Dood hout is geen rommel

Dat insecten en zwammen floreren op dood hout, is al lang bekend. Boswachters uit het noorden wilden het ook wel eens met eigen ogen zien. 'Meneer Pot, legt u dat eens uit'.

'Dood hout leeft, we zeggen dat heel makkelijk. Maar als ze mij vragen 'Meneer Pot, legt u dat eens uit', dan sta ik met mijn mond vol tanden." Maar nu is Aaldrik Pot, boswachter in de kop van Drenthe, speciaal het bos in geweest om onderzoek te doen. Met collega's van Staatsbosbeheer uit de drie noordelijke provincies stelde hij zich de vraag: Wat voor soorten leven er eigenlijk op dood hout?

De 25 boswachters trokken het Drentse Meindersveen tussen Borger en Rolde in. In groepjes zochten zij naar torretjes, vlinders en mossen in vier verschillende soorten bos - van tamelijk eenvormig en netjes naaldhout tot gevarieerd beukenbos met dode bomen erin.

De avond ervoor troffen kwartiermakers voorbereidingen voor de expeditie. Zij groeven potjes in de grond om torren en kevers te vangen. En ze plaatsten vlindervallen, metalen kasten met een lamp erboven. Anderhalve dag is te kort om precieze relaties te leggen, zegt Pot. Er is veel moois gevonden: maar liefst tachtig soorten nachtvlinders vlogen tegen opgehangen witte lakens met een lamp erachter.

De meest gevarieerde buit kwam uit het beukenbos, dat het het meeste dode hout bevat. Zoals de bijzondere elzenuil. Pot: "De rups van de elzenuil heeft dood hout nodig om te kunnen verpoppen."

De boswachters wisselden kennis uit over het thema dood hout. Vogelkenner Nico de Vries, boswachter in de streek Westerwolde, wist te vertellen dat er vooral behoefte is aan staande dode bomen om in te nestelen. De matkop kan bijvoorbeeld niet zonder. Deze soort maakt holletjes in dooie bomen, vanwege het zachte hout. Een levende boom is veel te hard. Pot: "Ze hebben maar heel kleine snaveltjes. Als er niet voldoende dood hout is, zijn de vogels aangewezen op nestkastjes. En die hangen wij niet op in het bos."

De boswachter steekt de hand in eigen boezem: "Wij verkopen brandhout op stam, zoals dat heet. Particulieren mogen zelf een paar bomen komen omzagen die wij aanwijzen. Soms nemen ze dan ook het dode hout mee. Het is immers toch dood. Ze denken ons er een dienst mee te bewijzen. We zouden duidelijker moeten maken dat dat niet zo is."

Hans Kruk uit de boswachterij Ruinen is zweefvliegenspecialist, insecten die het midden houden tussen wespen, bijen en hommels. Veel soorten zijn direct afhankelijk van dood hout, stelt ook hij. De larven van de vliegen eten het dode hout. Op de excursie werden bijvoorbeeld de kleine woudzwever, de bloedrode bladloper en de doodskopzweefvlieg gevangen. Ook paddestoelen houden van dode bomen. Hoewel nu niet het seizoen, signaleert paddestoelendeskundige Bert Dijkstra op dode beuken een wederopstanding van de tonderzwam.

De tocht was een soort schoolreisje voor de boswachters, die volgens Pot te veel achter hun bureau zitten. In het Meindersveen keken en luisterden ze in het donker naar vleermuizen, met een speciale bat-detector. "Altijd leuk, en we waren er toch."

Het onderwerp 'dood' werd ook breder onderzocht. Waarom zijn er eigenlijk zo weinig dode dieren in het bos te vinden, terwijl er toch heel wat moet worden gestorven? De boswachters legden dode beesten neer, elders gevonden, bijvoorbeeld als verkeersslachtoffer langs de weg. Een das, een muis, een rat en een roodborstje. "Zo'n muis wordt door aardkevers binnen twee dagen onder de grond getrokken. We hadden ook een bruine rat neergelegd, en daar waren ze al een heel eind mee."

Na de excursie belt Pot enthousiast, nog druk aan het determineren: "We hebben de violette loopkever gevonden! Een zeldzame soort die alleen in Gelderland en Limburg is gesignaleerd. Even later belt hij weer: Jammer, nee toch niet, een dubbelganger. Het was de korrelschalebijter die in het Latijn de naam Carabus problematicus draagt.

Alle dieren die zijn bestudeerd, werden vrijgelaten, op een enkele nachtvlinder na die de botsing met het onderzoekslaken niet overleefde. De boswachters maken geen publicatie van hun bevindingen. Pot: "Zoiets komt in een bureaula, een paar specialisten kijken ernaar en knikken erover. Wij gaan liever in gesprek met mensen. Wij hopen beter uit te kunnen leggen dat dood hout geen rommel is, maar een belangrijke functie heeft. Ook binnen onze organisatie hebben we het belang van dood hout weer duidelijker voor ogen."

Proces wat versnellen
Het streven naar bossen met dood hout is er! Toch zijn Nederlandse bossen nog steeds te netjes. Boswachter Aaldrik Pot heeft metingen gezien waaruit blijkt dat 3 tot 5 procent dode bomen veel is. In sparrenbossen is het aandeel soms niet groter dan 1 procent. Logisch, een bos doet er lang over om oud te worden en een bepaalde cyclus van dood en leven te krijgen. Een cyclus duurt al gauw vijfhonderd jaar, zegt Pot.

Zo ver zijn de meeste Nederlandse bossen nog lang niet. Ze zijn tussen 1900 en 1930 aangeplant. In een bos dat zichzelf kan redden zit soms wel 30 tot 50 procent dood hout, zegt Pot. "Alleen dat merk je niet. Als ik mensen ermee naartoe zou nemen, zouden ze het fantastisch vinden." Daarvoor moet hij dan wel naar het buitenland, bijvoorbeeld Polen.

Staatsbosbeheer probeert het proces met wat ingrepen te versnellen. Omgewaaide bomen blijven liggen, en soms zagen de boswachters er zelf een paar om.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden