Doordeweeks na twaalven

In het grote Amsterdam is schrijver Jan van Mersbergen altijd op zoek naar het dorp. 's Nachts is de stad net een dorp, weet hij. Net zo stil.

Woensdagavond laat fiets ik van mijn voetbalclub naar huis. Het is ongeveer vijf kilometer, een minuut of twintig. De stad is donker, de stad is stil, er is bijna geen verkeer, er is bijna niemand op straat. Het is een stilte die ik goed ken. Ik fiets door Amsterdam, maar waan me dertig jaar terug in de tijd, terug in mijn Brabantse dorp, toen ik krantenbezorger was, voor Trouw.

Mijn wijk bestond uit het halve dorp: de oostkant en een flink stuk van de polder. Inmiddels ligt er aan die kant van het dorp een golfbaan die qua oppervlakte bijna net zo groot is als het dorp zelf. In het midden van de jaren tachtig waren er buiten de dorpsgrens alleen weilanden, een enkele boerderij, groene brievenbussen aan de straat. Een andere krantenbezorger had de andere helft van het dorp.

Ik begon om zes uur. De route door het dorp en de slinger de polder in was een kilometer of acht. Ik deed er een uur over. Het keer op keer stoppen en die krant in de bus duwen kostte tijd.

Bijna het gehele jaar was het rond dat tijdstip in de ochtend donker. En stil. Het was de beste baan naast mijn school, al moest ik vroeg opstaan, ook op zaterdag. Er was geen baas die me op mijn vingers keek, iets waar ik nog steeds niet goed tegen kan. Ik deed mijn werk helemaal alleen.

Ik had groene fietstassen, groot en log. Als er een beetje wind stond, klepperde de flap over de bagagedrager heen en weer. Meestal was dat het enige geluid van die ochtend.

Wat ik graag deed: de lange rechte stukken met losse handen fietsen. Dat heeft op klaarlichte dag iets pocherigs, dan durfde ik dat niet. In de ochtend kon ik met losse handen fietsen; niemand zag me.

Amsterdam is een grote levendige stad, maar het is geen stad van de nacht. Geen city that never sleeps. Na twaalf uur rijden er geen trams meer. De meeste kroegen gaan doordeweeks om 1.00 uur dicht.

Vanaf mijn voetbalclub in de Watergraafsmeer naar Zuid kom ik slechts een enkeling tegen, meestal bij de Rijnstraat. Dat zijn mensen die uit de stad komen en naar huis gaan of bezoekers van nachtcafé de River- side. Daarna rij ik Zuid in en kom ik alleen nog sporadisch mensen tegen.

Ik steek de Beethovenstraat over, die overdag heel druk is. Dan zijn er van alle kanten voor elk verkeerslicht rijen auto's en taxi's, dan kruisen tram 5 en 24 elkaar, gaan hordes fietsers over het asfalt, talloze voetgangers, sommigen met kinderwagens. Dan doet zo'n kruispunt aan als een jungle.

Op zo'n doordeweekse nacht is de straat helemaal leeg. Dan stop ik, midden op de trambaan, en maak ik met mijn telefoon een foto. Gele lichtjes bungelen tussen de huizen, de tramrails leeg en overbodig, alle ramen net zo donker als de hemel. Een spookstad die veel weg heeft van mijn dorp.

De mensen die ik in zo'n nacht toch tegenkom, zijn eigenaardig. Met mensen die op dit uur nog niet slapen is iets aan de hand: de vrouw die heel vaak 's nachts aan de overkant van de Stadionkade haar labrador uitlaat en in zichzelf praat, de zwerver die zijn volgepakte fiets door de buurt duwt, een dronken man die valt. Dat is de overeenkomst tussen het Amsterdam-Zuid van de doordeweekse nacht en mijn Brabantse dorp: elke ontmoeting is een bijzondere.

In mijn krantenbezorgperiode zag ik ooit een schaatser die al heel vroeg op pad was - het was in de tijd dat er nog twee Elfstedentochten achter elkaar werden gereden. Bij een van de eerste huizen waar ik de krant bezorgde, hing een grote zwarte thermometer naast de voordeur. Het was die ochtend -24. Ik had dubbele handschoenen aan, en twee jassen.

De schaatser had een lichtje op zijn muts. Dat lichtje schoof door de ijzige weilanden. Geen weg daar, geen fietspad, alleen het bevroren riviertje de Alm. Daar ging dat lichtje overheen. Ik hield in en keek hem na.

Zulke momenten blijven je altijd bij omdat je het merendeel van de andere ochtenden niemand tegenkomt.

Die dronken man over wie ik het zojuist had, lag afgelopen winter tussen de vuilniszakken op de stoep, dat was vlak voor de ondergrondse vuilcontainers in gebruik werden genomen. Een van de laatste keren dat het vuilnis op een doordeweekse avond buiten kon worden gezet. Hij was erg dronken. Het was hem niet gelukt over de vuilniszakken heen te stappen, hij was gevallen, en was blijven liggen. Ik hielp hem overeind. Ik lette goed op dat ik naast hem bleef. Nooit precies voor dronken mensen gaan staan, voor je het weet kotsen ze je onder. Maar dit was geen kotser, hij kon alleen niet meer goed lopen.

"Waar moet je heen?" vroeg ik.

"Naar huis", zei hij.

Ik vroeg hem waar zijn huis was. Hij noemde een plein, dat was iets verderop. Ik ondersteunde hem naar de hoek van de straat en wees hem de richting. De brug over en dan ben je er. Ook wees ik hem een tuinstoel die daar altijd op de stoep staat, die met een ketting aan de regenpijp vastzit. "Ga hier maar even zitten", zei ik. "Dan kun je straks wel weer naar huis lopen."

"Loop nou even mee", zei hij zielig. "Help me nou."

Maar ik vond het wel mooi zo. Ik liet hem even bijkomen op de tuinstoel en hij zou zijn huis wel vinden. In elk geval lag hij niet meer op de koude stoep.

Een van de vaste ontmoetingen op de ronde met de krant was die met een boerderijhond, helemaal aan het einde van de route. De oude vrouw die daar nog woonde, had me ooit gevraagd of ik de krant niet in de bus aan het landweggetje wilde doen, maar in de gleuf van de voordeur, dan hoefde ze 's ochtends niet dat stuk te lopen. Dat deed ik, als zij ervoor kon zorgen dat de herdershond die het erf bewaakte aan de ketting bleef en dat de ketting iets ingekort kon worden. Die ketting kwam tot halverwege de oprit. Elke ochtend trok de hond de ketting strak, blaffend en kwijlend. Dat zou haar zoon regelen. De volgende dag fietste ik het erf op en de hond rende naar me toe en een klein stuk voor de voordeur hield de ketting hem tegen.

Een keer hoorde ik, op een koude ochtend, een baby huilen, in de struiken vlak bij mijn ouderlijk huis. Althans, ik dacht dat het een baby was. Ik bleef staan en luisterde goed. Het leek echt huilen en het kwam uit een heel dichte struik. Ik dacht: ik moet dat kindje helpen. Ik zette mijn fiets tegen een muurtje en stapte af, probeerde onder de bladeren van de struik door te kijken. Het huilen hield op en even was ik gerustgesteld. Toen schoot er een zwarte kat weg, in de richting van de brandgang die achter de rijtjeshuizen liep.

Die verwarring en die verbogen waarnemingen passen bij de stilte en bij het duister. Ik ging er als een schim doorheen, bezorgde mijn krantjes, kwam vaak weer thuis zonder te weten wat ik precies allemaal gedaan had. Ook dat gebeurt als ik nu op zo'n woensdagnacht met mijn voetbaltas door het donker ga.

Op de Minervalaan laat ik mijn fiets altijd uitrijden. De weg daalt daar van de Stadionkade af naar de Stadionweg, trappen is niet nodig. Mijn handen van het stuur. Er staan op dat stuk poppetjes die licht weerkaatsen, een soort plastic klaarovers die het verkeer vertellen dat hier kinderen spelen. Het zijn lichtgevende kleine mensjes van de nacht.

Laatst liep ik met een vriend van station Zuid naar mijn huis, een straat verderop. We waren naar een carnavalsfeest geweest zoals die er in het zuiden in de aanloop naar carnaval heel veel zijn. In Laren was dat, een gezellige zitting in een klein café. Toen we met de laatste bus en trein weer in Amsterdam waren, was de stilte niet anders dan toen we in Laren op de bus stonden te wachten, tot er een meisje aan kwam lopen. Ik had mijn blonde pruik nog op en mijn vriend een vikinghelm. Het meisje passeerde ons. Nog geheel in de dorpse sfeer zeiden we haar gedag en ze antwoordde met een kort 'hallo'.

Toen hoorden we haar voetstappen niet meer. We keken om. Ze maakte een foto van ons, van twee vriendelijke, maar bizarre figuren in een doordeweekse nacht. Wij waren die schaatser met lichtje, de man tussen de vuilniszakken, de hond aan de ingekorte ketting, de kat die een baby nadeed. En zij fietste met losse handen.

Ik zei: "Wil je onze voorkant op de kiek? Dan blijven we wel even staan."

Maar dat hoefde niet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden