Don Eugenio's stukje Spanje

Al sinds de oudheid is het plein de plek in de stad waar het gebeurt. In deze serie belicht Trouw het plein als spiegel van de stad. Vandaag: het Plaza Augustin Lara in Madrid.

“Goedemorgen Don Eugenio. Hoe gaat het met het vaderland?” Verstoord kijkt de man op naast wie ik net heb plaats genomen op het enige bankje aan de schaduwzijde van het plein. Zijn vinger blijft bij de regel die hij net heeft gelezen in zijn boek. Hij kijkt op. “Ah, Don Manolo, muy bien, gracias. En hoe gaat het met u?”

“Vreemde man. Vraagt me altijd hoe het met het vaderland gaat. Hoe moet ik dat nou weten”, moppert Don Eugenio, wiens hoofd net een tikkeltje te rood is voor iemand die altijd de schaduw opzoekt. De bank is van ons. Hij zit aan het ene uiteinde, ik aan het andere. Tussen ons in staat als een heilig relikwie een fles rode wijn.

Na elke bladzijde neemt hij een slokje. De fles had hij daar neergezet toen spelende honden zijn kostbare vocht omver dreigden te rennen. “Die beesten mogen doen wat ze willen. Als ze maar van mijn wijn afblijven.”

Het plein komt in geen enkele toeristische gids van Madrid voor. Zelfs naambordjes ontbreken. Maar Don Eugenio weet dat het de Plaza Agustin Lara is. Dat is te danken, legt hij uit, aan het standbeeld dat op dit plein in 1975 werd gezet ter nagedachtenis aan de Mexicaanse componist-zanger Agustin Lara wiens 'Granada' wereldfaam verwierf.

Links van ons bevindt zich, vier straten verder, de Rastro, de zondagse vlooienmarkt. Rechts ligt Lavapies. Ooit werden daar de joden gehuisvest toen ze, na de herovering van Madrid op de moren, moesten opkrassen uit de buurt van het koninklijk paleis. Maar de 'moros' zijn teruggekomen. Veel huizen worden nu bewoond door Marokkaanse immigranten.

Het is net tien uur geweest. Op de Plaza Mayor - een heel eind verder - verzamelen zich de eerste toeristen al. Hier niet. Op dit plein geen terrassen, hooguit enkele matrassen van zwervers in portieken van gesloten winkels. Er is geen verkeer. Honden en kinderen kunnen er zonder gevaar spelen. Aan twee hoekzijden staan zes etages tellende appartementenblokken. Aan de andere kant leidt een oplopende straat naar het centrum. Achter ons bevinden zich de ruïnes van wat volgens historici ooit een van de mooiste kerken van Madrid moet zijn geweest. In feite was het een opvoedingsinstituut van de dominicaner monniken - het Colegio de San Fernando - dat daar in 1729 werd gesticht. Nog steeds is de fierheid te zien van de achthoekige kerktoren waarop een prachtige koepel moet hebben gestaan.

Maar het is nu een wat mistroostig aandoende hoeveelheid baksteen nadat in de burgeroorlog een brandbom een einde maakte aan het religieuze instituut. Waarom is het een ruïne gebleven? Don Eugenio denkt even na. “Het is nu een monument”, verklaart hij plechtig. Maar als ik hem vraag wat er dan herdacht wordt, weet hij het ook niet meer. Even later: “Ik denk dat ze daarmee de republiek willen herdenken. Tenslotte was het een actie van de rooien.”

Schuin achter ons bankje is de morsige ingang van een gebouw waarvan alle ruiten zijn ingegooid. 'Mercado' staat boven de toegang. Binnen is de markt met vis, vlees, groente en fruit en het gekwebbel van winkelende buurvrouwen. De weinige mannen zitten al aan de 'anis' in een drietal bars. Wie weggaat, legt steevast aan bij de laatste stopplaats van de markt: het kantoortje van de blindenloterij.

Als de schoonmaakploeg van de gemeente het plein even na elf uur schoon spuit en veegt, en wat water geeft aan de cypressen, acacia's en oleanders, gaat bij de groep zwervers de tweede fles bier al rond, gevolgd door een 'canuto' zoals de joint hier wordt genoemd. Even wordt het stil als drie politieagenten verblijfsvergunningen willen zien. Maar kennelijk zijn alle papieren in orde.

Zo glijdt de ochtend vanzelf over in de middag. Don Eugenio vertelt dat hij zijn boek over een dokter in het oude Egypte bijna uit heeft en dat hij eigenlijk uit Segovia komt. Zijn hele leven is hij metselaar geweest, eerst in Barcelona (“maar daar kon ik niet tegen het zeeklimaat”) en daarna in Madrid. Nu is hij 63 en ziet er uit als iemand van 73. “Ach, het gaat nog wel. Ik ben wel tevreden”, en hij neemt nog eens een teug uit zijn fles.

Als het al twee uur is geweest, de markt afgesloten is en de rolluiken van de weinige winkels - een bloemist en een drogist - met ratelend geluid zijn gezakt, neemt het leven af op de Plaza. Een negerjongetje geeft een Marokkaantje een hand. Samen gaan ze schommelen op twee autobanden. De zwervers liggen uitgeteld onder de cypressen.

Don Eugenio gaat naar huis. “Tien minuten lopen. Maar ik kom morgen weer terug want je zit hier zo prettig”, zegt hij terwijl hij weg sloft op zijn pantoffels. Zijn boek over de Egyptische dokter houdt hij stijf onder zijn rechterarm. In zijn linkerhand lege fles. De thermometer wijst 36 graden aan in de zon. Niet eens zo warm voor de tijd van het jaar.

Als om vijf uur iedereen zich heeft overgegeven aan de siesta en de lange, zwoele avond op dit volkse plein nog moet beginnen, loop ik naar het standbeeld van Agustin Lara. Peinzend maar trots staat hij daar in brons met enkele spinnenwebben aan zijn kin. Daaronder, gebeiteld in de sokkel, spreekt Lara voor alle buurvrouwen: 'Ay, stukje Spanje van mij. Ze zouden jou keizerin van Lavapies moeten maken'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden