Dood Paard maakt wervelend carrousel van killig ’salonstuk’

Rivaliserende zussen Manja Topper en Femke Heijens. (FOTO SANNE PEPER) Beeld
Rivaliserende zussen Manja Topper en Femke Heijens. (FOTO SANNE PEPER)

Waarom twee zussen de schilderijen met hun zelfportretten niet in de salon hangen maar op zolder stallen? Ze lieten zichzelf nota bene portretteren, zoals dat salontroela’s betaamt, en ook nog eens door een door dr. Freud aanbevolen schilder bovendien.

Arend Evenhuis

Broer Ludwig is buiten zinnen om zoveel domheid en schijnheiligheid. ’Laat ze dan toch zien, ik wil ze zie-hien!’ kermt hij oorverdovend. Weliswaar verafschuwt hij schilderkunst in het algemeen (’kalenderkunst!’), maar als door en door verwend nest moet en zal hij weten wat hem onthouden wordt.

Zodra de schilderijen eenmaal in de salon hangen, blijkt waarom ze op zolder lagen. De zelfportretten van de zusjes tonen twee door het leven bont en blauw geslagen vrouwen met uitdrukkingloze blik naar de einder. De schilder heeft het goed gezien: hier is geen sprake van zusterliefde laat staan van gezinsgeluk; hier is failliet manifest.

Daar gaat ’Ritter Dene Voss’ van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard over. Het failliet van een gezin, van alle gezinnen, van dit ’afschuwelijke vaderland’. Bernhard schreef het stuk in 1984 voor de toneelspelers Ilse Ritter, Kristen Dene en Gert Voss van het Weense Akademietheater, en vernoemde het naar hen.

Het is tevens een tirade tegen theater en toneelspelers, en desalniettemin schoof Bernhard prachtige tekst in de schoenen en monden van zijn drie acteurs.

De jongste zus gunt haar oudste zus het licht in de ogen niet, temeer niet daar ze allebei toneelspeelster zijn. De oudste zus gaat na vier jaar niet-spelen weer het toneel op om twee zinnen door een blind personage te vertolken. „Ik weet dat ik maar drie minuten goed kan zijn. Ik heb onze rivaliteit op het toneel nooit serieus genomen. Ik ben gelukkig, jij niet!’’

Femke Heijens en Manja Topper spelen de twee zussen in tomeloze onverschrokkenheid. Heijens als quasi-hooghartig en verbitterd keffertje, Topper niet minder venijnig, maar daarnaast als een gelaten Pleegzustertje Bloedwijn dat ook uit is op hoop.

Met zijn Obelixpostuur is het jonge broertje van Benny Claessens een verongelijkte kleuter in badjas met laffe capuchon plus gorillapantoffels. Zijn ronddreunende lijf beitelt zijn innerlijk: verwend, verweesd, verdoold. Uit zoetwaterwanhoop smakt Claessens zichzelf volop tegen een zijmuur alsof hij een uit elkaar gespatte sneeuwbal is, die nu van de wand sijpelt.

In verrukkelijk hecht ensemblespel maakt Dood Paard van deze ogenschijnlijk grimmige en hamerende ’Bernhard’ een tegen het kolderieke aan schurend carrousel. Wervelend, deerniswekkend, en – geloof het of niet – zelfs opbeurend: ’Zo erg is het toch niet met de mensheid?’ ’Jazeker; zo erg is het wél!’

(\N) Beeld
(\N)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden