Doping: een leenwoord met Nederlandse roots?

Afgelopen week maakte het internationale antidopingagentschap Wada bekend te streven naar een strengere dopingcode en meer macht om sancties op te leggen aan dopingzondaars. Doping is al langer een probleem in de sport, maar staat dankzij de affaire-Armstrong momenteel volop in de belangstelling. Doping is een Engels woord dat zich in de 20ste eeuw over de hele wereld heeft verspreid: van het Turks tot het Sloveens, van het Bahasa Indonesia tot het Vietnamees - talloze talen namen doping over. Sommige talen hebben het woord wel aangepast, zoals het Frans, dat in 1958 doping verving door dopage. Ook het Nederlands heeft doping overgenomen uit het Engels. Uit de vroegste vindplaatsen (rond 1930) blijkt dat het woord aanvankelijk verwees naar het toedienen van pepmiddelen aan paarden. Het Engelse woord doping is afgeleid van dope (drug), dat sinds 1950 ook in het Nederlands wordt aangetroffen. Anders dan andere talen heeft het Nederlands dope en doping niet geleend, maar teruggeleend uit het Engels. Dope gaat namelijk terug op het Nederlandse woord doop, dat eerst door het Engels uit het Nederlands is overgenomen als naam van een saus ('doopsaus') waar je bijvoorbeeld brood of vis in dompelt. In het Engels ontwikkelde dope zich vervolgens in de 19de eeuw tot naam van een halfvloeibaar opiumprepraat, waarna het woord in de betekenis drug en stimulerend middel de basis vormde voor doping. Of we er nu trots op zijn of niet, het internationale woord doping heeft dus Nederlandse roots.

undefined

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden