Doper gelooft open en licht verteerbaar

Van alle kerken krimpt de doopsgezinde het snelst. De grootste groeier is de Gereformeerde Gemeente. Vandaag deel 1 van een drieluik uit Apeldoorn: het ’doperse’ gezin Van Elburg. „Eigenlijk hebben wij een hartstikke modern en idealistisch geloof.”

Zijn geloof is als een waterkraantje, zegt Henk van Elburg. Vroeger, tijdens zijn gereformeerde opvoeding, stroomde het als vanzelfsprekend. Daarna ging het een tijdje dicht. Nu hij vader is van vier kinderen druppelt het weer. „Hun geboorte heeft me aan het denken gezet. Het geloof heeft best iets waardevols, vind ik.”

Van Elburg (46) is een van de veertien ’vrienden’ van de doopsgezinde gemeente in Apeldoorn. Zij zijn verbonden aan de gemeente, maar hebben, anders dan de negentig ’leden’, geen belijdenis gedaan.

„In deze gemeente ontmoet ik openheid, vrijheid van denken”, zegt Henk van Elburg. „Dáárom ben ik hier. Maar of ik nu echt doopsgezind ben? Volgens mij ben ik diep van binnen nog steeds gereformeerd. Maar hier heb ik een soort hangplek gevonden.”

Dat geldt niet voor Henks vrouw Selma (44). De doopsgezinde kerk aan de Apeldoornse Paslaan is de kerk van haar jeugd, maar ergens rond haar vijftiende haakte ze af. „Dat geloof”, zegt Selma. „Bewijs het maar eens.” Ze vraagt haar man wel eens plagerig: ’Moet je weer naar de kerk?’. Er is zo’n woord voor wat ze is, zegt Selma. „Agnost, ja. Ik wijs het niet helemaal af.”

„Dat vind ik belangrijk”, zegt Henk. „Zo krijgt godsdienst toch een plaats in ons gezin. Want ik geloof zeker dat er iets is: God, Mohammed, noem het wat je wil. Ik ga daar licht verteerbaar mee om.”

Met drie van zijn vier kinderen (Amber van 9, Maarten van 11 en Wouter van 13) gaat Henk deze zondagochtend naar de kerk, Selma en Eline (15) blijven thuis. „De kinderen hoeven van mij niet te luisteren naar iets dat ze niet begrijpen”, zegt Selma. „Maar deze kerk is niet zo zwaar op de hand, en ik weet wat daar gebeurt. Daar kan ik mee leven.”

Henk: „Dit is thuis nog haalbaar. Wat we wel en niet doen aan het geloof, dat is voortdurend balanceren op het slappe koord.”

De kerkdienst trekt ongeveer 35 bezoekers, voornamelijk ouderen. Henk behoort tot de jongeren en Amber, Maarten en Wouter zijn de enige kinderen. De gemeente zingt gezangen uit het Liedboek voor de Kerken (1973): ’Overstroom ons met uw licht, klare Zon van trouw en goedheid’. Dominee Waldemar Epp staat achter een lessenaar en leest uit de Nieuwe Bijbelvertaling van 2004. Hij bidt: „Uw zoon is de richting voor de toekomst, mag zijn leven ons tot steun zijn.”

Als Epp voor zijn preek van een minuut of tien de kansel bestijgt, krijgen Henk en zijn kinderen een keelpastille aangereikt van iemand achter hen. „We kunnen met z’n allen werken aan een schoner milieu”, zegt de dominee. „En elkaar wijzen op de gevaren die schuilen achter de luxe die we nastreven. Ik hoop dat we dat vanochtend meenemen. Amen.”

Henk vond de preek ’een schot in de roos’, zegt hij na de dienst. „Klimaatverandering vind ik een heel belangrijk onderwerp. We komen op een point of no return. Dat begrip rentmeesterschap moeten we eens serieus gaan nemen.”

Maarten vindt het wel jammer dat er niet meer kinderen in de kerk zijn, zegt hij thuis bij de koffie. „En ook jammer dat er geen zondagsschool is.” Wat hij leuk vindt aan de kerkdienst? „Liedjes opzoeken in het liedboek.”

„Nou, Maarten”, zegt Henk, „ik denk dat de kerk ook wel goed is voor je algemene ontwikkeling.”

„Tja, die algemene ontwikkeling”, zegt Selma. „Ik wil dat de kinderen óók weten wat moslims doen, en humanisten. Uiteindelijk wil ik dat ze zelf een keuze maken.”

De kinderen zitten op een christelijke school, zegt Selma. „Maar als ik soms hoor wat voor liedjes ze leren, dan denk ik: waar gáát dit over?”

Maarten: „We hebben een meester die aan het begin van de pauze wel eens bidt. Dan zegt hij: ’Heer zegen deze spijs en drank’. Wat betekent dat eigenlijk?”

Ondertussen is oma op bezoek gekomen. Ja, ze heeft jongeren, enkele van haar eigen kinderen niet uitgezonderd, de kerk zien verlaten. „Ik zie het als een trend in de tijd. Maar ik dacht nooit: nu zijn ze verloren, want ze geloven niet meer.” Toen haar kinderen zich officieel uitschreven, pinkte oma een traantje weg. „Ik zei: je bent uitgeschreven, maar niet afgeschreven. Je bent gedoopt, dat blijft staan.” „Zo dacht ik ook”, zegt Henk. „Mijn geloof is altijd stand-by blijven staan.”

Dan gaat de telefoon: dominee Epp. Hij stelt voor het oudste gemeentelid op te zoeken, de 101-jarige mevrouw Joren. Ze woont vijftig jaar in Apeldoorn en komt even lang in de doopsgezinde kerk. De dienst op zondagochtend lukt haar niet meer, maar de ’zusterkring’ bezoekt ze nog graag. „Bij de doopsgezinden gaat het er eenvoudig aan toe”, zegt mevrouw Joren. „We zijn sterk bij elkaar betrokken.”

Mevrouw Joren ging in het verleden wel naar landelijke ontmoetingsdagen van doopsgezinde zusterkringen. Die trokken makkelijk drieduizend vrouwen. „Ook toen had je mensen die nooit in de kerk kwamen. Maar lang niet zo veel als nu.” Of ze die terugloop jammer vindt? „Ja, vanzelf.”

Dominee Epp: „Die betrokkenheid die u noemt, dat vind ik veel belangrijker dan cijfers over kerkgang en ledenaantallen.”

Later die middag krijgt Epp bijval van gemeentelid Benedictus Benedictus (56). „De krimp is ons overkomen”, zegt hij. „Er zou heus wat aan mogen gebeuren, maar wij zijn niet zo dat we dan een reclamebureau inhuren.” Benedictus ervaart de doopsgezinden als ’een heel bijzonder gezelschap’. „Maar hoe breng je dat onder woorden? Dat is al gauw weer stellig, en we willen juist niemand uitsluiten of kwetsen.” Doopsgezinden zijn tolerant, zegt Benedictus. „Wij veroordelen niemand die de kerk verlaat. En we zijn ook niet echt missionair ingesteld.”

Maar is er niet de bijbelse opdracht ’Gaat heen en verkondigt het Evangelie’? Benedictus: „Verkondigen doe je met daden. Je doopsgezindheid toon je door hoe je leeft.” Het doperse motto, zegt Benedictus, luidt immers: ’Dopen wat mondig is. Spreken dat bondig is. Vrij in het christelijk geloven. Daden gaan woorden te boven.’

Ook dominee Epp is zich bewust van de opdracht om te verkondigen. Maar in het kerkblad van doopsgezind Apeldoorn schreef hij onlangs: „In de Bijbel staat niet dat de kerk weer vol zal lopen en de mensen voor de deur staan te trappelen.”

Nee, zulke bijbelse opdrachten moet je volgens Epp niet al te letterlijk nemen. „In de Bijbel staan nuttige suggesties voor hoe je goed kunt leven. Maar als boek is het mensenwerk. Er is aan gewerkt door mensen die een belangrijke geloofservaring hadden, en die dachten dat anderen daar ook iets aan kunnen hebben.”

Ja, zegt de dominee, dát is nu typisch een vrijzinnige opmerking. Bij sommige orthodoxe christenen is het woord ’vrijzinnig’ een soort scheldwoord, weet hij. „Men denkt dat vrijzinnigen niets geloven. Dat is beslist niet zo. Ons geloof is ondogmatisch, maar wij hebben wel degelijk normen en waarden. Die ontlenen we aan de Bijbel.” Benedictus Benedictus: „Voor mij betekent vrijzinnigheid dat je niet inperkt wat iemand wel of niet dient te geloven. Wij laten ruimte open voor meerdere interpretaties van de Bijbel.” En volgens Henk van Elburg houdt ’vrijzinnigheid’ zoiets als ’een grote vrijheid van denken’ in. „Al vermoed ik dat het voor sommigen is verworden tot vrijblijvendheid.”

Eens per maand op vrijdagavond gaat Henk naar de ’broederkring’. Hij vindt het er vooral ’gezellig’, zegt hij, en hij houdt ervan om met de andere mannen te discussiëren over maatschappelijke onderwerpen en het geloof. De broeders laten hun gesprekken leiden door een boekje met de titel ’Aangeraakt door de Eeuwige’. Henk: „Dan staat daar: lees 1 Koningen zoveel en vergelijk dat met het verhaal van Mozes. Bam! Dan haak ik af, hoor.”

„Waarom lees je dat niet gewoon?”, vraagt zijn vrouw Selma.

„Dat kost tijd en discipline”, zegt Henk. „Mijn baan is druk en we hebben de kinderen. En we willen toch ook het huis restaureren? Misschien moet ik maar eens de kinderbijbel gaan lezen. Dan leer ik de verhalen weer kennen.”

De gastheer van de broederkring schenkt bier en wijn. Het gesprek komt op de toekomst van de doopsgezinden. Is die er er nog wel met zo weinig leden? „Volgens mij hebben we een hartstikke modern, idealistisch geloof”, zegt een van de mannen. „Daar mogen we best wat meer ruchtbaarheid aan geven.” „Relatiemarketing”, knikt een ander.

„Wij hebben altijd ons schuilkerkkarakter gehouden”, zegt predikant Waldemar Epp. „Maar wij hebben een boodschap voor de wereld: vrede, naastenliefde en zorg voor onze natuurlijke omgeving. Dat komt in al mijn preken wel terug.” Henk van Elburg ziet de kerk als ’een distributiekanaal’. „Daar kun je mensen bereiken met de boodschap dat het vijf voor twaalf is. Ik wil mijn kinderen niet opzadelen met milieuproblemen die mijn generatie had kunnen oplossen. Ook dát drijft mij terug naar de kerk: bezorgdheid.”

Een paar dagen eerder zei Benedictus Benedictus: „Wat we, met zo weinigen als we zijn, moeten voorkomen, is gelatenheid. Dat zou de doodssteek zijn. We moeten iets positiefs blijven uitstralen.” En de honderdeenjarige mevrouw Joren vond dat je in de kerk ’steun hebt aan elkaar’. „Ik kan me niet voorstellen dat dat ooit verdwijnt.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden