Donkere danstaal en lyrische duetten van Goecke en Reischl

Rupert Tookey. als de maanzieke Pierrot Lunaire. (FOTO HANS GERRITSEN) Beeld
Rupert Tookey. als de maanzieke Pierrot Lunaire. (FOTO HANS GERRITSEN)

’Reischl en Goecke, choreografen’ van Scapino Ballet Rotterdam. Tournee t/m 11/5, www.scapinoballet.nl.

Het kon eigenlijk ook niet uitblijven: Marco Goecke die zich waagt aan ’Pierrot Lunaire’, het muziekwerk dat Schönberg baseerde op Albert Girauds symbolistische en macabere rondo’s over de maanzieke Commedia dell’arte-figuur. Sinister, magisch en mysterieus, met een stevige campy bite; dat is ook zo’n beetje de lading die Goecke’s zwarte balletten dekt – de maan lijkt sowieso de enige lichtbron voor zijn dansers, die zich daarin wentelen, als introverte exhibitionisten, dwaallichten on acid. Camp speelt in zijn boreling ’Pierrot Lunaire’ een minder grote rol. Het „medicijn voor de ziel”, zoals Scapino’s huischoreograaf zijn voorliefde voor de vet aangezette (schrik)effecten, mime en slapstick verklaart, maakt plaats voor suggestie zonder smuk. Tot genoegen, deels ook niet.

Genoegen omdat sopraan Christine Schüfer (op band) met haar Sprechgesang nu als contrapunt in de muziek fungeert, en die rol ook krijgt in de choreografie. Het mondt uit in één brok woest expressionisme, dat zich concentreert op de gespleten persoonlijkheid van Pierrot, gedanst door de ideale Goecke-vertolker Rupert Tookey – ergens tussen treurige nar en heldhaftige poëet.

In abstractie, er komt geen pierrotkraag of traan-op-de-wang aan te pas. Beheerst en soepel, afgewisseld met Goecke’s trademark gefladder en getril, leidt de choreograaf de door Columbina afgewezen geliefde door zijn zielstocht. Als bidsprinkhanen die een gooi doen naar de snelheid van het (schaarse) licht, bevolkt het ensemble Pierrots gedachten.

Goecke’s mysterie laat het publiek de verbeelding, de choreografie als zodanig is wat vlak. De theatrale gekte blijft in ’Pierrot Lunaire’ beperkt tot witte ballonnen die als fantomen de donkerte splijten. Een mooi beeld, maar Goecke’s jargon blijkt hier toch te willekeurig om in één boog gespannen te blijven.

Georg Reischls ’[framework] 7, 8.]’ put zijn kracht in twee gelaagde delen juist uit de heldere choreografische constructie. De delen verhouden zich als wit en donker, etherisch en direct, in fraai evenwicht van yin en yang.

Deel 1 wordt beheerst door bijna lyrische duetten in slow motion, partnering letterlijk naar hoger plan getild. Twee lijven zijn één, of juist expliciet níet, op de countertenorgezangen naar de middeleeuwse mystica Hildegard van Bingen, door componist Michiel Jansen in een spannend elektronisch sopje gedaan. In groepsdansen verschijnen dansers achter witte doeken en cirkelen als danshongerige hyena’s dreigend om elkaar heen. In deel 2 maakt de onheilspellende (v)luchtigheid plaats voor aanstekelijk aards: groepsdansen als moderne-dansvariaties op de streetdance battle, compleet met jazzy vingerknippen als metronoom voor de dynamiek.

Reischl vertrekt als huischoreograaf bij Scapino om zich als freelancer in Berlijn te vestigen; dit ballet is een goede kroon op zijn Rotterdamse werk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden