de balie van de instelling. „Want je moet de plek kennen voordat je gaat lezen. De ervaring van de locatie hoort erbij, de mensen die er door de gang lopen en misschien ook het gevoel gevangen te zitten.”

Barnas liep de route zelf en noteerde ook een tijdsplan. Acht uur lopen was het, en dat zegt meer over haar verlangen naar het eindpunt dan over haar conditie. „Zodra je over de helft bent, wordt de terugweg langer dan het restant van je tocht. Dan loop je liever door.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden