Doorgaan zou een leugen zijn

Wende Snijders verruilt de Franse chansons voor Engelstalige songs. „Voor het eerst sta ik er alleen voor, ik heb geen Brel meer, geen Metropole Orkest.”

Haar laarzen hebben geen vrolijke stippen of Jip en Janneke-opdruk, maar zijn donkergroen en lomp en tegen de dikste blubber bestand. Erboven een oude slobbertrui, alsof ze op de bloemenmarkt werkt. Alleen de paraplu, met bovenin een lampje dat haar beschijnt, heeft iets elegants.

Zo wandelt Wende Snijders (30) het donkere Concertgebouw in Amsterdam binnen, van achteruit de zaal. En zo begint een weekeinde vol verkleedpartijen en muzikale gedaanteverwisselingen. Een blonde Carmen danst sensueel de lange trap af. Een Grace Kelly stort haar hart uit vanaf het balkon. Een chansonnière in zwart maakt lekker plat ruzie met de drummer. En een singer-songwriter speelt met band haar nieuwe songs.

Op vrijdag gaat het hinkstapsprong door de geschiedenis, van ’Singing in the Rain’ tot ’Come Together’, samen met Jeugdorkest Nederland. Op zaterdag speelt ze met haar vaste muzikanten het chansonprogramma ’Chante!’, ’voor het allerallerlaatst’, hoewel, misschien over drie jaar nog eens in New York, Carnegie Hall. En zondag is de avond van de toekomst, van de Engelstalige popsongs, want de chansons waarmee ze na de kleinkunstacademie bekend werd, zijn verleden tijd.

De nieuwe cd verschijnt in oktober en wordt pas opgenomen na deze try-out voor een volle zaal. Dat maakt het avontuur nog groter, zegt ze twee dagen later. „Want als het misgaat ga je superkut de studio in.” Maar het ging uitstekend.

„Ik heb kunnen laten zien waar ik vandaan kom, waar mijn dromen en mijn kwetsbaarheid zitten, en waar het naartoe gaat.” De bestemming heet ’No.9’ en die titel stond al vast toen ze een jaar geleden aan de cd begon te werken. Ze had haar hand laten lezen door een vrouw die ook aan numerologie doet, en die zag allemaal negens, wat op eenzaamheid zou wijzen en de noodzaak je verantwoordelijkheid te nemen.

En dat doet ze nu. „Voor het eerst sta ik er alleen voor. Ik heb geen Brel meer, geen Metropole Orkest. Ik heb Jan van Eerd, mijn muzikale partner, maar die heeft me vooral zelfstandig gemaakt. Ik doe de vormgeving en schrijf en maak alles zelf.”

’No.9’ zou het kamernummer kunnen zijn van de vrouw in het nummer ’New York Is Passing By’. Over een leven dat bevroor bij het vertrek van een geliefde, gespeeld met de traagheid van wegdrijvende sigarettenrook. Het is gebaseerd op een schilderij van Edward Hopper met een naakte vrouw voor het raam.

De arrangementen doen soms denken aan Ane Brun, door de slimheid ervan en het gebruik van xylofoon, cello en de heldere tweede vrouwenstem. Andere nummers zitten vol soul – op ’As The Lady Walks Along’ had Aretha Franklin zich kunnen uitleven. Gemeenschappelijk in dat nieuwe werk is een herkenbare fijne dein. „In mij zit een muzikale tweeslachtigheid. Enerzijds ben ik superklassiek. Strijkers, orkesten, het intellectuele, cerebrale deel. Aan de andere kant wil ik alleen maar bas en groove.” Laatst experimenteerde ze nog met stampende house.

De enige regel bij het schrijven was dat bas- en melodielijnen moeten kloppen. „Ik ben naar popmuziek gaan kijken vanwege de eenvoud van structuur. Ik wilde leren hoe je een liedje maakt en popmuziek heeft ijzeren wetten. I, IV en V-akkoorden, couplet, refrein, bridge.” Bij compositieles op de Kleinkunst hadden haar liedjes wel honderd thema’s, waardoor ze diffuus werden. „Ik wil helder zijn, ook om de chaos in mijn hoofd te structuren.”

Omdat pop een te beklemmend label is voor een zangeres die niet van grenzen houdt, laat ze dat woord voor wat het is. „Het is een album met liedjes van mij.” Wel heeft ze zin in de vrolijke kant van de popcultuur. „Mijn wens voor de naderende clubtournee is dat ze allemaal gaan dansen, zoals vroeger op schoolconcerten. Mijn leven was zo zwaar en serieus als ’Chante!’. Ik kom uit een strenge leerschool. Laat me eventjes, gewoon lekker”, en ze rekt zich uit. „Iets meer lucht en humor.”

Het is verrassend te horen dat haar stem bij het nieuwe materiaal anders kleurt. „Ik zong altijd met spierballen, dacht dat ik alles moest benadrukken. Hier Ben Ik. Nummers als ’Au Suivant’ en ’De Wereld Beweegt’ hebben die kracht nodig. Ook wilde ik zo laten merken dat ik het echt wel kan. Maar Jan zei: ik wil dat je niets doet, niet eens je best. En zo kwam die andere stem naar boven.”

„Van de Franse nummers ken ik na al die keren van elke lettergreep de dynamiek. Het nieuwe zingen voelde zondag veel kwetsbaarder. Als 1500 mensen naar je kijken wil je vechten, terugvallen op die kracht. Maar ik dacht steeds in mezelf: nee-nee-nee, zacht blijven! Probeer nou zacht te blijven, daarmee doe je de liedjes recht.”

„’No.9’ heeft te maken met het loslaten van het idee dat je aardigheid moet verdienen door heel erg je best te doen. Natuurlijk moet het zo mooi mogelijk worden. Maar ik wil je niet per se overtuigen. Ik heb daar geen zin meer in, omdat ik er heel ongelukkig van word. Ik kan niet iedereen tevreden stellen. Want waar blijf ik zelf dan?”

Zullen ze merken dat het niet in het Frans is?, vraagt Wende aan het publiek. Het grapje dat verraadt dat ze wel heeft nagedacht over de vraag hoe oude fans op de nieuwe koers reageren. „Snij ik mezelf niet in de vingers? Als ze het nieuwe werk niet mooi vinden, dan moeten ze maar weggaan. Door het succes van de chansons ontstond de verwachting dat ik ermee doorga. Ik kan daar niet aan voldoen. Als elfjarig meisje wilde ik geen chansonnière worden, ik wilde muziek maken. En dat kon met die chansons. Maar dat kan niet alleen maar met chansons. Ermee doorgaan zou een leugen zijn. Wat ik nu ga doen klopt heel erg.”

In 2004 verscheen haar debuut-cd ’Quand tu dors’, gevolgd door ’La fille noyée’ (2006) en ’Chante!’ (2008). „Ik had geen tijd om na te denken, zat in een sneltrein. En ik voelde me door Kurt Weill, Brecht, Cole Porter, Stephen Sondheim of Charles Ives uitgedaagd. Maar nu even niet meer. Ik wijs die traditie niet af, maar moet ademhalen. Nu ben ik geïnteresseerd in wat ik maak en hoe daar een ontwikkeling in zit.”

Het Franse lied kwam haar leven binnen op de kleinkunstacademie. Daarvoor luisterde ze naar de klassieke muziek van haar ouders. Aan Guinee-Bissau en Indonesië, waar ze tot haar negende woonde, heeft ze weinig muzikale herinneringen. De Afrikaanse invloeden op ’No.9’ komen voort uit recente bezoeken aan Zuid-Afrika. Op vakantie kwam ’Graceland’ van Paul Simon niet uit de cassetterecorder. Wende was fan van Bette Midler, Liza Minnelli, Judy Garland, Willem Nijholt, Aretha Franklin, Jenny Arean en Marlene Dietrich. Ze spijbelde om ’Secret History’ van Donna Tartt te kunnen lezen, maar las verder biografieën zoals die van Elisabeth Taylor. „Roxette vond ik tof. Madonna hing niet aan de muur. Tussen mijn 25ste en 28ste vond ik haar wel grappig. Maar alleen om haar persoonlijkheid. De muziek blijft afschuwelijk.”

Tegenwoordig luistert ze naar Martha Wainwright en broer Rufus, voor wie ze in een dag naar Parijs op en neer reed. Ze houdt van de eigenheid van Tom Waits en Feist, van de variatie van David Bowie. Momenteel bestudeert ze The Beatles, ze neuriet de melodie van ’Penny Lane’ en vergelijkt die met Satie. Luisteren is studeren, consumeren heeft ze nooit gekund. „De stem van Mariah Carey heb ik ontleed zoals jongens brommers uit elkaar halen.”

Ze was geen wonderkind maar een werkpaard, met veel energie en een afkeer van verveling. „Op mijn twaalfde zei de zanglerares: ze kan niet heel goed zingen, maar ik ken niemand die zo graag wil. Het was de drift, de noodzaak om geluid te maken. Je leert iets, er lukt iets, steeds een ander overwinningsmoment.”

Ze vindt zichzelf geen zangeres, ’niet echt’, eerder een performer of maker. „Mijn eigen idee van wie ik ben, klopt steeds minder. Ik ontdek dat ik niemand ben, zo wisselvallig als het weer, ook in wat ik meemaak, tegenkom, opzoek. Ik heb ook geen definities over mezelf nodig, alleen een structuur om de dag door te komen. Ik ben er en probeer me bezig te houden met waar mijn talent en liefde zit. En daarnaast mag ik een schijtwijf zijn omdat ik ook maar een mens ben.”

Niet weten wie je bent, dat mag ook op het podium. „Zolang je maar wel heel precies weet wat je doet.”

Pablo Casals zei over de cellosuites van Bach: ik ben niet bezig de cellosuites van Bach te spelen, ik ben bezig elke keer een noot zo goed mogelijk te spelen. Dat vond ik inspirerend. Ik ben elke keer weer die ene noot, of dat verhaal. Op het best verdwijn ik als ik sta te zingen, en staat er niets tussen mij en de zaal. Het is lekker om er niet te zijn, zo lijkt het wel. Aan de andere kant ben ik er op hetzelfde moment heel erg, meer dan dat kun je er haast niet zijn. Dan doe ik precies datgene wat ik moet doen. Dan ben ik gewoon bezig, en dat vind ik het einde. Op hoog niveau lekker aan het prutsen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden