Domweg gelukkig in de dapperstraat

Een serie portretten van verdwenen, maar niet vergeten televisiehelden. Aflevering 1: De clown Peppi.

PETER DE BROCK

“Kijk, ze bellen me toch vaak op om te vragen of ik zin heb in een optreden. En daar hebben ze gelijk in. Je moet zin hebben, anders kun je niet werken. Ik ben 69 jaar en nog nooit één dag ziek thuis gebleven. Je kunt tegen kinderen toch niet zeggen: Luister eh, Peppi komt niet want hij is ziek... Dat bestaat niet! Clowns worden nooit ziek.”

De jarige Monica, de dochter van de restauranteigenaar, laat op zich wachten. Maar haar eerste vriendinnetjes komen aan de hand van hun moeder binnen. Onder de kleine armpjes steken grote cadeaus. “Kinderen zijn een kritisch publiek”, verzucht Van Essen. “De televisie heeft daar aan bijgedragen. Vroeger waren ze tevreden met een poppenkast. Moet je kijken wat een cadeaus.”

Als negenjarige maakte Gerard van Essen zijn debuut in een Utrechts kindercircus. “Ik verdiende een gulden per avond. Een kapitaal vóór de oorlog. Daarvan kon je bij Jamin veel zakken koekkruimels halen. Vijf cent voor een lekkernij”, droomt Van Essen. 'Hé kijk mamma, daar zit Peppi!' De verjaardagsgastjes blijken de aanwezigheid van het televisiegezicht te hebben opgemerkt. Naadloos valt hij in zijn rol. “Heee! Dag lieverd, krijg ik een handje van jou?”

“Goedenmiddag, u bent er al”, mompelt de Italiaanse restaurateur als hij eindelijk met de jarige job arriveert. Van Essen neemt met hem het programma door. “Komt u met flesjes cola als ik limonade tover?” Zodra de jarige genoeg heeft van het uitpakken van een aantal immense Barbie-toebehorens begint Van Essen met zijn optreden.

“Jullie zijn hier op de verjaardag van Monica. Jullie weten het misschien niet, maar Monica is jarig.”

“Dat weten we wel.”

“Maar dat ik op die verjaardag mocht komen, dat wisten jullie nog niet, hè?”

“Nee!”

“En jullie weten lekker ook niet hoe ik heet.”

“Wèèèèl, Peppi!”

“Maar hoe mijn vriendje heet, dat weten jullie niet.”

“Kokkiiiiii!”

“Kokki was ook graag meegegaan, maar die moest van de kapitein de boot schoonmaken.”

Tussen het toveren van koekjes en limonade probeert Peppi tijd te rekken. Zijn wanhopige blikken worden aan de bar veel te laat opgemerkt. De flesjes cola komen te laat. “Alles draait tegenwoordig om perfectionisme”, zegt een nog nazwetende Van Essen later op driehoog in de Vrolikstraat. “De circussen hebben zo'n ongelooflijk niveau dat het ondoenlijk is om nog een nummer in elkaar te zetten. Niemand kan toch tippen aan de Chinezen en Russen!”

In zijn ondergoed loopt hij naar zijn kast vol herinneringen. Uit een van de talrijke plakboeken haalt hij een foto van Zwarte Piet. “Ik heb van de burgemeester de zilveren speld van de stad Amsterdam gehad, omdat ik vijfentwintig jaar lang mee heb gelopen in de Sinterklaasoptocht.” “Gekrégen, Johnnie! Gehad is een lelijk woord”, valt zijn vrouw Tilly hem in de rede. “Ik liep de hele Sinterklaasoptocht op mijn handen. Van het Centraal Station tot aan het Leidseplein. Een sensatie! Ik sleet vijf paar handschoenen per intocht.”

“Kijk, daar heb je het circus. Honderdvijftig mensen met drie maneges, de eerste in Nederland.” Van Essen blijft grasduinen in de plakboeken met vergeelde kranteartikelen en nostalgische foto's uit het vervlogen circusverleden. “Ik heb gezegd dat hij zijn bureau moet opruimen”, verdedigt zijn vrouw. “Die vuilniszak op de overloop zit helemaal vol papier.” Van Essen: “Je kan wel lullen, maar je moet het ook kunnen bewijzen, zeg ik altijd maar.” De foto's van optredens in de cabaretclubs rond het Rembrandtplein, voorstellingen in Carré en schnabbels bij wielerwedstrijden in het Olympisch Stadion gaan in ras tempo over tafel. “Dit is dat zangeresje... Hoe heet ze ook al weer?” stamelt Van Essen.

“Meisje, ik zou je zo willen inruilen voor mijn vrouw”, grapt Van Essen tegen een van zijn gasten op zijn eigen feest. Ter ere van zijn zeventigste verjaardag mag het erelid van 'De Prominentensoos' zijn familie, vrienden en collega's ontvangen op de wekelijkse sociëteit voor oud-artiesten in cafe Eik en Linde in Amsterdam. Herman Emmink, Dick Engelbracht, Frans Vrolijk, Toni Boltini en Tonny Eyk geven acte de presence. Van Essen geeft tekst en uitleg bij elke gast. “Kijk, die mensen hebben een prachtig cowboynummer.” Ook Dave Parker, die met zijn wonderschone dochter binnenkomt, wordt de hemel in geprezen. “Dat is toch een fantastische jongleur. En hij kan vreselijk goed Charlie Chaplin imiteren. Dave heeft in de Crazy Horse in Parijs gestaan.”

In de Vrolikstraat staart vanuit een portiek een Turks overbuurmeisje hem met grote ogen aan. Peppi van de televisie woont in haar eigen straat. Van Essen is geliefd bij de jongste bewoners. Ook André Hazes was er kind aan huis. Als bewijs toont Van Essen een foto van de kleine André. “Ik zal deze foto eens aan hem opsturen. Ik denk dat hij dat prachtig vind.”

Trots is Van Essen ook op de Heerenveense clown Enrico. “Hij kwam al als jongetje van twaalf hier over de vloer. Elke voorstelling in het noorden was hij erbij. Dan gaf hij een goochelvoorstellinkje met muizen of marmotten. Schminken heeft hij geleerd van Herman Kortekaas. Enrico heeft twee jaar in Ponypark Slagharen gewerkt, en nu staat hij in alle internationale circussen. Allemaal dankzij een goede en lange leerperiode. Tegenwoordig moet het allemaal te snel gaan. Als hier morgen een jongen komt die clown wil worden, wil hij overmorgen in de piste staan. Dat is onmogelijk.”

Zijn eigen leermeesters waren het Tsjechische clownsduo de Vargas en de Babuzio's. “Bij circus Mullens heb ik elke voorstelling van de Babuzio's gezien. Die waren twee, drie keer beter dan de Kamé's. Wij maakten ook schitterende entrees, maar zij waren super. Je moet al iets van een clown in je hebben en verder is het vooral kijken, kijken en nog eens kijken.”

Volgens zijn vrouw is het niet meer wat het geweest is. “Jongere mensen die de komische kant willen opgaan doen het ook zo modern. Sinds de Stratenmaker-op-Zee Show moet het vooral leerzaam en verantwoord zijn.” Van Essen leegt zijn glas sherry. “Maar ze vergeten dat het ook leuk moet zijn. Ik was laatst jurylid bij een clownswedstrijd. Er waren vijftig clowns en ik kon geen eerste prijs uitreiken.” “Het was niet slecht, maar zo anders”, verdedigt zijn vrouw, “eigenlijk hou ik niet zo van clowns.” Van Essen lachend: “Nee, alleen van mij.”

Artikelen, foto's en herinneringen van het vijftigjarig jubileum in Carré vliegen over tafel. “Ik vind het altijd leuk als je lult, maar je moet wat kunnen laten zien.” Uit een plakboek met recensies kiest hij een vijfregelig artikeltje. “Kijk, de Twee Kamé's stonden in 1942 al in Carré.”

Terwijl de glazen worden bijgevuld vertelt Van Essen: “Wij hadden in 't Gooi in een villa aan het water kunnen wonen. Maar dat kan mij niet schelen. Ik ga al jaren drie maanden in de winter met vakantie. Dat vinden wij leuk. Ik hou niet van een Mercedes, maar koop bij tijd en wijle een tweedehands auto. Ik heb voor dat soort zaken geen geld over. En mijn meisje geeft niet om diamanten of goud.”

“Bij mij komt de bescheidenheid door de oorlog”, zegt zijn vrouw. “Ik hecht niet aan bezittingen. Ik kan mij ook niet voorstellen dat mensen na een inbraak triest zijn omdat er een horloge van hun overleden man weg is. Ik ben in de oorlog mijn hele familie kwijtgeraakt. Of je nu tussen vier mooie of lelijke muren zit, het blijven altijd vier muren. Mijn vader had, voordat we ons moesten melden, al een onderduikadres gevonden. Ik was zes en zat in een dorpje in Groningen.”

Terwijl Gerard in 1942 nog in Carré stond. (Hij verdwijnt naar de slaapkamer) “Daar hebben we nog altijd ruzie om. Ik ga van het standpunt uit dat je mensen van 16, 17 jaar niet veel kwalijk kunt nemen. Maar we hebben wel mot, omdat ik bestrijd dat zijn optredens niet onder de Kultuurkamer vielen.”

Jullie hebben daar regelmatig ruzie over?

“Nee, alleen als het ter sprake komt.” (Van Essen komt de kamer weer binnen.)

Voelde u de vraag aankomen?

Van Essen: “Nee hoor. Ik moest wat rommel opruimen.”

Even zwijgt ze. “Hij was jong en had geen idee wat er om hem heen gebeurde. Dat is misschien een van de redenen waarom hij zo geïnteresseerd is in alles wat ze toen hebben uitgespookt.” Van Essen: “Ik heb bijna alle concentratiekampen bezocht. Laatst ben ik in Bergen-Belsen geweest.”

Gerard en Tilly ontmoetten elkaar in café Het Trefpunt in de Utrechtsestraat. De verliefde Kamé stond in een van de talrijke cabaretclubs op het Rembrandtplein. “Ik had een topgage van driehonderd gulden in de week. Maar samen met de baas brachten we de stille uren al dobbelend aan de bar door. En als mijn ouders en Tilly op het terras kwamen zitten, bestelde ik een flesje wijn. Op de betaaldag moest ik 35 gulden bijpassen. En ik had mijn huur nog niet betaald. Ik schijn toen zo'n vreselijke kop te hebben getrokken, dat ik uiteindelijk toch met 150 gulden op zak naar huis kon gaan.”

Tilly: “Toen hij in het circus werkte, kwam hij elke avond naar huis. Maar tussen de twee voorstellingen in liep Johnnie wel met zijn ziel onder zijn arm. Toen hebben we een camper gekocht. De eerste zes weken heb ik lopen janken. En aan luxe ontbrak het niet. We hadden een douche, een toilet, een geiser en een televisie. Ik heb überhaupt wat afgejankt. Toen ik hem leerde kennen draaide alles om hem. Artiesten zijn egotrippers.”

Gerard van Essen reisde de halve wereld af als de ene helft van het duo De Twee Kamé's. Zowel zijn broer Jan als Herman Kortekaas, met wie hij later het televisieduo Peppi en Kokki zou vormen, hing voortijdig de clownsneus aan de wilgen. “Jan had opeens geen zin meer”, zegt Van Essen. “En zijn vrouw had iets tegen het artiestenwereldje. Zij vond, plat gezegd, dat alle vrouwelijke artiesten, en de meiden die eromheen liepen, hoeren waren.” Bovendien kreeg zijn broer een goede vaste baan bij de Burgerbescherming aangeboden. “We hadden weer een contract aangeboden gekregen bij circus Mullens. Vijf dagen voor aanvang van de tournee maakte hij zijn beslissing bekend. Ik denk dat hij er zijn hele leven spijt van heeft gehad.”

Jan verruilde zijn circuswagen voor een huis en maakte plaats voor Herman Kortekaas. “Herman speelde met Appie en Flappie. Appie was toen al een hele slechte clown. Ik had al contracten op zak en Appie niet. Het klikte direct.” De kranten schreven dat een van de twee Kamé's een nieuwe partner had en dat deze een hele grote kon worden. Maar na 23 jaar kwam er een abrupt einde aan de samenwerking.

“Op een gegeven moment had Herman er geen zin meer in”, aldus Van Essen. “Hij kon er niet meer tegen om met een kraampje door het land van camping naar camping te trekken. Natuurlijk waren wij best wel verwend, omdat we in alle grote theaters hadden gestaan. Want met Herman heb ik nooit in een circus gewerkt. We kregen een contract aangeboden bij een Amerikaans circus. Negen maanden op tournee in een luxe wagen en de vrouwen en kinderen mochten mee. En hij kwam hier boven en zei: Dat doe ik niet hoor...”

En dat heb je geaccepteerd?

“Ik vond niet dat hij gelijk had.”

Jullie hebben geen ruzie gemaakt?

“Nee.”

Zonder ruzie uit elkaar . . .

“We kregen een geweldig contract voor Brazilië aangeboden. En weer zei Herman op het laatste moment af. Onze plaats werd ingenomen door een ander clownsduo. En die hebben bakzeil gehaald.”

En toch ben je niet kwaad geworden...

“Nee. We hadden hier ook wel werk.”

Maar heb je er geen spijt van?

“Ja, ik wel. In plaats van ons gingen er twee zingende zusjes naar Amerika. Die hebben de tournee van hun leven gehad. En een tournee door Zuid-Afrika en Canada zijn we ook misgelopen.”

Jullie zijn nog steeds vrienden?

(Stilte) “Nou... We zijn wel vrienden, want we hebben nooit ruzie gehad. We spreken elkaar nog wel.”

Tilly: “Johnnie wil altijd een aardige man zijn. Ik moet altijd bellen als er een apparaat kapot is. Dan ben ik dat klerewijf dat altijd wat te klagen heeft. Hij houdt niet van ruzie. Ik denk dat je ruzie niet altijd uit de weg kan gaan.”

Van Essen: “Je kunt met een collega geen echte ruzie hebben, omdat je elkaar altijd tegen komt.” Tilly: “Maar als je collega je vriend is moet je kunnen zeggen wat je denkt.”

Herman is dus meer een collega dan een vriend.

“Ja, hij houdt van vissen, vissen en vissen.”

Je ziet hem nog wel?

“Ja.” (Stilte) “Als ik hem nu bel, weet ik zeker dat hij heel vriendelijk is. Voor de rest hoor of zie ik hem nooit. Zo maar van de ene op de andere dag gestopt. We barstten van het werk en hij stopte ermee.”

Terwijl Kortekaas na jarenlang zwijgen als matroos echte lines kreeg in de Vara-series 'Waaldrecht' en 'Zeg 'ns Aaa', bleef Van Essen de grote kindervriend. In de Vrolikstraat kennen alle kinderen hem. Al jaren. Van de kleine Hazes tot het Turkse overbuurmeisje. En nooit wordt hij kribbig als hij in de buurtwinkels weer wordt aangesproken met Peppi. “Alle kinderen zijn gek op mij”, zegt Van Essen vol trots. “En het heeft ook zijn voordelen. Er zijn altijd wel kinderen die de boodschappen naar boven willen sjouwen.” En ze kunnen altijd nog rekenen op een ballon, snoepje of foto. “We hebben ze alleen afgeleerd om de hele dag aan te bellen.”

“Die kinderen weten niet beter dan dat ik Peppi ben. Ik zou best wel wat vaker Gerard van Essen willen zijn. Maar dat kan natuurlijk niet. Het blijft je vak. Wat niet wil zeggen dat ik niet uit mijn slof kan schieten als ze twintig keer op een dag aan de deur komen. Maar normaal, en zeker bij een optreden, zal ik nooit uit mijn rol stappen. Je zou lastige kinderen bij een optreden wel eens wat willen aandoen. Maar dat kun je niet maken. Kinderen blijven kinderen. En het is het heerlijkste publiek om mee te werken. Ze zijn zo spontaan. Alleen soms iets te eerlijk. Gisteren was er een meisje dat wel tien keer schreeuwde dat ik een dikke pukkel had. Ze hebben het ook altijd over mijn buik. En toch vind ik dit het einde.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden