Don Quichot in de polder

In het land van de molens wil het met de windenergie maar niet vlotten. Nog geen procent van onze stroom wordt met windmolens in Nederland opgewekt. Het is niks en zal ook nooit wat worden, zeggen de critici. Voorstanders verwijten hen een achterhoedegevecht te voeren. ,,Keulen en Aken zijn ook niet op één dag gebouwd.''

Windenergie had hem altijd een sympathiek alternatief geleken, maar toen hij zich eens goed in de materie ging verdiepen, draaide hij om als een blad aan een boom. ,,Het is een goed uitgespeelde, maar achterhaalde zaak'', zegt Fred Kreuger nu. ,,We kunnen er maar beter mee ophouden.''

De emeritus hoogleraar hoogspanningstechniek van de Technische Universiteit Delft trad dit voorjaar op als rapporteur bij een debat tussen voor- en tegenstanders van windenergie. Kreuger noteerde als conclusie dat het weliswaar technisch mogelijk is om met windenergie 20 procent van het elektriciteitsverbruik in Nederland te dekken, maar dat daarvoor een investering van maar liefst 15 à 25 miljard euro noodzakelijk zou zijn. De slotconclusie van Kreuger, en ook van het Koninklijk instituut van ingenieurs (Kivi) dat het debat had georganiseerd, luidde dan ook: de toepassing van windenergie is een politieke kwestie.

Kreuger: ,,Het is veel te duur. Zo veel miljarden, dat is een veelvoud van wat de Deltawerken hebben gekost. Dat kunnen wij Nederlanders niet betalen. Als ik mijn privé-mening had mogen geven, was het een ingenieurskwestie gebleven die allang was opgelost. Maar ja, ik moest de standpunten weergeven die tijdens de Kivi-discussie zijn geuit, en daarom heb ik opgeschreven dat het een politieke kwestie is óf we die miljarden ooit willen betalen.''

Ingenieur Hans Halkema briest door de telefoon als hij deze toelichting te horen krijgt. ,,Schandelijk dat een ingenieursvereniging zo'n standpunt voor haar rekening durft te nemen. Wat een angsthazerige conclusie. Fred Kreuger, denk ik dan, durfde je niet gewoon de feiten op te schrijven?'' Halkema voerde tijdens het Kivi-debat het team van tegenstanders aan. De 83-jarige ingenieur strijdt al jaren tegen de windmolens in Nederland. Hij is gewend dat zijn verhaal op felle tegenstand stuit bij milieubeweging en windadepten, maar dat zijn vakgenoten het niet met hem eens zijn, begrijpt hij niet. ,,Ik beschouw dit rapport het Kivi niet waardig'', schreef hij vorige maand in een brief op poten aan het bestuur. ,,Het is een propagandaverhaal voor windenergie. Wij noemen ons toch ingenieurs? Wij doen toch aan techniek, niet aan politiek gekonkel?'' Halkema heeft het bestuur verzocht zijn naam uit het rapport te verwijderen. Terwijl zijn betoog zo eenvoudig is. De 1300 windmolens die nu in Nederland staan opgesteld, leveren een marginale bijdrage aan de elektriciteitsvoorziening: minder dan 1 procent van de stroom die Nederlanders verbruiken, stamt van molens op eigen bodem. Bovendien is de wind onbetrouwbaar. Het waait vaak niet als er stroom nodig is, en als heel Nederland op één oor ligt, steekt er soms een lekker windje op.

En ten slotte rekent Halkema de lezers van zijn boekje 'Windmolens; fictie en feiten' voor dat windenergie vele malen duurder is dan conventioneel opgewekte stroom. Geldverspilling is het, schrijft hij op bijna elke pagina. ,,Als alle feiten altijd bekend zouden zijn geweest, was er nooit een windmolen gebouwd.''

De meeste van Halkema's feiten worden nauwelijks bestreden. Ook niet door Gijs van Kuik, hoogleraar windenergie aan de TU Delft en tijdens het Kivi-debat aanvoerder van het team voorstanders. ,,Er staat nu 500 megawatt aan windenergie opgesteld (1 megawatt is 1000 kilowatt). Het is een beperkte bijdrage, dat is waar. Voor een deel komt dat doordat er nog veel prut tussen staat. Oude, kleine molens met een slecht rendement. Als die allemaal vervangen worden door grote, moderne turbines, is het overheidsdoel met windenergie al zo goed als gehaald.''

Die doelstelling luidt dat in 2010 op land 1500 megawatt aan windmolens moet zijn opgesteld, en aangezien een modern exemplaar een vermogen heeft van 1 megawatt, zou met de vervangingsoperatie het doel al aardig in zicht komen. Maar de meeste van die 1300 windmolens staan bij boerderijen. Het zijn kleintjes - met een maximaal vermogen van nog geen 100 kilowatt - en ze staan niet op de vervangingslijst. De windenergieparken tellen samen slechts zo'n 450 molens: er zal dus nog heel wat moeten gebeuren voor het overheidsdoel wordt bereikt.

En dan nog, Halkema heeft gelijk: het waait niet altijd. Een windmolen presteert maximaal bij windkracht 7 à 8. Bij hardere wind moet hij worden afgeschakeld en als het minder waait, loopt het vermogen snel terug. Gemiddeld levert een molen een kwart van zijn maximale vermogen. Die 1500 megawatt is dus in de praktijk goed voor niet meer dan een kleine 400 megawatt. Een schamele 3 procent van de totale, gemiddelde elektriciteitsvraag in Nederland: 12 000 megawatt, terwijl het doel is: 20 procent in 2020.

Voor die ambitie is Nederland te klein, daar zijn vriend en vijand het over eens. De oplossing ligt op zee, zeggen de pleitbezorgers van windenergie. Op het Nederlandse deel van het continentale plat zou een windpark moeten komen van 4000 tot 6000 megawatt. We hebben het dan over een park van 26 bij 26 kilometer, 23 kilometer ten westen van Den Helder; 2000 molens van elk 3 megawatt.

Technisch is het haalbaar, concludeerde het Kivi dit voorjaar, maar over de prijs werden de ingenieurs het niet helemaal eens. Rapporteur Kreuger schreef uiteindelijk op: 15 à 25 miljard euro, en voegde daaraan toe: ,,Men kan aan de nauwkeurigheid van de bedragen twijfelen, maar niet aan de ordegrootte. Zo kan het niet voor de helft van het bedrag.'' Voor Van Kuik is 15 miljard euro een bovengrens, maar in grote lijnen moet hij het met Kreuger eens zijn. ,,Het is zeer ambitieus. Maar alle begin is moeilijk. We experimenteren nu met 100 megawatt, net buiten de kust. 500 megawatt offshore is reëel. Dit zijn dus tien à twaalf van die dingen, in de volle zee. Als we alles op alles zetten, kan het. De vraag is: willen we dit in Nederland?''

Halkema kan alleen schamperen bij dit idee. ,,2000 molens. Als we er daar, op zee, nou eens twee per maand van zouden bouwen, zijn we duizend maanden bezig. Meer dan tachtig jaar. . .'' Ja, ja, reageert Van Kuik. ,,Halkema doet het plan nogal gekscherend af, en als leek denk je dan: hoe kan dat nou, twee techneuten met zulke verschillende visies? Naar mijn idee kijkt hij toch te veel achteruit, bouwt hij in gedachten die windparken met verouderde molens.''

Ook Henk Kouwenhoven van elektriciteitsproducent Nuon vindt dat Halkema te weinig vooruit denkt. ,,Natuurlijk, als je nu stopt op land en al je inspanningen naar zee verplaatst, mislukt het. Dit soort ontwikkelingen gaat nou eenmaal met kleine stapjes vooruit.'' We zitten nu in fase één, vervolgt hij: twee turbines die net buiten de Engelse kust staan opgesteld. Als dat project succesvol is, komt het volgende: het windpark, tien kilometer buiten de kust van Egmond. Kouwenhoven: ,,Die projecten zijn nodig voordat we aan een groot park in zee kunnen beginnen. Of we daar in 2020 aan toe zijn, weet ik niet. Ik kan wél twintig jaar terug kijken, naar de eerste windmolens. Dat is een wereld van verschil met nu. Als we dat over twintig jaar nog eens hebben, zijn we een heel eind.''

Voorstanders van windenergie werpen vaak een jaloerse blik op Denemarken, het land dat 20 procent van zijn elektriciteit uit windenergie haalt. Ook in andere gebieden, zoals Noord-Duitsland of Noord-Spanje, worden dergelijke percentages gehaald. Dat moet in Nederland, van oudsher het land van de windmolens, toch ook kunnen?

Maar mensen als Halkema en Kreuger zien in de Deense geschiedenis juist het bewijs van hun gelijk. De Deense stroom behoort tot de duurste in Europa en begin dit jaar annuleerde de Deense regering de aanleg van drie windparken in zee. ,,Dat bewijst dat het allemaal toch niet zo aantrekkelijk is'', zegt Kreuger.

Beetje kort door de bocht geredeneerd, reageert Frans Nillesen van de Novem (het agentschap van Economische Zaken voor energie en milieu). ,,De nieuwe regering daar heeft met het rode potlood een aantal investeringen geschrapt. Maar als ze deze plannen wat nader gaan bekijken, zullen de zaken wat minder duidelijk blijken te liggen. Denemarken is de grootste exporteur van windtechnologie. Ze zetten veel werkgelegenheid op het spel als ze die projecten zomaar schrappen.''

Zo'n opmerking is weer koren op de molen van de tegenstanders. Zie je wel, er wordt over windenergie geen zuivere discussie gevoerd. De subsidiestromen maken dat iedereen er belang bij heeft bij dat er wordt doorgegaan met windenergie en ze ontnemen de consument het zicht op de werkelijke kosten. ,,Wist u'', zegt Kreuger, ,,dat u over een kilowattuur tot 60 procent ecotaks betaalt? En dat met die miljarden de zogenaamde groene stroom wordt gefinancierd?''

De eerste opmerking is al te stellig, de burger en het midden- en kleinbedrijf worden hiervoor gecompenseerd. De laatste is te controleren: hoeveel kost een kilowattuur uit windenergie? Vier à vijf eurocent, zegt Van Kuik. Volgens Kouwenhoven van Nuon is het, zonder subsidie, acht à tien eurocent. ,,En dat kun je niet zomaar vergelijken met de vier eurocent die een kilowattuur uit een kolen- of gasgestookte centrale kost. Bij die laatste wordt de thermische vervuiling - door de rookgassen en het opgewarmde koelwater - nooit meegerekend. Net zomin als de CO2-uitstoot, waardoor de aarde opwarmt. Die twee samen schat ik op 1 à 2 eurocent per kilowattuur. Dan komen daar nog de kosten voor de afbraak van de centrale bij. En als je bedenkt dat windenergie in 1980 nog tachtig à negentig eurocent per kilowattuur kostte, is het niet zo gek om te veronderstellen dat we dat laatste verschil ook nog wegwerken.''

Het lijkt erop dat de tegenstanders nog maar één troef overhouden: de onbetrouwbaarheid van de wind. En van de molens, voegen veel leken daar aan toe. Vooral automobilisten die regelmatig de Irene Vorrink centrale langs de A6 bij Dronten passeren, betwijfelen het rendement van de windmolens. Die 46 molens staan vaker stil dan dat ze draaien, zeggen ze. Dat valt wel mee, reageert Kouwenhoven van Nuon, de beheerder van het windpark. ,,De molens hebben een beschikbaarheid van 98 procent. Gemiddeld staat er dus altijd één, maar ook niet meer dan één, stil voor onderhoud of door een storing.''

Als ze stilstaan, is het dus meestal omdat het niet of te hard waait. Voor Kreuger is deze onbetrouwbaarheid van de wind al voldoende om de molens vaarwel te zeggen. In Noord-Duitsland, zegt hij, staat voor 2 500 megawatt aan windenergie opgesteld. Tijdens een stevige storm dit voorjaar moesten de molens worden afgeschakeld. Kreuger: ,,Binnen een kwartier ging het van vol vermogen naar nul. Dat konden de gewone centrales niet bijbenen. Met man en macht heeft men gewerkt om stroom van elders bij te schakelen. Het was een dubbeltje op zijn kant of het net het zou houden. Dergelijke calamiteiten zijn onvermijdelijk bij grootschalige toepassing van windenergie. De moderne maatschappij heeft een 100 procent betrouwbaar net nodig. Black-outs, zoals een paar jaar geleden in Utrecht, kunnen we ons eigenlijk niet meer permitteren.'' Anderen betwijfelen of het zo kantjeboord is geweest. In Denemarken, zegt Nillesen van de Novem, wordt net als in Noord-Duitsland 20 procent van de stroom met wind opgewekt. ,,En alleen in afgelegen, slecht bekabelde gebieden treden storingen op. Pas als je voor meer dan 25 procent van de wind afhankelijk bent, kom je in de problemen.''

Wat je moet hebben zijn buffers, opslagmogelijkheden. De Denen hebben een kabelverbinding met Noorwegen. Produceren de molens te veel stroom, dan wordt die naar Noorwegen geleid en gebruikt om water op te pompen naar opslagbassins. In luwe tijden laten de Noren het water weer weglopen en krijgen de Denen hun stroom terug.

Opslag is nu nog een raar fenomeen in de elektriciteitswereld, zegt Van Kuik, de hoogleraar windenergie. ,,Zeker in Nederland is het nog niet nodig, en erg duur. Er bestaat wel een plan voor zo'n zelfde verbinding met Noorwegen, maar dat is in een la verdwenen. In een vrije markt kan dat heel anders worden. Op het moment dat er dan vraag is naar groene stroom, kan het voor een producent wel rendabel zijn om zijn windenergie op te slaan.''

De vraag is niet, zegt Nillesen, of we van een koolstofrijke naar een koolstofarme samenleving moeten overschakelen. ,,De vraag is hóe we dat gaan doen. Maar die vraag stellen de critici nooit. Zij staan steeds met hun boekjes in de hand te wijzen op de problemen. In de tussentijd wordt in Duitsland jaarlijks wel een veelvoud van wat wij hier hebben aan windenergie bijgeplaatst.''

Kouwenhoven: ,,De Kreugers en Halkema's komen uit een wereld die al zeker 15 jaar achter ons ligt. Deze oude garde kan zich niet voorstellen dat je met wind net zo'n betrouwbaar systeem kunt maken als met hun grote conventionele centrales. Natuurlijk, het is een kwestie van vele jaren. Keulen en Aken zijn ook niet op één dag gebouwd. Het huidige systeem is in tachtig jaar tijd opgebouwd. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat net zo'n betrouwbaar systeem met duurzame energie zoals wind niet zou kunnen.''~

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden