Doordacht tot aan het einde

Hij had het goed voor elkaar. Succes als ontwerper van lampen en kasten, een grote vriendenkring en een snel, intensief leven. Toch ontvouwde zich een Grieks drama.

Aldo van den Nieuwelaar wist dat hij goed was. Hij kreeg opdrachten van gerenommeerde bedrijven. Particulieren hadden honderden euro’s over voor een lamp van hem. Zijn strakke, minimalistische ontwerpen werden aangekocht door het Stedelijk Museum van Amsterdam en het Museum of Modern Art in New York.

In kringen van ontwerpers stond hij bekend als een van de weinigen die zijn zaken goed voor elkaar hadden. Ontwerpers zijn veelal eenlingen die soms moeite hebben om hun rechten overeind te houden in een wereld van plagiaat. Maar Aldo van den Nieuwelaar slaagde erin, soms na jaren procederen, zijn beroemdste ontwerpen te beschermen. Zijn ’A’dammer’, een slanke kast met een rolluik over de hele lengte, en zijn ’TC6’, een metalen vierkant waarop een ronde tl-buis is gemonteerd, zijn verankerd aan zijn naam.

Hij genoot van zijn succes. Hij liet zich het rijke leven met graagte aanleunen. Alleen zijn moeder, die had nooit iets waarderends over hem gezegd. Voor haar bleef hij gewoon ’ons Adje’ en ’ons buitenbeentje’. Toen ze in april dit jaar op haar 95ste stierf, had ze tegen hem nooit iets aardigs gezegd over zijn internationale faam. Dat stak hem.

Pas een jaar geleden, toen hij zijn moeder voor het laatst zag, besefte hij dat zijn moeder ook goed voor hem was geweest, en dat niet alleen hij waardering tekort was gekomen, maar al haar kinderen.

Aldo was voorbestemd geweest om zijn moeder op te volgen in de meubelzaak thuis in het Noord-Brabantse Haaren. Hij was haar derde kind, maar het tweede dat de eerste jaren overleefde. Canadese militairen die het zuiden hadden bevrijd van de Duitsers hadden haar naar Tilburg gebracht om te bevallen van Aldo. Dat vond Aldo later prettig, dat hij in een stad geboren was en niet in dat boerendorp Haaren.

Dat dorp telde wel een meubelzaak die in het hele land bekend was. Toeristen die in de streek verbleven, konden er ook op zondag terecht om een keuze te maken uit de eiken meubelen die net wat eleganter waren dan het zware eiken dat destijds gangbaar was. Moeder had een goede neus voor de inkoop. Vader hield zich vooral bezig met opmeten en afleveren.

Aldo was op zijn tiende al bezig in de winkel. Hij kon klanten goed adviseren over gordijnstoffen. Na de lagere school werd hij naar de detailhandelschool gestuurd zodat hij later de meubelzaak zou kunnen overnemen. Maar op school zagen ze dat de jongen geen enkele belangstelling had voor handelsvakken en dat hij vooral een kunstzinnig talent had. Op zijn vijftiende werd hij doorgestuurd naar de kunstacademie St. Joost in Breda.

Daar ontwikkelde hij een grondige afkeer van de eiken meubelen thuis. Vaak probeerde hij zijn moeder om te praten naar modernere stijlen. Maar ze gaf geen krimp, ze wist dat ze daar in het dorp niets mee kon verdienen. Aldo bleef het maar proberen. Hij hield nooit op met praten, levenslang was hij altijd aan het woord.

Op een dag kwam de dorpspastoor bij zijn ouders met een donderwolk op zijn gezicht. Hij vertelde dat Aldo op de academie was gesignaleerd met een andere jongen in een onbetamelijke situatie die destijds niet bij naam werd genoemd. Moeder, die een tijdje in een vrouwenklooster had gezeten, was verrast. „Ik dacht dat zulke dingen alleen bij meisjes voorkwamen”, zei ze. Verder werd er weinig over gezegd. Aldo werd wel van de academie gegooid. Hij keerde zich af van de kerk.

Zonder diploma moest hij zijn eigen weg zoeken. Hij wilde hoe dan ook weg uit het dorp. Hij werkte bij een antiquair en een tapijtenzaak in Den Haag. Daar kreeg hij contacten met bemiddelde klanten, voor wie hij interieurs schetste, en met ontwerpers. Zo kreeg hij werk bij de Amsterdamse architect Edo Spier en daarna bij de ontwerper Benno Premsela, die bekend werd met zijn sobere, functionele stijl, maar ook met zijn pleidooien voor gelijkberechtiging van homoseksuelen in de jaren vijftig en zestig. In die omgeving kon Aldo zich professioneel en persoonlijk ontplooien.

Intussen werkte hij ook voor zichzelf en hij legde de basis voor de ontwerpen die hem bekend zouden maken: de A’dammer-kast en de TC6-lamp.

Eind jaren zestig kwam de kast uit bij meubelfabriek Pastoe, die hem nog altijd maakt; de lamp kwam in de collectie van Artimeta. Het werden klassiekers waaraan hij zijn leven lang bleef sleutelen. De fabrikanten konden gek van hem worden. Hij werd vaak omschreven als een mierenneuker die letterlijk geen millimeter wilde toegeven. De kast verscheen in vele versies en kleuren, de lamp werd in de loop der jaren vriendelijker van licht.

„Ik doe eigenlijk nooit wat. Maar ik ben altijd bezig”, zei hij over zijn werkwijze. Altijd keek hij om zich heen en zoog als een spons indrukken op om die meteen te bespreken met wie hij toevallig om zich heen had. Hij associeerde alles aan elkaar en zo ontstonden al niets doende zijn ideeën. Op de tekentafel herleidde hij die tot geometrische vormen. ’Mooi’ bestond voor hem niet niet. Zijn grootste compliment was: ’dat is goed doordacht’.

Privé was hij minder strak dan in zijn ontwerpen. Zijn huis, dat in de loop der jaren op veel plaatsten in de wereld stond, was altijd open voor iedereen. Aldo had graag mensen om zich heen, vooral jongeren met wie hij lange nachten door kon gaan.

Jarenlang leefde hij in Amsterdam in een huishouden van vier mannen, met de jonge Russische pianist Youri Egorov als middelpunt. Toen Egorov in 1988 als een van de eersten in Nederland stierf door aids, gevolgd door een tweede van het viertal die hetzelfde lot trof, bleef Aldo over met de Amerikaanse architect David Griffith. Ze verhuisden naar het Italiaanse dorp Airole aan de Middellandse Zee.

Vanuit zijn huis op een rots bleef hij ontwerpen voor Nederland. Met zijn collega en vriend Menno Dieperink, die hij had leren kennen als student aan de Haagse kunstacademie toen Aldo daar korte tijd docent was, ontwierp hij de verlichting voor de winkelstraten in de binnenstad van Deventer. Menigeen zou dat als springplank gebruiken voor meer gemeentelijke opdrachten. Maar Aldo liet het op z’n beloop. Hij was niet zo commercieel ingesteld en het ging hem financieel goed genoeg.

Vijf jaar geleden liep het mis in Italië. Hij brak met zijn partner David en verhuisde alleen terug naar Amsterdam. Hij probeerde zijn zaken juridisch en bedrijfsmatig goed te regelen. Ook dat liep verkeerd. Hij had de indruk dat zijn zaakwaarnemers met hem aan de haal gingen en dat er zaken verborgen werden gehouden. Hij kwam in geldnood, de schulden stapelden zich op.

Aldo leek er niet al te erg onder te lijden. Hij zei weleens: „Desnoods maak ik er een einde aan door in de gracht te springen.” Maar als zijn broer Joop dan zei: „Dat lukt je niet, want je kunt zwemmen”, moest ook hij lachen.

Hij spande een kort geding aan tegen zijn zaakwaarnemers. Hij leek strijdbaar. Maar hij dronk ook gemoedelijk nog zijn biertje met vrienden op een Amsterdams terras. Al die problemen maken het leven ook interessant, zei hij. Zoals altijd liet hij zich van zijn optimistische kant zien.

Er waren inderdaad lichtpuntjes. Al zijn lampen werden weer in productie genomen door de Noord-Brabantse onderneming Boops Lighting. Zijn strakke stijl was een tijdlang weggedrukt geweest door de fratsen van het ’lawaai-design’ dat hij verachtte. Maar nu werd zijn werk opnieuw ontdekt en hij millimeterde weer als vanouds met de producenten.

Op dinsdagavond 21 september zagen kennissen Aldo vlakbij zijn woning zitten mijmeren op een bankje met uitzicht op het Rijksmuseum. De volgende dag kreeg zijn schoonzus Mimi een mail van hem. Zijn toon was zoals altijd luchtig. Maar, schreef hij, hij had het gevoel dat hij in een Grieks drama terecht was gekomen. Hij sloot een foto van zichzelf bij. Dat lijkt wel een bidprentje, dacht Mimi geschrokken. Donderdags werd Aldo dood gevonden in zijn woning. De documenten op zijn computer waren keurig geordend voor de familie.

Een perfectionist tot het einde, het was zoals altijd goed doordacht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden