Donker van huid ben ik, doch bekoorlijk

Dunne, pittig gevulde pannenkoeken. Je eet ze met de hand, drinkt er Zuid-Afrikaanse wijn bij en sluit af met koffie uit een opvallende kan. Meer kom je niet snel te weten over Ethiopië, en dat alleen maar als je toevallig in een Ethiopisch eethuis belandt. Maar er is meer.

Rondneuzend in het aanbod van exotische eetgelegenheden belandden we een jaar of drie geleden in een van de Ethiopische eethuizen die Amsterdam rijk is. Sindsdien is de Abessijnse keuken te onzent favoriet.

In het restaurant vielen tussen de foto's van Ethiopisch landschappelijk schoon twee prenten aan de wand op: één van een rijzige man in lang gewaad met een soort processiekruis, en een church musician, zoals de toelichting in sierlijke letters meldde. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. ,,Ze zullen toch niet . . .?', dacht ik, en vaag in het achterhoofd wandelde een zwarte meneer uit een zoekgeraakte kinderbijbel rond; de kamerling uit Morenland. Men is dominee of men is het niet: we maakten kennis met deze onbekende bekenden.

De wortels van de Ethiopische kerk zijn oud. Al in het tweede millennium voor Christus onderhield Ethiopië economische betrekkingen met Israël, een contact dat een bijzonder hoogtepunt beleefde in het bezoek van de koningin van Sheba aan Israël. Drieduizend jaar geleden vertrok zij naar Jeruzalem, benieuwd naar koning Salomo en zijn wijsheid. Naar verluidt dichtte Salomo over deze schoonheid: 'Donker van huid ben ik, doch bekoorlijk'. Toen zij terugkwam, was zij volgens de Kebra Negest, de verhalenbundel 'De roem van de koningen', niet slechts onder de indruk, maar ook zwanger van Salomo die zich haar voor een nacht sluw had toegeëigend. Ze baarde een zoon: Menelik ('wat een verrassend cadeau!'), de stamvader van de Ethiopische koningsdynastie. Tot en met keizer Haile Selassie I waren alle monarchen afstammelingen van Menelik - in de grondwet van 1955 stond dat zelfs zwart op wit - en Haile Selassie was nummer 225.

Volgens de Kebra Negest reisde Menelik, eenmaal groot geworden, naar het land van zjn vader. Uit Jeruzalem nam hij verscheidene geschriften van het Oude Testament mét Israëlitische priesters en schriftgeleerden mee; de heilige geschriften werden vertaald in Ethiopië's oude taal Geëz, al zal dat pas eeuwen later zijn beslag hebben gekregen. Menelik wist tijdens zijn reis ook nog in het geheim de hand te leggen op de ark van Mozes; die zou tot op de huidige dag in het noordelijke Axum staan.

Menelik voerde in zijn land het jodendom in. De doorwerking hiervan is nog te merken aan het onderhouden van de sabbat, het naleven van oudtestamentische voedselvoorschriften en het besnijden van jongetjes op de achtste dag. Dit heeft bekendheid gekregen door de zwarte joden, 'falasha's' (vreemdelingen), die enige jaren geleden in de 'Operatie Mozes' vrij massaal naar Israël werden overgebracht.

Vierendertig jaar na de geboorte van Jezus Christus werd de afgevaardigde van de Ethiopische vorst, de Candacé, gedoopt door Filippus. De schatbewaarder van de Kroon, bekend geworden als de kamerling uit Morenland en mogelijk zelf een 'falasha', 'vervolgde zijn weg met vreugde' (Handelingen 8). Dat moet aanstekelijk geweest zijn, want thuisgekomen onderwees hij het christelijk geloof aan zijn volk en doopte de (bekeerlijke) falasha's. Volgens overlevering zouden ook de evangelisten Matthéus of Marcus aan de wieg van de Ethiopische kerk gestaan hebben.

De noordwestelijke regio Tigre is de bakermat van het christendom. Na de bekering van de koning van Axum in de vierde eeuw verbreidde het geloof zich gestaag; in de volgende eeuw kreeg het christendom de status van staatsgodsdienst in het koninkrijk van Axum. Het land was een toevluchtsoord voor vervolgde christenen uit Syrië en Klein-Azië.

In de twaalfde eeuw waren het wellicht uitgeweken priesters uit het Heilige Land die als 'Engelen dag en nacht' elf kerken hebben uitgehouwen voor koning Lalibela. De godshuizen vormen, aldus een bezoeker, 'een ondergronds complex van bovenaardse schoonheid' en zijn nog altijd een levendig spiritueel centrum in wat ooit het enige christelijk land van Afrika was. Al in 325 nam de Ethiopische kerk het besluit zichzelf als 'orthodox' te afficheren. Dit Griekse begrip verbindt de eigen leer (doxa) met het kenmerk 'juist' (orthos). Deze kerk behoort tot de oosters orthodoxe kerken die elkaars biecht en avondmaal aanvaarden. De Ethiopische kerk was een bisdom van de Koptische (Egyptische) kerk tot in 1959 een Ethiopische monnik tot kerkleider werd gewijd. De Ethiopisch-orthodoxe Te wehado (conciliaire) kerk leefde in de begintijd van de islam vreedzaam naast het nieuwe geloof, en omgekeerd werd men door omringende islamitische staten tot de zestiende eeuw met rust gelaten.

In de liturgie speelt het Geëz nog altijd een rol, vergelijkbaar met het kerklatijn. De lezingen en de preek worden echter veelal in een van de officiële talen van Ethiopië gehouden, het Amhaars. De viering, met haar veelkleurige gewaden en - soms - dans, draagt sporen van de Davidische oorsprong. Een grote trommel (in ons land een bongo) luistert muzikaal de dienst op.

Staan in een gewone bijbel 66 bijbelboeken, de Ethiopische bijbel telt er 81. Dat laatste, 'tachtig en één', staat vaster, dan het antwoord op de vraag welke boeken daar precies toe moeten worden gerekend. In ieder geval maakt, naast de 'gewone' bijbelboeken en apokriefen, een aantal goeddeels verloren gewaande geschriften daar deel van uit. Zo zijn de verdwenen Henoch-boeken (geciteerd in Juda 14 en 15) in de Ethiopische traditie behouden en is bet Boek der Jubileeën (een herschreven Tora), waarvan in de grotten van Qumran fragmenten gevonden zijn, volledig bewaard.

In het restaurant waar we, na de nodige enjerra's (mildzure pannenkoeken die de basis van een Ethiopische maaltijd vormen, met de hand gegeten) en wot (smakelijke 'prutjes') aan de live-gebrande koffie zitten, kijkt een in militair-koloniaal tropenuniform gezeten heer ons van een schilderij gestreng aan. Het is de omstreden keizer Haile Selassie, de feodale monarch met een schier onaantastbaar gezag, die zich 'Leeuw van Juda' noemde, symbool van Ethiopië. Al wordt hij in Ethiopisch-orthodoxe kringen niet zo vereerd als door Rastafari's - de dreadlock-dragende reggae-types die Zijne Keizerlijke Hoogheid als een Christus-figuur adoreren - men draagt hem een warm hart toe.

Dat laatste is zeker te begrijpen: Haile Selassie was een soort beschermheer van de Ethiopisch-orthodoxe kerk die hij bevoorrechtte. Zijn val in 1974 en de daarop volgende oorlogen dreven velen het land uit. In Nederland belandden zo'n zevenduizend van hen. Sommigen vonden aansluiting bij gewone Nederlandse kerken, van protestantse en van rooms-katholieke signatuur. Pas sinds 1994 zijn fondsen beschikbaar om een Ethiopische priester te bekostigen; samen met een diaken draagt hij zorg voor vieringen en catechese.

De kennismaking in het Ethiopische restaurant enkele jaren geleden bleef niet zonder gevolgen. In Amsterdam vormden namelijk Ethiopische christenen sinds de zomer van 1997 een zelfstandige kerkgemeenschap St. Gabriel. Aanvankelijk kerkte men bij de (Egyptische) Koptische kerk, eind 1997 begonnen vieringen in de Jacobuskapel, waar ik als predikant aan verbonden ben. Deze moesten echter worden opgeschort door geldgebrek. Kerkhuur en kosten voor de eredienst (zoals reiskosten voor de priester) waren niet meer op te brengen. De Ethiopische kerk kampt dus met hetzelfde probleem als veel andere kerken. Daarbij komt dat Ethiopische gelovigen door de eeuwenlange beschermde situatie in eigen land niet erg gewend waren, voor kosten op te draaien.

Een ander en fundamenteler probleem vormden opspelende etnische spanningen. De geestelijkheid meende dat zij de geloofstraditie die Ethiopiërs en Eritreeërs gemeen hebben, allen onder één dak kon verenigen. Voor de gelovigen was dat een brug te ver. Ze konden zich niet losmaken van de oplaaiende etnische conflicten in het moederland en meenden, met een variatie op een Nederlands spreekwoord: twee volken op een geloofskussen, daar slaapt de duivel tussen. De toeloop - aanvankelijk zo'n honderd bezoekers uit Amsterdam en omstreken - nam daarop sterk af.

Op uitdrukkelijk verzoek van het nageslacht bezochten we onlangs weer 'de Ethiopiër', die bij ons 'de Etiër' is gaan heten. Bij het verlaten van de uitspanning viel het oog op een doos met gleuf, bijna op ooghoogte. Een blaadje op de zijkant ervan spoorde ons met de woorden 'God heeft een blijmoedige gever lief' aan te doneren voor een goed doel: het alsnog opzetten van een eigen kerkgemeenschap.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden