Dood hout doet de rivier leven

Om de rivieren ruimte te geven zijn nevengeulen aangelegd. Maar daarin zit nog weinig leven. Misschien hebben ze omgevallen bomen nodig.

Het tafereel in de IJssel nabij Hattem deze ochtend lijkt ontleend aan Monty Pythons Flying Circus. "Stofzuig jij de boomstam? Dan borstel ik de takken af. Draait de camera al bij de vissen? Hopelijk hebben we niet alleen vlokreeften en slijkgarnalen."

Twee mannen in duikpakken, compleet met bril, staan tot aan hun knieën in het water. Een van de twee draagt een stofzuiger, de ander duikt steeds met de slang onder water. Een stukje verderop staat een derde man in een al even imposante waadbroek stukken van boven het water uitgestekende boomwortels af te zagen. Hij neemt die mee naar de oever om ze daar boven een bak met kracht af te borstelen. De omgeving is verlaten, op een enkele scholekster na.

Na een poosje komt de stofzuigerman boven water en is het tijd de 'stofzak' te legen. Even kijken. "Bodem boom 1, tak boom 1, stam boom 1; ja die pot moeten we hebben." Na wat gepeuter is de zak leeg, wordt die weer aangekoppeld en duikt de zuigerman opnieuw onder. Zijn kompaan volgt hem op de voet met stofzuiger en persluchtfles. Een dik uur verstrijkt. Een uur waarin de hemel zich twee keer ontlast en niet één keer breekt. Het water doet verkleumen, de pakken ten spijt. Tijd voor een opwarmpauze.

undefined

Keurslijf

De mannen, zelfstandig hydrobioloog Alexander Klink en ecologen Joost Bergsma en Martijn Dorenbosch van onderzoeksbureau Waardenburg, doen onderzoek in opdracht van Rijkswaterstaat. Ze bekijken in hoeverre dood hout in de rivier de biodiversiteit kan opkrikken.

Nederland voldoet nu bij lange na niet aan de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor de meeste wateren halen we een 3 tot 3,5 terwijl 6 de minimumeis is. Een van de oorzaken is de gewijzigde morfologie van de rivieren, legt Klink uit. Vroeger, toen de rivieren nog niet in een keurslijf van dijken lagen geperst, waren er overstromingsvlakten met allerlei stroomsnelheden. Bomen die vanaf de kant in het water vielen, bleven gewoon liggen. "Voor ongewervelden is dat dode hout onmisbaar. Het veroorzaakt verschillende stroomsnelheden en luwe plekken. Voor kokerjuffers bijvoorbeeld. Deze insecten, waarvan de larven een kokertje van zand of ander materiaal om zich heen bouwen, hebben substraat nodig om zich vast te zetten. Eendagsvliegen grazen 's nachts de algen van dood waterhout en schuilen overdag in bast en spleten. Twee soorten die je nu nauwelijks meer vindt. Dat terwijl beide bulkvoedsel zijn voor vissen. En ze zijn indicatoren voor waterkwaliteit en biodiversiteit."

Voor vissen is een morfologisch volwaardige rivier onontbeerlijk, voegt Bergsma toe. "Voor de ene soort biedt de omgeving van hout een rustige, stromingsarme plek om in op te groeien of te paaien, voor de ander, zoals de snoek, een ideaal jachtterrein."

Omdat Nederland moet voldoen aan de Europese Kaderrichtlijn en omdat ook Rijkswaterstaat soortenrijkdom belangrijk vindt, zijn er nu, bij wijze van proef, in een aantal nevengeulen van de Nederrijn en IJssel bomen onder water verankerd. Aan Klink en bureau Waardenburg om te onderzoeken of het hout helpt.

"Om te bekijken welke ongewervelden de stammen, wortels en takken trekken, zuigen de mannen van Waardenburg voor mij de boomstammen onder water af en borstel ik beesten van de takken. Die gaan in potten en determineer ik later", vertelt Klink terwijl hij de borstel weer ter hand neemt.

Dat determineren wordt een heidens karwei. Op een vierkante meter stam, tak of wortel zitten zo'n 5000 tot 50.000 ongewervelden. Vandaag bemonsteren de mannen vijftien vierkante meter, en dit is slechts een van de monsterrondes. Drie jaar lang wordt bij Everdingen, Amerongen, Wageningen en Hattem het hout in de nevengeulen en kribvakken van Nederrijn, Lek en IJssel onderzocht.

undefined

Exoten

De kikvorsmannen duwen het monsterbootje met apparatuur en potten weer de geul in. Opnieuw volgt een zuigsessie. Bureau Waardenburg faciliteert niet alleen Klink, maar doet ook onderzoek naar de planten en vissen van 'behouten' nevengeulen. In de Lek worden de vissen gefilmd om hun gedrag te kunnen bestuderen. "En zo ontdekten we wel iets plezierigs", vertelt Dorenbosch, terwijl hij op een wegschietend blankvoorntje wijst. "Exoten, vissen die hier van nature niet thuishoren en onze inheemse vissen benadelen, hebben niets aan het dode hout, terwijl inheemse vissen er wel van profiteren."

Die exoten, zoals Ponto-Kaspische grondelsoorten, zijn in hun land van herkomst gewend aan een rivierbodem van grind en klei en kunnen niets met het hout. Dorenbosch: "Het zijn eerste aanwijzingen, maar het zou een prachtig neveneffect zijn. Sowieso zie je meer jonge baars en blankvoorn nabij de boom en meer volwassen (foeragerende) vissen op enige afstand. 's Nachts jagen er alen."

Op de oever zit Klink in een grote bak met afgeschrobde beestjes te kijken. Het zijn vooral veel soorten vlokreeften en (exotische) slijkgarnalen. "Het zou echt fantastisch zijn als er een kokerjuffer of eendagsvlieglarve tussen zou zitten. Welke maakt niet uit, elke soort wijst op ecologisch herstel."

undefined

Nevengeulen

De afgelopen jaren heeft Rijkswaterstaat in het kader van Ruimte voor de Rivier een groot aantal nevengeulen aangelegd in de uiterwaarden. Belangrijkste doel was het voorkomen van overstromingen. De ecologie telde minder mee. Rijkswaterstaat is nu bezig met de voorbereiding en uitvoering van nevengeulen voor de Kaderrichtlijn Water. Deze geulen zijn kleiner. Er worden dode bomen in neergelegd. Dit geeft meer variatie in structuur en stroomsnelheid en - naar verwachting - een biologische inhaalslag. In dit verband wordt in Nederrijn en Lek een uitgebreide proef gedaan.

Als wetenschappelijk wordt vastgesteld dat hout de biodiversiteit verhoogt zonder de waterstandverlagende functie van de nevengeul aan te tasten, wil Rijkswaterstaat in meer nieuwe en bestaande nevengeulen hout leggen.

undefined

Paleo-ecologie

Hydrobioloog Alexander Klink weet welke ongewervelden een ecologisch gezonde rivier zouden moeten bevolken op grond van paleo-ecologisch onderzoek. Hij deed onderzoek aan oude rivierafzettingen. Door op basis van soms eeuwenoude kaarten de vroegere loop van de rivier na te gaan en ter plekke diepe opgravingen te doen, verzamelde hij oud afzettingsmateriaal. In het slib zitten vele fossielen van ongewervelden. Die hebben een uit chitine opgebouwd skelet dat niet vergaat. Door minutieus alle kaakjes, schildjes en pootjes op naam te brengen, kon Klink zich een beeld vormen. Zijn conclusie: vroeger miegelde het van de steen- en eendagsvliegen, kokerjuffers, libellen en muggen. Die rijkdom bleef tot 1700, toen de mens de rivier werkelijk begon te temmen. Door dat keurslijf en door de vervuiling en verwarming is, volgens Klink, van die enorme rijkdom nog slechts een minieme fractie over.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden