Dopegezinde Rotterdammer Pierre van Duyl

Als er een ding is waar hij een pesthekel aan heeft, dan is het die Hollandse hokjesgeest. “Ik heb het gevoel steeds dat je ergens op uit bent of zo”, roept hij, als hij moet vertellen waar voor hem de grens ligt tussen 'kitsch' en 'echt'. “Ik denk niet in dat soort termen. Als ik het mooi vind, vind ik het mooi. Ik kijk niet naar de artiest, maar naar het liedje. Het enige uitgangspunt is het gevoel dat ik erbij krijg.”

Zanger Pierre van Duijl (37) ziet er cool uit. Met zijn zwarte pak, zwarte coltrui, zwarte lakschoenen en een hoofd in sigarettenrook voldoet hij helemaal niet aan het cliché van de vertolker van het levenslied. Meer Brel dan Hazes. Allebei helden van hem, trouwens. “Alleen camp daar hou ik absoluut niet van. Zo van we plakken een paar vloetjes op onze wimpers en dan zo kijken van: ik meen het niet echt hoor. Getver.”

Samen met zijn band Dopegezinde Gemeente (“we repeteerden tussen een junkenpand en een Doopgezinde Kerk, vandaar die naam”) speelt hij alleen liedjes van anderen, van calypso tot smartlap, vooral Nederlandstalig. “Ik kies die nummers die zeggen wat ik zelf zou willen zeggen. Ik moet me er in kunnen vinden. Er zit ook een hoop flauwekul bij natuurlijk. Maar dat zie ik als het leven, dat kun je ook niet zo serieus nemen allemaal.”

Het Gevoel. Daar gaat het om. Zo kan het gebeuren dat hij het ene moment lyrisch is over Zwarte Riek ('Amsterdam Huilt') om vervolgens Jacques Brels verdrietige 'Ne me quitte pas' tot een van zijn favoriete liedjes aller tijden te bombarderen. “Brel schreef het toen zijn vrouw bij hem was weggegaan en hij zich de grootste klootzak vond die er bestond. Ik zing het meer als liefdesliedje. Ik vind mezelf niet echt een goede zanger. Maar ik kan mensen wel aan het huilen brengen.”

Op de pas verschenen eerste CD van de Dopegezinde Gemeente 'Ver van alles' is Van Duijls eclectisme terug te vinden. 'Ketelbinkie' ('Toen wij uit Rotterdam vertrokken') bijt de spits af en daarna zwalken we door een absurde verzameling Nederlandse levensliederen, walsjes, Tsjechische polka's en Joodse wijsjes.

Vreemde jongen, die Duijl. Hij werd geboren in de Rotterdamse volksbuurt Crooswijk. Wandelde met zijn vader langs de Maas, waardoor liedjes als 'Ketelbinkie' gingen leven. Deed LTS timmerman en begon op zijn twaalfde zijn eerste bandje. Pa zat een tijd op de grote vaart en bracht allerlei exotische plaatjes mee naar huis. “Zo ben ik ermee opgegroeid. Je vindt dan iets leuk of niet. Het waren gewoon plaatjes. Later kwam ik erachter dat mijn vriendjes die muziek helemaal niet kenden. Toen, een jaar of 15 was ik, ben ik me eigenlijk pas gaan verdiepen in die oude muziek.”

Inmiddels heeft hij bijna 2000 platen. “Ik verzamel al sinds mijn twaalfde. Dan kocht je echt van je zakgeldje een singletje. Een van de eerste die ik kocht was Waldo de Los Rios, ken je dat nog?” Neuriet een deuntje van Mozart. Nostalgie? “Je voelt je gelijk een ouwe lul, maar ik kreeg twee gulden zakgeld en dat spaarde je en dan was wat je kocht echt een relikwie geworden. Sappelen voor je single. B-kantjes draaide je dan ook grijs.”

Ook al hield hij best van Alice Cooper, Slade en T-Rex, een buitenbeentje was hij wel met al die rare plaatjes, zeker op school, waar ook toen kinderen met een 'foute' smaak het altijd moesten ontgelden. “Ach, een buitenbeentje ben ik altijd geweest. Maar ik zorgde altijd dat ik het voortouw nam. Ik was degeen die altijd het meest deed en durfde. Ze hadden respect voor me. Ik heb er altijd schijt aan gehad.”

Het is warm in het Rotterdamse cafe Melief Bender dat hij heeft gekozen voor het interview. “Effe mijn trui uit.” Onder de trui draagt hij t-shirt van de tragische Amerikaanse stand-up comedian Lenny Bruce, ook zo'n romanticus. “Ja, absoluut een held.”

In het café draaien ze wat oud werk van Bob Dylan. Teksten die je niet meteen begrijpt. Vind hij ook mooi. “Een van de allermooiste liedjes vind ik Surf's Up van de Beach Boys. Onbegrijpelijke tekst.” Zachtjes zingt hij enkele strofen. “Of Whiter Shade of Pale, mooie woorden achter elkaar. Dat kan ik ook helemaal uit mijn hart zingen. Dan maak je gewoon je eigen beeld erbij.”

Begin jaren '80, na een kortstondige punkperiode, werd Van Duijl regionaal bekend met Trio Cor Witjes. Het kwartet trad op in het alternatieve circuit, ook in punkgelegenheden. Zelfs die kregen ze plat. “Dan werden we eerst weggefloten en

-gespuugd. Maar dan speelden we expres 'Het Hondje van Dirkie'. Ik heb nog niemand meegemaakt die dat niet aansprak. Na afloop kwamen die punks in vol ornaat in de kleedkamer en zeiden dan: 'hartstikke mooi, want ik heb zelf ook een hondje gehad', weet je wel. Ogen gevuld met tranen.''

Als Cor Witjes speelde hij ook op spaarkasdagen in rauwe cafe's in Rotterdam-Zuid, waar hij 'Hand in Hand Kameraden' inzette als het weer eens uit de hand liep. Die avonden 'van zeven tot ziens' voor een habbekrats, dat hoeft nu niet meer. Het Nederlandstalige levenslied is weer populair. Van Duijl heeft geen idee waar die opleving vandaan komt. “Dat zijn van die buien. Alles gaat op en neer. Ik hou me er ook niet zo mee bezig met dat soort hoe noem-ie dat. Trends, ja.”

Niet trendy, maar vanavond staat hij wel met Loes Luka en een hoop anderen in de Grote Zaal van Paradiso. Een Rotterdamse invasie in Amsterdam. Er heerst vaak een soort vriendelijke rivaliteit, grinnikt hij. Maar in Rotterdam worden zijn liedjes over de Amsterdamse Westertoren soms niet gepikt. “Dan worden ze echt agressief. Dan ga je door en dan komen ze dus dreigend naar je toe van: 'nou moet je toch echt ophouden anders zal ik je even achter dat gebit vandaan trekken waar je verkeerd omheen gegroeid bent'. Serieus.”

Het ergst vind hij de studenten van Nijenrode. Die maken er op hun jaarfeest een sport van om bezopen het podium op te lopen en vreselijk vervelend te gaan doen. “Dan douw je ze eraf, blijven ze terugkomen. Douw je ze er weer af, gaan ze toch aan je spullen zitten. Dan geef je een klappie. Op een gegeven moment schop je iemand midden in zijn muil, tanden kwijt. En maar blijven komen. Je kan trappen wat je wil. Ze zijn zo dronken, voelen niks meer. En dat zijn de toekomstige ministers en economen.”

Hij bestelt nog een dubbele tequila. Vroeger dronk hij een fles sterke drank per dag. “Op een dag zat ik me te scheren voor de spiegel en dan praat ik altijd tegen mijzelf. Ik zei: 'Nou dat ziet er nog best redelijk uit gezien het turbulente levensgebeuren. Zou je niet eens wat minderen?' Nu drink ik alleen nog in de kroeg en voor optredens. Drank is wel belangrijk. Als je speelt moet je je altijd op een bepaalde manier levellelen met mensen. Als je nuchter binnenkomt en de mensen zijn al half dronken, dan is er geen lol aan.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden